Kaapstad als stad is leelijk, doch zeer eigenaardig en
interessant. Geen mooie straten, geen groote pleinen, geen mooie
monumentale gebouwen. Alles ziet er haveloos en armoedig uit. Het is
alsof er de hand niet aan wordt gehouden en wat eenmaal verveloos of
door den tijd verbruikt is geworden, laat men niet weder opknappen of
repareeren. Ook in de gezinnen valt datzelfde op te merken. Natuurlijk
geldt dat niet voor de rijke familiën, maar zeer zeker wel in de
huizen van de middelklasse der bevolking. Voor een deel moet dit op
rekening gesteld worden van het bijna niet te gelooven feit, dat
de eigenaren dikwijls te arm zijn om de reparatiekosten te kunnen
dragen en voor een ander deel, dat er in Kaapstad en omgeving geen
goede werkkrachten, die reparatiewerk willen verrichten, te vinden
zijn. Als iets stuk is, dan moet het maar net zoolang stuk gebruikt
worden, tot het geheel onbruikbaar is geworden, want om dat iets te
laten maken, zou evenveel moeten kosten, als om het te vernieuwen.
Maar eigenaardig is Kaapstad in hooge mate. Naast de meest verouderde
gebruiken, gewoonten, instellingen, enz., vindt men er sommige van
de modernste soort. Naast de oude, afgebruikte, te vies om er in te
gaan zitten, wagens, met afgewerkte voortsukkelende paarden, staan
de nieuwste en mooiste automobielen in de straten en het is, alsof
de hansom, die in Londen afgedaan heeft, in bootladingen naar hier
zijn overgebracht. Electrische trammen doorkruisen zelfs de verst
afgelegen buitenwijken, wat eigenlijk geheel op zichzelf staande
dorpen zijn. Ook onderhoudt een geregelde spoordienst onophoudelijk
het verkeer met de buitenwijken.
Kosmopolitisch is Kaapstad in hooge mate. Niet alleen treft men hier
onder de witte menschen alle nationaliteiten aan, hoewel Britten en
Nederlanders het grootst in aantal zijn, doch ook van de kleurlingen
zijn hier alle nuances vertegenwoordigd. Het gele ras en de door
herhaalde kruising reeds bijna niet meer zwarte man en vrouw, gaan
hier door Kaapstad's straten naast zwarten en zwart-blauwen in alle
verscheidenheid. De kleine, fijn gebouwde, aapgelijke Bosjesman en
vrouw, de Hottentot, de Zulu, de Basuto, de Kaffer en alle andere
kleurlingen, probeeren hier in kleeding en gebruiken de Europeër na
te doen en zien er daardoor dikwijls allerbespottelijkst uit. Ook
enkele mooie exemplaren van het onvervalschte ras ziet men soms
in hun oorspronkelijke gedaante, en dikwijls sta ik in bewondering
zoo'n sterk gebouwde Zulu-vrouw, met haar kind op haar rug en een
zware vracht op haar hoofd, gade te slaan. De meeste aantrekking
oefenen evenwel de kleine, koolzwarte, schattige negerkindertjes
uit. Ofschoon zij dikwijls te vuil zijn om aangeraakt te worden,
kan ik ze toch nooit voorbijgaan, zonder ze even te liefkoozen, of
een stukje bonbon te geven. Mrs. Catt heeft reeds den wensch geuit om
op haar verjaardag van ons zoo'n klein nikkertje cadeau te krijgen,
maar het mag dan niet grooter worden.
Heel mooi en schilderachtig zijn ook de Kaapsche Maleiers, vooral
de vrouwen onder hen. Zoodra dezen in zekeren welstand leven, en
zoo zijn er velen, dan gaan zij naar Mekka en eenmaal daar geweest
zijnde, voelen zij zich ver boven haar andere rasgenooten verheven
en toonen dat zichtbaar, door evenals de Turksche vrouwen, met bedekt
gelaat langs 's Heeren wegen te loopen. Het geheele hoofd is dan met
een gekleurden, meestal zijden, doek omgeven en laat alleen oogen en
neus vrij. In hunne hel-kleurige japonnen, roze, blauw, groen of wit,
door stijfgesteven rokken uitstaande alsof er wijde crinolines onder
gedragen worden, met halssnoeren van soms okkernootgroote koralen,
en met allerlei andere versierselen, zien zij er recht mooi uit. De
oudere dames dragen graag zware zijden japonnen, ook van opvallende
kleur. Ontmoet ik een troepje van deze vrouwen, dan maak ik gaarne
een praatje en probeer dan zooveel mogelijk "de taal" te spreken,
maar zoodra zij merken, dat ik "de taal" niet meester ben en "hoog
Hollandsch" spreek, zooals men hier ons gewoon Hollandsch noemt,
dan antwoorden zij in haar gebroken Engelsch.
Dit spreken met kleurlingen, of het liefkoozen van de zwarte
negerkindertjes, wordt hier echter als hoogst onwelvoegelijk beschouwd
en herhaaldelijk ontvang ik afkeurende blikken van voorbijgaande
witte menschen, omdat ik mij met een kleurling op een voet van
gelijkheid onderhoudt. Al wat kleurling is, wordt hier met een
soort van verachting behandeld, waarvoor men geen afdoende reden kan
opgeven. Het idee, dat kleurlingen slaven zijn, met slavenkarakters en
slavennatuur en dat zij in geen enkel opzicht op voet van gelijkheid
mogen worden behandeld, omdat men hen dan totaal zal bederven, is
van den aanvang den blanken kinderen ingeprent en in hen vastgeroest.
Dat de kleurlingen in de Kaapkolonie echter het kiesrecht bezitten en
uitoefenen en men hen in dat opzicht met de andere mannelijke burgers
van de kolonie op voet van gelijkheid heeft gezet en hen zelfs boven
de blanke vrouwen heeft geplaatst, schijnt de witte menschen niet
tot nadenking te brengen.
Maar naast hen die den kleurling verachten en vernederen, staat een
kleine groep, die overdreven voor hen gevoelt. Ik zou deze menschen
op een lijn willen stellen met onze gevoelssocialisten, menschen die
zich socialist noemen omdat hun liefde gaat tot al wat zwak en teer
is en lijdt en zij door onberedeneerde gevoelsmotieven aangetrokken
worden door de nooden en behoeften van den arme, dien zij niet alleen
ten koste van alles willen helpen, doch die ook in hunne opinie hoog
boven de andere bevolking verheven staat. Van dat soort negervereerders
bezit men hier ook. Vooral de familie Schreiner, met Olive Schreiner
aan het hoofd, is een blinde vereerster van den kleurling. Haar
geheele politieke overtuiging heeft tot ondergrond "hoe 't best voor
den kleurling te zorgen". De negerkwestie is hier een groot politiek
vraagstuk; het heeft moeilijkheden gebracht bij de vaststelling
van de Unie en het zal steeds opnieuw moeilijkheden in de politieke
kringen brengen. In de Kaapkolonie hadden de negers het kiesrecht,
vóórdat de Unie der vier Staten tot stand kwam en men wilde en kon
daar dit recht den negers niet weder ontnemen. In Oranje Vrijstaat,
Natal en Transvaal beschouwt men den kleurling nog als een inferieur
wezen en wil men hem geen politieke rechten verleenen. Deze drie
Staten wilden niet toestaan, dat de Kaapsche neger aan de verkiezing
van het Unie-parlement deelneemt, en zoo is er dan nu een toestand
geschapen, waarin de neger in de Kaapkolonie wel mag deelnemen aan
de verkiezingen voor de gemeenteraden en het Kaapsche gouvernement,
doch niet aan de verkiezingen voor het Unie-parlement.
Zoo dom zijn de negers nu niet, dat zij zich deze verkorting van
rechten laten welgevallen, en bijgestaan door de mannen, die hen
willen steunen en helpen, omdat zij met hun lot zijn begaan, strijden
zij tot verkrijging van de volle burgerschapsrechten. De drie andere
Staten zullen echter in geen afzienbaren tijd toestaan, dat aan dezen
eisch wordt voldaan.
Wil men mooie negers en vooral mooie negerinnen zien, dan doet men
best een Woensdag- of Zaterdagmorgen vroeg naar de bloemenmarkt te
gaan, waar de wild groeiende planten in groote verscheidenheid van
kleur en soort door de van buiten komende kleurlingen ten verkoop
worden aangeboden. Manden vol sneeuwwitte aronskelken, die hier
pickflower genoemd worden om de groote hoeveelheid waarin zij op 't
land voorkomen; allerlei soort prachtige erica's, men zegt er zijn hier
tusschen de twee en drie honderd soorten; azalea's, violen, mimosa's,
etc., etc., worden dan voor "a tikkie a bunch", dat is drie stuivers
een groote bos, door de negerbevolking ten verkoop aangeboden. Bloemen
zijn hier zoo mooi en in zoo'n groote verscheidenheid van kleur,
dat wij daarover dagelijks meer in verrukking komen. En wij zijn nog
niet eens in het goede jaargetijde.
Het is hier namelijk winter, verschillende dames ziet men met mof en
boa loopen, maar wij vinden het daartoe niet koud genoeg. Als de zon
schijnt, is het zelfs warm en alleen 's avonds of op een regenachtigen
dag, gaan wij ons hier wat warmer kleeden. Het is voor ons hier als
in een warme Aprilmaand.
Hoewel ik Kaapstad als stad niet bewonderen kan, is toch de omgeving
van Kaapstad heel mooi. De weg van den Muizenberg naar Simonstad en
vandaar naar Milner's point, is zelfs indrukwekkend mooi en ik zelf
heb nooit een idealer zeekust gezien dan die, waarop het oog rust,
als men zich een oogenblik kalm op het witte zeestrand of op een rots
neerzet bij Milner's point.
Maar men behoeft niet zoo ver naar buiten te gaan om mooie plekken
te vinden. Vlak bij de stad, in twintig minuten met een electrische
tram te bereiken, ligt Camp's baay en Sea point, waar men eveneens
een prachtig zeegezicht heeft. Vooral bij opkomende zee en wanneer de
zee een beetje woelig is, kan men daar uren staan droomen, wanneer de
hoogopkomende golven tegen de rotsen te pletter slaan en tot hoog in
de lucht een uiteengespatte, wit schuimende massa naar boven werpen,
om daarna om en over de rots zich in haast te verspreiden.
Die niet van zee en bergen, doch meer van bosch en veld houdt, kan hier
ook genieten. Al de hier vlak omliggende, met tram of trein in tien
à twintig minuten te bereiken dorpjes zijn het best te vergelijken
met Bussum, Hilversum, Baarn enz., behalve dat zij buiten hun mooie
villa's en bosschen en wandelwegen, steeds een mooien achtergrond
van fraai gevormde bergen hebben en dat bloem en plant hier in veel
grooter verscheidenheid en schoonheid voorkomen.
Men zegt ons hier, dat Kaapkolonie de mooiste van de vier Staten van de
Unie is en dat alleen Natal voor een deel in natuurschoon de kolonie
nabijkomt. Niettemin verkeert de Kaapkolonie thans in geen goede
financieele en economische conditie, omdat in den laatsten tijd alles
zich in Transvaal schijnt te concentreeren. Tal van huizen, zoowel
in de stad als in de buitenwijken, staan leeg en alle neringdoenden
klagen over slechte tijden. Handel en scheepvaart schijnen zich meer
naar 't oosten van het land te verplaatsen en men hoort zelfs door
sommigen beweren, dat Kaapstad eenmaal een doode stad zal worden.
Onze tijd is hier nu langzamerhand verstreken, morgenochtend gaan mijne
landgenoote en ik per trein van hier, mrs. Catt met hare landgenoote
gaat per boot, en wij zullen ons Donderdag in Port Elisabeth weder
vereenigen.
Ik heb de spoorreis verkozen, omdat ik daardoor meer van het land
kan zien en in de gelegenheid ben een bezoek aan Olive Schreiner te
brengen. In Port Elisabeth zullen wij ook ongeveer een week blijven,
tal van vergaderingen zijn reeds voor ons uitgeschreven. Daarna gaan
wij naar Grahamstown, Bloemfontein en Kimberley. Dan nemen wij eenigen
tijd rust; dat wil zeggen, dan gaan wij geheel alleen veertien dagen
voor pleizier op reis en gaan dan naar de Victoria-falls in Rhodesia,
die als het grootste wereldwonder beschouwd worden. Wanneer wij
van daar terugkomen, gaan wij naar Pretoria, Johannesburg, Pieter
Maritzberg en Durban, waar reeds overal de voorbereiding voor onze
komst in vollen gang is.
Van onzen tocht door Rhodesia stellen wij ons zeer veel voor, alles
wat wij er van hooren, doet onze verwachting stijgen. Maar nu wachten
ons eerst veertien dagen van hard werken, met vele vergaderingen,
recepties, tea's, etc.