Van Johannesburg naar Durban is weder vier-en-twintig uur in den
trein. Maar, dat was nu eens een aangename reis. Precies acht uur
vertrokken we 's avonds van Johannesburg en daar er door de duisternis
niets was te zien en wij een vermoeienden dag achter den rug hadden,
legden wij ons al heel spoedig te slapen. Zoodra het morgenlicht
aanbrak, was ik gereed om naar buiten te kijken en dat was de moeite
waard. Aan beide zijden van den trein een prachtig landschap, dat
onophoudelijk van aanzien wisselde. Wij waren in Natal aangekomen.
Natal was ons steeds als de mooiste Staat, provincie moeten wij nu
zeggen, aangeduid. Maar 't was er ook mooi. 't Was er als in een mooi
deel van Zwitserland, maar wijder, uitgestrekter, grootscher. Dan
eens waren wij in een vruchtbare vallei, met overvloed van bloemen
van allerlei kleur; bloemen, niet alleen op den grond, maar aan
heesters en boomen; bloemen, zooals wij nooit te voren gezien hadden en
waarvan niemand der medereizenden ons den naam kon noemen of de familie
aangeven. Een oogenblik later was de trein op een bergrug aangekomen en
keken wij neder op drie, vierdubbele rijen heuvelruggen, alle met nieuw
groen gras begroeid, die door de roodzandige voetpaden en rijwegen er
tusschendoor, de goudgele, in vollen bloei staande mimosabosschen,
de paarse seringen, een prachtig bont gezicht opleverden. Van 's
morgens zes uur tot dat 's avonds het nachtelijk duister plotseling
het daglicht verving, zat ik uit te kijken, zonder een oogenblik de
reis te lang of te vermoeiend te vinden.
Eigenlijk werd ik nog in Pieter Maritzburg verwacht en zou ik daar
hebben moeten overblijven, maar ik was te lang in Johannesburg
opgehouden en moest nu naar Durban doorsporen, wilde ik daar niet
alles verzuimen. Om 8 uur 's avonds waren wij op de bestemmingsplaats
aangeland en zaten weldra in het fraai gelegen en goed ingerichte
hotel, waar wij niet alleen Mrs. Catt, maar ook tal van nieuwe
vrienden, die wij op onzen tocht door Zuid-Afrika gemaakt hadden,
ontmoetten.
Hier zouden wij een van de vruchten plukken, die het allereerste
gevolg van onze reis door Zuid-Afrika was. Wij hadden reeds
onmiddellijk in Kaapstad opgemerkt, dat de Zuid-Afrikaansche
vrouwen niet goed georganiseerd waren en van een vruchtbaar
samenwerken van de vrouwen over het geheele land niets kon terecht
komen, zoolang er geen nationaal verband bestond en elke plaats,
waar een vrouwenkiesrechtvereeniging gevormd was, op zich zelf
streed. Mrs. Catt, want dit was voornamelijk haar werk, drong er
vooral op aan om in de week, die wij in Durban waren, aan het eind dus
van onze toer, daar een nationale conferentie te houden, waar elke
vrouwenkiesrechtvereeniging een of meer afgevaardigden zou zenden,
om te trachten eene nationale vereeniging tot stand te brengen. Uit
alle plaatsen had men aan ons verzoek voldaan. Kaapstad had drie
afgevaardigden gezonden, die vier dagen en vier nachten moesten
reizen om deze conferentie bij te wonen. Mevrouw de Villiers en
mevrouw Murray van de Afrikaander partij en mevrouw Garret van de
Britsche partij, hadden die lange reis van Kaapstad voor dit doel
gemaakt. Uit Port Elisabeth, Grahamstown, Kimberley, vanwaar de
afstand drie- en viermaal vier-en-twintig uren bedroeg, waren van
iedere plaats twee afgevaardigden gekomen, de dichterbij gelegen
afdeelingen, doch toch nog van vier-en-twintig uren afstand, hadden
zelfs meer vertegenwoordigsters gezonden, allen doordrongen van het
groote gewicht om tot samenwerking te geraken. Al die afgevaardigden
hadden we natuurlijk in de verschillende steden reeds ontmoet en
met velen waren wij goed bevriend. 't Was dus een aangenaam gezicht,
haar allen in 't Marine-hotel terug te vinden en de laatste week van
ons verblijf in Zuid-Afrika met haar door te brengen.
De Durbansche vereeniging voor Vrouwenkiesrecht had meer gewicht
gehecht aan de komst van zoovele afgevaardigden uit eigen land,
dan aan het feit, dat Mrs. Catt en ik de moeite hadden genomen over
te komen en haar tot het laatste toe te helpen. Van daar, dat er
meer ruchtbaarheid gegeven was aan de komst dier afgevaardigden en
dientengevolge officieele uitnoodigingen en feesten ons niet bereikten,
voordat wij reeds een paar dagen in Durban waren. Toen volgden de
uitnoodigingen van den burgemeester en officieele en onofficieele
personen elkander zoo snel op, dat wij voor velen moesten bedanken
omdat er geen tijd voor was.
Maar dat weinige gewicht hechten vooraf aan onze komst, maakte ook,
dat er voor Mrs. Catt en mij maar één openbare vergadering belegd was,
maar dat men later nog allerlei vergaderingen wilde beleggen om ons
weder aan het woord te brengen. Wij meenden evenwel voor Zuid-Afrika
onzen plicht gedaan te hebben en de laatste dagen van ons verblijf in
Durban te mogen besteden aan de voorbereidselen voor de groote zeereis,
die ons wacht en aan het bezichtigen van de mooie stad Durban en hare
mooie omgeving.
Voor de lezers, die hierin belangstellen, wil ik eerst even mededeelen,
dat de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Zuid-Afrika
tot stand kwam: de voorloopige constitutie werd samengesteld en een
voltallig hoofdbestuur gekozen. Werkt dit bestuur goed, dan zullen
de vrouwen van Zuid-Afrika weldra in het genot van hare politieke
rechten zijn. De groote afstanden en het dure reizen maken het werk
hier wel wat moeilijk, maar de vrouwen beginnen er met een welgezinde
pers en een regeering, die het werk der vrouwen voor vrouwenkiesrecht
toejuicht en begunstigt, zij hebben dus een veel gemakkelijker taak dan
de vrouwen uit de meeste andere landen. Van alle vrouwen die in Durban
bijeen waren gekomen, ontvingen Mrs. Catt en ik de ondubbelzinnige
bewijzen van waardeering en dankbaarheid, dat wij waren komen helpen
en de eerste daad, die het nieuwe bestuur volbracht, was, ons te
vragen hen verder van raad en steun te zijn. Mij werd gevraagd of
ik, nu ik niet langer kon blijven, misschien een andere van onze
spreeksters kon verzoeken over te komen en een van de afgevaardigden,
die in Johannesburg aan het hoofd van een private meisjesschool staat,
vroeg mij of zij misschien een Hollandsche onderwijzeres kon laten
uitkomen op mijne aanwijzing, die tegelijk eene goede spreekster
voor vrouwenkiesrechtvergaderingen in Transvaal zou zijn. Men deed
natuurlijk ook alle moeite om ons nog langer te houden en ik gaf hen
ten slotte de belofte om haar nu en dan voor de Afrikaansche pers
propaganda-artikelen te doen toekomen.
Daar Durban bijna geen Hollanders of Hollandsch sprekende bevolking
telt, moest ik er natuurlijk in het Engelsch spreken. Ik begon
met het verhaaltje van Thugater en knoopte daaraan een korte
vrouwenkiesrechtspeech vast. Daarna kreeg Mrs. Catt het woord, die
bijna anderhalf uur alle aanwezigen in de goed gevulde, prachtige,
stedelijke gehoorzaal geboeid hield. Zij gaf voornamelijk een
résumé van ons werk in Zuid-Afrika en de indrukken, die wij hadden
opgedaan en knoopte daaraan de vooruitzichten vast voor een spoedige
politieke ontvoogding voor de Zuid-Afrikaansche vrouwen. Bloemen en
vele openlijke bedankjes hadden wij beiden aan het einde in ontvangst
te nemen.
Durban wordt in heel Zuid-Afrika de rozentuin van Zuid-Afrika
genoemd. Wij zijn nu wel niet in den rozentijd hier, maar wij zien hier
toch ook nu een zoo groote verscheidenheid van in bloei staande boomen
en heesters en zoo'n schat van bloemen, dat ik mij best met dien naam
kan vereenigen. Nergens ook in Zuid-Afrika kreeg ik zoozeer den indruk
in een geciviliseerd tropisch land te zijn als hier. De temperatuur,
de tropische boomen en vruchten,--vruchten, waarvan niet alleen ons
Europeeërs en Amerikanen den naam en het bestaan onbekend waren,
maar zelfs de Kaapsche en andere afgevaardigden hadden die vruchten
nooit te voren gezien, omdat zij voor export ongeschikt zijn,--de
huizenbouw, de kleederdracht der blanken etc. geven het tropenland
aan. De vele kleurlingen, die nu weder geheel andere eigenaardigheden
vertoonen met hunne vreemde, hoog opgebouwde coiffures, versierselen
door neus en ooren, strootjes in hoofd- en baardharen gevlochten, en
vooral de vele mooie Indische vrouwentypen en niet te vergeten--het
meest gebruikte vervoermiddel--de rickshaw, verhoogen nog den indruk,
dat wij in een tropenland zijn.
In Pretoria en Johannesburg is het niet fashionabel van de weinige
daar in gebruik zijnde rikshaws gebruik te maken, maar hier in
Durban zet iedere dame of heer zich onbeschroomd, zelfs 's avonds
in het gekleedste avondtoilet, in een rikshaw en laat zich door
den allerdwaast opgetuigden kleurling naar de plaats van bestemming
brengen.
Waarom die rikshaw-mannen zich zoo raar optuigen, weet ik niet. In
het begin kan men niet nalaten, die lui van kop tot teen op te nemen,
later went men aan het gezicht en stapt men, zonder verder voor zich
zelf opmerkingen te maken, in de eerste de beste rikshaw die zich
aanbiedt. Dikwijls hebben die mannen hunne zwarte beenen wit geverfd,
alsof zij witte kousen en schoenen aan hebben, dragen zij een soort
van gekleurd rokje met roode of groene lange franje, soms hebben zij
zich met een vol klatergoud beplakt damescorset getooid en op het
hoofd zetten zij de dwaast denkbare dingen. Groote horens zijn zeer
gewild en daaromheen allerlei hel gekleurde veeren of vogelpennen,
of andere dingen. 't Is inderdaad niet te beschrijven hoe zot die
menschen er uitzien, eenige photographische opnamen kunnen misschien
eenigszins den indruk wedergeven, dien zij veroorzaken.
Durban wordt eigenlijk als een zeebadplaats beschouwd, doch wij zijn
nu niet in het seizoen. Men zegt, dat het hier nu te heet is, doch
wij vinden het lekker, aangenaam warm. Het frissche zeewindje maakt
de 87 of 90 graden Fahrenheit in de schaduw heel goed te verdragen,
vooral daar men hier niet loopt, doch voor elken kleinen afstand voor
"een tikkie" (drie stuivers) in een rikshaw stapt. Hier is een mooi
strand, een zeer mooi wandelhoofd, met groote, hooge palmboomen en
een zeer lange wandelpier.
Een van de nieuwe middelen van bestaan, die hier een groote toekomst
schijnt te hebben, is de walvischvangst. Vier jaren geleden is men
daar voor het eerst mede begonnen onder leiding van den Noorschen
heer Egeland. Dagelijks worden er gemiddeld tien tot vijftien van die
beesten geschoten, zoolang het in het seizoen is en geoorloofd is ze
te schieten. De heer Egeland, die ook als Noorsch consul fungeert,
had de goedheid ons zelf rond te leiden en ons alles in de fijnste
détails uit te leggen. Hoewel nu reeds zooveel mogelijk alles van
het beest wordt gebruikt, de olie, de beenderen, het vleesch etc.,
krijgt men toch het gevoel, dat er nog veel verloren gaat en die
dieren later nog wel winstgevender gemaakt kunnen worden. De huid gaat
nog verloren; het uitgekookte vleesch wordt nog alleen voor meststof
gebruikt, terwijl het een goed en smakelijk voedsel blijkt te zijn; de
beenderen worden tot asch gebrand en dan ook tot meststof aangewend,
terwijl men vermoedt dat ook die meer nut kunnen doen; een deel der
kieuwen, of hoe die dingen mogen heeten, wordt nog alleen voor balein
gebruikt, terwijl dat andere gedeelte verloren gaat en zoo meer. Men
is echter nog niet ver genoeg gevorderd met deze industrie om het
reeds in al zijne finesses te kennen. Toch wordt den aandeelhouders
dit jaar 100 pCt. uitgekeerd en vinden 150 blanke, meest Noorsche,
en ruim 200 kleurling mannen er een goed middel van bestaan door.
Den dag, die wij er waren, werden vier pas geschoten walvisschen
binnengevoerd. De eerste was ruim 20 meter lang, en ongeveer 4 meter
hoog. Het was een ellendig gezicht, dat groote dier met een meterlange
harpoen dwars door den kop naar binnen gesleept te zien. Het wordt
dan onmiddellijk in stukken gesneden en de olie er uitgekookt.
Hier zijn verder vele suikerplantages en enkele theeplantages. Tot eene
bijzondere hoogte heeft zich de suikerteelt en theebouw echter niet
ontwikkeld. De thee, die hier groeit, heeft geen smaak en geen geur
en gaat niet verder dan de grenzen van het land en dan nog maar in de
huizen der velen, die Indische of Chineesche thee niet betalen kunnen.
Over twee dagen gaan wij van hier en bijna op het laatste oogenblik
werden wij in kennis gesteld met een heel leelijke verandering, die de
Union Castle Co. voor onze reis gemaakt heeft. Dat men ons niet eerder
met deze wijziging in kennis bracht, vindt een verontschuldiging,
dat wij reizende en trekkende waren en de brieven ons niet altijd
bereikten. Men zegt ons naar Bulawayo geschreven te hebben, doch daar
wij, terugkomende van de Victoria Falls, niet in Bulawayo stopten,
is die brief niet in onze handen gekomen. Men heeft eenvoudig voor de
Dunvegan Castle, die Maandag zou gaan, de Avondale Castle in de plaats
gebracht, een veel kleiner, ongeriefelijker en zeer oud schip. Nu heeft
men, om ons tegemoet te komen, de vier dekhutten, elk een geheele hut,
voor ons disponibel gesteld, maar de hutten zijn zeer klein en wij
zijn geen van allen over deze wijziging te spreken. Er is echter
niets aan te doen; eerst over een maand gaat er een andere boot
van deze maatschappij en in Juli hebben wij in Londen onze plaatsen
reeds genomen, zoodat wij niet met eene andere maatschappij kunnen
gaan, zonder onze overtochtskosten te verliezen. Wij maken nu maar
geen bezwaren, praten elkaar in, dat het nog wel zal meevallen, dat
zoo'n kleine boot toch ook voordeelen heeft en wij hopen allen innig,
dat onze voorspellingen zullen uitkomen.
Of mijne eerstvolgende brieven zoo geregeld elke week zullen komen,
durf ik niet voorspellen, want wij gaan nu tot 18 November aan boord
en ik weet niet, vanwaar ik de volgende brieven kan posten, zoodat zij
wekelijks in Holland aankomen. Misschien is er aan de verschillende
aanlegplaatsen daartoe gelegenheid.