AANKOMST IN KAAPSTAD.

Het waren drukke dagen, die laatste dagen aan boord van de "Saxon". Er

moesten nog tal van spelletjes worden afgespeeld en sommige verslagen

mede-passagiers wilden nog gaarne gelegenheid hebben, om revanche

te nemen, alvorens men voor langen tijd, misschien voor altijd,

uit elkaar zou gaan. Daarbij moesten de koffers gepakt en brieven

geschreven worden, om familie en vrienden te doen weten, dat men veilig

aangeland was, want de eerste naar Europa vertrekkende boot, zou reeds

Woensdagsmorgens weggaan. Nu waren deze laatste dagen aan boord van het

schip ook nog de minst kalme, omdat een vrij stevige bries de golven

onstuimig opwaarts joeg en het nu door kolenverbruik veel lichtere

schip rumoerig heen en weer slingerde. Men moest zeemansbeenen hebben,

om op het dek een goed figuur te slaan, anders zwenkte men van de eene

naar de andere zijde. Geen onzer was zeeziek, alhoewel er buitengewoon

veel over moeheid, hoofdpijn en lusteloosheid werd geklaagd, maar dit

mocht, o, heelemaal niet, aan den invloed van de schommelingen van

het schip worden toegeschreven. Men went ten slotte aan alles; al zou

in de laatste dagen het schip op haar kop zijn gaan staan, dan geloof

ik nog, dat de meeste passagiers zich goed zouden gehouden hebben.

Met een enkel woord moet ik even spreken over het enorme groote

schriftelijke verkeer tusschen Engeland en andere landen met

Zuid-Afrika. Wij kregen daarvan een aanschouwelijke les. Maandagmorgen

werd de geheele stuurboord-zijde (ik weet nu het verschil tusschen

stuur- en bakboord) met groote zeilen belegd en daarop werden een paar

meter hoog de zakken met brieven opgestapeld, die over Engeland naar

de verschillende staten in Zuid-Afrika gezonden worden. Elke week

komt er een even groote mail met duizenden en duizenden stukken in

Kaapstad aan.

Het was jammer, dat wij reeds zeer vroeg in den morgen 't doel van

onzen tocht bereikten, wij hadden zoo gaarne 't mooie gezicht op de

bergen rondom Kaapstad van uit zee genoten. Wel hadden wij den avond

tevoren den steward order gegeven ons te roepen, wanneer de bergen

in zicht kwamen, als die wellicht, door maanlicht beschenen, zich

toch aan ons wilden vertoonen. Maar wij werden niet in den nacht

gewekt en vernamen Dinsdagmorgen, dat een dichte nevel de bergen

had omsluierd, omdat zij zich eerst in den ochtendstond, staande

in hellen zonnengloed, aan onze oogen wilden vertoonen. Midden in

den nacht, ongeveer twee uur, bereikte 't schip de landingsplaats

en begon men onmiddellijk met het naar boven brengen van bagage en

andere dingen, die in de maag van het schip al dien tijd een veilige

plaats hadden gevonden. De drukte, het rumoer, het gepraat van het

scheepsvolk maakten slapen onmogelijk en ik was blij, dat de steward

om vijf uur kwam zeggen, dat het eigenlijk zes uur was in Kaapstad,

dat hij eenige brieven voor mij had en dat het tijd was om op te staan.

De brieven bevatten welkomstgroeten van dames uit Kaapstad en een

er van bracht een lange lijst van uitnoodigingen voor lunches, teas,

avondrecepties etc. Ook mevr. Catt had een dergelijke lijst ontvangen,

waaruit ons duidelijk werd, dat ons verblijf in Cape Town niet zeer

rustig zal zijn, en men ons in de gelegenheid wil stellen met vele

Zuid-Afrikaansche vrouwen in kennis te komen.

Spoedig waren wij alle vier gekleed en namen gezamenlijk ons laatste

ontbijt aan boord. Toen wij boven op het dek kwamen, werden wij door

eenige Zuid-Afrikaansche medepassagiers direct in beslag genomen,

om met hen den eenigen mooien aanblik van den Tafelberg met zijn

leeuwenkop en duivelseiland, met zonnegloed overgoten, te genieten, 't

Was verrassend schoon! Doch lang konden wij ons niet aan dit schouwspel

wijden, want, ofschoon het nog geen acht uur was, waren er toch reeds

vele dames uit Kaapstad daar, bijna allen de een of andere vereeniging

vertegenwoordigende, om ons bij onze aankomst te begroeten. Niet weinig

waren wij verrast, onder deze dames ook een heer aan te treffen, de

heer en mevrouw De Villiers, die mij in zuiver Hollandsch toespraken,

en die ons direct dien morgen voor de lunch te hunnen huize noodigden.

Het was ruim negen uur, toen wij eindelijk van de vele medepassagiers,

die, voor zoover zij in Zuid-Afrika in een of andere stad wonen, die

wij waarschijnlijk op onzen tocht zullen aandoen, met uitnoodigingen

ten hunnent overlaadden, hadden afscheid genomen en wij ons naar het

hotel Mount Nelson konden begeven, waar door de vriendelijke zorg

van een der dames reeds kamers voor ons besteld waren.

De indruk die wij op dezen eersten tocht door de stad, in een

open landauer en met een neger als koetsier, kregen, is een zeer

gemengde. Wij kwamen alle vier tot de slotsom, dat wij ons iets geheel

anders hadden voorgesteld. Dan eens deed een straat ons denken aan de

Rue de la Fayette in de buurt van de Gare du Nord in Parijs, dan een

eindje verder had de buurt iets van een of ander plekje in Cannes

aan de Riviera, maar alles zag er uit alsof de stad reeds eeuwen

en eeuwen oud is. Maar, natuurlijk, ik mag nog geen oordeel vellen,

alvorens wij de stad in haar geheel kunnen opnemen.

In het hotel aangekomen, werden wij ook daar weder door andere

dames verwelkomd en gaven de Hollandsch sprekende of "de taal"

sprekende dames zich de moeite, om mij in mijn moedertaal te

begroeten. Natuurlijk ontbraken ook de heeren- en dames-journalisten

onder hen niet en werden wij om beurten een oogenblik in een hoekje

genomen, om het een en ander van ons persoonlijk, van onze reis,

ons land of iets dergelijks mede te deelen.

De verslaggever van de "Nieuwe Rott. Courant" was onder hen en hij kon

mij gelukkig de laatste editie van de N.Rott. Ct. bezorgen, zoodat ik

niet geheel zonder nieuws uit het land ben. Het is natuurlijk slechts

de maileditie, maar ik kan er toch de voornaamste bijzonderheden

uit vernemen.

Al deze bezoeken hielden ons tot bijna één uur staande; wij moesten

nog onze koffers uitpakken, waren moe en hongerig en besloten daarom

ons te laten verontschuldigen voor de eerste lunchpartij en voor

de tea in den middag en liever te trachten voor de avond-receptie

presentabel voor den dag te komen. Na eerst vlug wat gegeten te

hebben, begaven wij ons naar onze kamers, ontpakten onze zaken en

toen besloten mijne Hollandsche medereizigster en ik nog gauw een

paar uur van den mooien zonnigen dag te profiteeren, alvorens ons

voor den avond te kleeden. Onze Amerikaansche vriendinnen wilden

liever tehuis wat rust nemen, hopende op meer zonnige dagen voor een

wandeling door de stad. Laat mij hier direct bijvoegen, dat zij die

rust niet gevonden hebben, want toen wij om vijf uur tehuis kwamen,

waren zij nog geen oogenblik alleen geweest, doch hadden steeds nieuwe

bezoekers te woord gestaan.

Wij twee doorkruisten voor deze eerste wandeling de hoofdstraten van

de stad en ontvingen nu een geheel anderen indruk dan in den landauer

van dien morgen. Flinke breede, ruime straten, met groote gebouwen en

winkelhuizen, die met onze Amsterdamsche Waarenhäuser te vergelijken

zijn, met bankinstellingen en groote kantoren en met electrische trams,

vonden wij overal. Hadden de vele kleurlingen, die wij in de straten

zagen, ons er niet aan herinnerd, dat wij in een tropenland waren,

dan had zeer zeker een aanblik der straten en de daarin aanwezige

woningen en winkels bij ons geen oogenblik den indruk verwekt, dat

wij zoover van ons huis en ons in Zuid-Afrika bevonden. Een enkel

winkeltje, dat tegelijk een café'tje was, en tot opschrift droeg

"Hollandsch koffiehuis", en waarin in een hoek op een stoeltje een

groote pop in Zeeuwsch costuum zat, gaf ons al mede een huiselijk

gevoel. De klacht, die ik in ons land eens van een boekverkooper

hoorde, dat boekverkoop eene steeds minder lucratieve positie wordt,

schijnt ook voor Zuid-Afrika te gelden. Alle boekhandelaren verkoopen

tegelijkertijd allerlei andere artikelen, die met boeken slechts in een

uiterst verwijderd verband staan. Bij de beide grootste boekverkoopers

kon ik het laatste werk van Pierre Loti "La mort du Phylae" niet

bekomen, doch wat meer zegt, men antwoordde mij in de eene zaak

glimlachend, dat Fransche boeken in Cape Town niet gelezen worden,

en in de andere, dat zij vier Fransche boekjes hadden, en of ik nu

zelf eens zien wilde, of hetgeen ik wenschte, er bij was. Er moet

echter nog een groote Hollandsche boekwinkel hier bestaan, waarin,

naar men zegt, ook Fransche boeken te verkrijgen zijn.

Nadat wij tweeën geruimen tijd in de winkelstraten hadden zoek

gebracht, gingen wij boven op een electrische tram eenige tochten naar

verschillende hoeken van de stad maken. Doch ik zal over den indruk,

dien ik daarbij van de stad kreeg, niet schrijven, alvorens ik nog

eerst meer, en onder geleide van eene aldaar bekende persoonlijkheid,

van de stad heb gezien.

Te huis gekomen, was het eerste werk wat te doen was, eene schifting te

maken in de vele uitnoodigingen die ons reeds bereikt hadden, wilden

wij althans tijd over houden om iets te doen in het belang van de

zaak, waarvoor wij de reis ondernomen hadden. Onder de vele brieven,

die ik ontving, waren er eenige van Hollanders en Afrikaanders,

die mij verzochten mij vooral niet te laten overreden op de openbare

vergaderingen in Zuid-Afrika, iets anders dan Hollandsch te spreken,

vooral wanneer tegelijkertijd ook mrs. Catt sprak. Mondeling werd

ik onmiddellijk ingewijd in de op het oogenblik op den voorgrond

dringende taalkwestie, of de Hollandsche naast de Engelsche taal

moet gehandhaafd worden, waarover vooral in de Kaapkolonie, veelal

ten voordeele van de Engelsche taal beslist wordt.

Reeds den eersten avond, op de receptie, ons door de "Women's Citizen

Club" aangeboden, waarin de Engelsche vrouwen verre de meerderheid

vormen, kon ik mijne gezindheid in dezen toonen. Door alle dames van

het bestuur, die ons eerst in een afzonderlijk vertrek ontvingen,

werd ik even apart genomen en er op attent gemaakt, om op dien eersten

avond toch vooral alleen Engelsch te spreken, want dat ik anders door

geen der aanwezigen zou worden verstaan. Ik had mij echter voorgenomen

mij niet van de wijs te laten brengen en toen ik 's avonds het woord

kreeg en in het Engelsch even mijn dank voor de ontvangst en nog eenige

lievigheden aan het adres van het bestuur en de vele aanwezigen had

gezegd, deelde ik mijne meening mede, dat nu wij in een land waren,

waar de beide talen, Engelsch en Hollandsch gesproken worden, die beide

burgerrecht bezitten, na de Engelsche speech van mrs. Catt, ook ik

mijne moedertaal moest gebruiken en vervolgde mijne toespraak in het

Hollandsch. Hoewel ik meende, dat niemand mij zou hebben verstaan,

bleek toch later, dat er tal van Engelsch-Afrikaanders waren, die

mij heel goed gevolgd hadden, doch die uit voorliefde voor Engeland,

in het dagelijksch leven ontkennen, iets van onze taal te verstaan.

Oververmoeid kwamen wij 's avonds om elf uur te huis; wij gevoelden

ons allen meer zeeziek dan wij ons ooit op de boot gevoeld hadden,

en toen ik in mijn bed lag, had ik mij zelf te overtuigen, dat ik

niet meer in mijn cabin heen en weer gleed, zoo draaide alles met

mij in de rondte. Dien eersten dag in Zuid-Afrika, waarop ons zoo'n

allerhartelijkste ontvangst was bereid, waarop ik tal van oude bekenden

de hand heb gedrukt en nog veel meer nieuwe vriendschapsbanden heb

aangeknoopt, die een heel nieuwe wereld voor ons opende en ons met

geheel andere gewoonten en gebruiken, als waaraan wij gewoon zijn,

in kennis stelde, zal zeer zeker nooit uit mijn geheugen verdwijnen.

Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen · 第 28 / 133 题