Nu ik in het land van de middernachtzon ben, moet ik toch wat meer
over die zon schrijven, dan ik tot nu toe deed. Het ergste is echter,
dat ik nog steeds geen gelegenheid had, met eigen oogen te zien, dat
de zon onder en opgaat, op hetzelfde moment. Tot dusver hebben wij 's
avonds regen of nevel gehad, of wilde het ongeluk, dat de eenige wolk,
die de strak blauwe hemel bevatte, op het kritieke oogenblik juist
voor de zon schoof. Dit neemt evenwel niet weg, dat helder daglicht,
met een vroolijk schijnende zon om middernacht een verbijsterenden
indruk maakt en de menschen met de dagverdeeling totaal in de war
brengt. Men eet niet meer en slaapt niet meer op vaste uren van dag en
nacht, maar den raad, door Baedeker gegeven, volgt men onwillekeurig,
ook zonder die gelezen te hebben. Men gaat eten of slapen, als men
er behoefte aan heeft, onverschillig welk uur de klok aanwijst.
Alleen den eersten dag verwondert men zich, als men 's avonds om elf
of twaalf uur een troepje ziet uittrekken voor een bergtoer, omdat
zij liever den warmen dag gebruiken om te slapen. Of als men op een
wandeling rondom het hotel des nachts nog allen druk aan den arbeid
vindt en men nergens neiging tot naar bed gaan bespeurt.
Voor toeristen, die toch nooit zeer lang in deze omgeving blijven,
zal zoo'n ongeregeld leven niet veel kwaad doen, op het personeel
in de verschillende hotels hier zullen echter de korte zomermaanden,
zonder nachten, zeer gewis een zeer afmattenden invloed uitoefenen.
Van Abisco vervolgden mijne trouwe metgezellin en ik onze reis
naar het meer oostelijk gelegen dorp Narvik, het eindpunt van
den Lapland-spoorwegbaan. Na ruim een uur sporen van Abisco,
bereikten wij de Riksgraenzen, daar, waar Zweden's rijk uit is,
en dat van Noorwegen begint. Die overgang bemerkt men niet alleen
door den scheidspaal, ook niet alleen doordat andere beambten den
dienst in den trein overnemen, maar is bijna onmiddellijk merkbaar
aan den overgang van 't uitzicht. Wij zijn in Noorwegen! roept men
onwillekeurig, nu Noorwegen onmiddellijk met zijn veel majestueuzer
natuurschoon forsch inzet. Die hemelhooge kale bergen, met diepe
ravijnen en breed en krachtig neerkomende watervallen kan Zweden ons
niet bieden. Hier in deze Noorweegsche streek behoeven de Lappen niet
zoo ver van de bewoonde wereld weg te schuilen; vlak langs den weg,
waarlangs de spoorweg gaat, is het koud en onherbergzaam genoeg, om
voor rendieren en Lappen een geschikt verblijf te zijn. Herhaaldelijk
zagen wij deze leelijke menschen nu op de bergruggen, waarlangs de
spoorbaan voert, maar zij waren nu niet zoo vies-vuil meer en hunne
haren beter gesoigneerd. Toen de trein eenmaal midden op den weg,
door een of andere hindernis, stilhield en eenige passagiers, door
het toewerpen van koekjes en chocolaadjes, de Lappenkinderen naar
den trein lokten, hadden wij gelegenheid de vlugheid te bewonderen,
waarmede deze, soms nog zeer jonge kinderen, van boven naar beneden
klauteren, langs den zeer steilen bergwand. Velen onzer zou het afdalen
langs zulk een weg een onmogelijkheid zijn, deze kinderen komen als
katten zoo vlug naar beneden. Zij springen, met naar weerszijden
wijd uitgestrekte beenen, meer dan zij loopen. Van daar krijgen die
beenen waarschijnlijk zoo'n raren leelijken vorm en loopen zij zoo
potsierlijk als zij zich op den gewonen, rechten weg bewegen.
Narvik is een aardig, frisch stadje, dat zeer zeker toekomst heeft. Het
is eerst in 1902 gebouwd, na den aanleg van den Lapland-spoorweg. De
haven van Narvik is het geheele jaar vrij van ijs en is daarom in
gebruik genomen om, het ijzer uit de Zweedsche mijnen van daaruit naar
de Atlantische Oceaan en verder de geheele wereld door te zenden. Bijna
huis aan huis is winkel of hotel. De 4500 inwoners van thans zullen
zich zeer zeker spoedig vertienvoudigen.
Van Narvik wilden wij met een van de vele gelegenheden de Noordkaap
om, doch daarvoor hadden wij vooraf niet de noodige inlichtingen
kunnen verkrijgen. Het eerst begaven wij ons daarom, toen wij
's avonds om tien uur aankwamen, naar een van de daar gevestigde
stoomvaart-maatschappijen om alles te vernemen wat wij moesten weten.
Wij waren nog al fortuinlijk. De eerste passagiersboot, die dit jaar
de Noordkaap om zou gaan, kwam Maandag om twaalf uur in Narvik,
en zou vandaar dienzelfden middag om twee uur vertrekken. Als nog
plaatsruimte op die boot was, konden wij medegaan. Den volgenden
morgen, des Zondags, zou ook een passagiersboot van Narvik vertrekken,
die in 24 uren een tocht maakt om de Lofoden en vroeg genoeg terug was
om nog de boot naar de Noordkaap te halen. Wij besloten onmiddellijk
met de boot, de "Salten", den tocht om de Lofoden te ondernemen,
omdat ons die door een medereiziger in den trein reeds vroeger als
de meest interessante was beschreven en het natuurschoon op de reis
om de Noordkaap niet opwoog tegen wat deze tocht te aanschouwen geeft.
In het zeer goede hotel in Narvik ontmoetten wij twee stadgenooten, die
daar de boot afwachtten, die hen vandaar naar Bergen zou voeren. Toen
zij vernamen, dat zij met ons den tocht tot Svolvaer, het station,
waar wij de Lofoden zouden aandoen, konden maken en ook daar een boot
zouden vinden, die hen in denzelfden tijd naar Bergen zou brengen,
besloten moeder en dochter ons te vergezellen.
Nu zou ik willen, dat mijn pen in staat was den indruk weder te geven,
die deze reis bij mij wekte. In een gemakkelijken rieten stoel gezeten,
nu en dan eens wandelende van het achter- naar het voordek, trok een
panorama onze oogen voorbij, dat een overweldigenden indruk maakte. Als
ik eenvoudig de met sneeuw bedekte reuzenbergen, die van alle zijden
uit de zee opstegen, noem, of schrijf over de hier en daar zóó enge
fjorden, dat men de vrees in zich voelt opkomen, dat daar het schip
nooit door kan, zonder aan beide zijden de angstig zwarte rotswanden
te raken, of als ik tracht te schrijven over de soms liefelijker
natuurtafereelen, gevormd doordat een stukje grond door de zon kon
worden beschenen en daardoor een beetje groen vertoonde, waarachter
dan direct weder de grillig gevormde, met sneeuw overdekte rotsspitsen
opsteken, dan kan ik toch nooit den overweldigenden indruk weergeven,
die dit alles bij mij verwekte.
Wij, vier Hollandsche dames, waren op het bootje wel de eenige
buitenlanders, de anderen waren allen Noren of Zweden. Wij hadden
een rechtmatige hoop bij het mooie, heldere zomerweder, waarvan wij
genoten, nu eens een goeden zons-onder- en -opgang te zullen zien. Maar
's avonds betrok de lucht plotseling weder en weldra viel de regen
in stroomen neder en noopte ons het dek te verlaten en in de kajuit
een droge plaats te zoeken. Toen het schip om half twaalf Svolvaer
binnenliep, had de regen opgehouden en konden wij de drie kwartier,
die wij daar zouden blijven liggen, gebruiken om aan land te gaan.
Svolvaer is een van de vele eilanden of schier-eilanden, want
de achterkant wordt door een ononderbroken bergrug gevormd,
die hoofdzakelijk van de vischvangst en al wat daarmede annex is,
bestaan. Ik had er graag wat langer vertoefd om eens even een kijkje
te nemen in het atelier van den in Noorwegen bekenden schilder Gunnaar
Berg, die daar geleefd en gewerkt heeft en er gestorven en begraven
is. Zijn huis en atelier, waarin vele schilderstukken van zijn hand,
zijn gemeen goed geworden en voor een ieder toegankelijk.
Wij, vier Hollanders, maakten gezamenlijk een wandeling door het
dorpje, onwederstaanbaar getrokken naar een zeker punt, vanwaar
vroolijke dansmuziek ons lokte. Weldra stonden wij in een groote zaal
waar, door een honderdtal jonge mannen en vrouwen, lustig gewalsd
werd. Voor 50 öre (vijf en dertig cent) mochten wij mede dansen,
doch daar wij alleen wilden toezien, konden wij binnengaan. Denk nu
niet dat deze jonge menschenschaar zoo hoog in het Noorden en zoo ver
van de bewoonde wereld, er op dat bal anders uitzag dan bij ons of
ergens anders op een bal in een dorp. De jonge dames waren alle in
witte of lichte japonnetjes gekleed en er werd gedanst als overal
elders. Hadden wij wat meer tijd gehad, dan had ons Amsterdamsch
studentje zeker 50 öre versnoept, zij vond het spijtig genoeg, dat
zij dat moest aanzien, zonder er aan mede te kunnen doen.
Alhoewel de regen had opgehouden, was er toch geen zon te zien. Een
dikke nevel lag tegen de bergwanden. Spoedig nadat wij Svolvaer
verlaten hadden, begaven wij ons naar onze hut om tenminste een paar
uur rustig te slapen, ten einde in staat te zijn den volgenden dag
te kunnen genieten van 't geen de natuur ons dan aan te bieden zou
hebben. De kapitein van de boot had ons zeer hoffelijk zijn hut voor
dat doel afgestaan; een zeer zindelijk bed en een tot bed ingerichte
canapée zou ongetwijfeld een uitstekende slaapkamer uitgemaakt hebben,
als alles op dit bootje niet zoo lilliputterig klein was geweest en
wij niet van dat eenpersoons kamertje met ons beiden gebruik hadden
moeten maken.
Ruim elf uur waren wij den volgenden morgen in Narvik terug. Bij onze
aankomst zagen wij reeds in de verte de groote boot "Andenaes", die met
toeristen van Bergen uit de eerste reis van dezen zomer om de Noordkaap
zou maken, binnenstoomen. Wij bleven derhalve met ons beiden op het
havenhoofd wachten en waren weldra aan boord, om met den kapitein van
"Andenaes" te spreken. Hij wilde ons medenemen, had nog vele hutten
vrij, want voor deze eerste reis was de stroom der toeristen nog niet
opgekomen. Spoedig was onze bagage aan boord gehaald en vernamen wij,
dat de boot nog twee uur in Narvik zou stoppen. Van deze uren maakten
wij gebruik om eenige inkoopen te doen, aan een bank Skandinavisch
geld op te nemen, en ons met eenige Hongaarsche vrienden, die wij er
onverwacht zagen loopen, kostelijk te amuseeren.