[1] De trotschen te beoorlogen, den ootmoedigen genadig te zijn. Vert.
[2] Het ellendige, lasten opbrengend gemeen.
[3] Ook Nederlanders, vooral uit Overijssel, vestigden zich, althans
tijdelijk, in Rusland. In 1813 stonden de Kozakken niet weinig versteld
toen zij te Almelo en Vriezenveen op zijn Russisch toegesproken en
behoorlijk op hun plaats gesteld werden. Toen voor weinige jaren de
thans overleden onderwijzer van Vriezenveen zijn veertigjarig jubilé
vierde, kwam een zijner zonen, ter bijwoning van het feest, uit Rusland
over, en bracht een album mede, waarin de portretten waren van circa
40 vroegere leerlingen, toen in Rusland als handelaars gevestigd.
De Heer Scholten te Groningen heeft een zijner fabrieken te Tarnow,
die door een Nederlander bestuurd wordt. Vert.
[4] _Wikinger_, noemden de oude Noorwegers hunne zeehelden. Vert.
[5] Dat de Vlaamsche taal van vroeger literatuurloos is, moge de
Schrijver beweren en bewijzen als hij kan. Het tegendeel te bewijzen
had meer kans van slagen. Vert.
[6] Echter zijn onder de Romeinen enkele opstanden en vervolgingen
der Joden voorgekomen.
[7] De Arianische leer of het Arianismus (ontstaan in de 4de eeuw)
ontkende de Godheid van Jezus. Vert
[8] Waar 't goed is, daar is het vaderland. Vert.
[9] Door het _Patrimonium Petri_ verstaat men het gedeelte van den
Keizerlijken Staat, waarin Orvieto, Viterbo, Toscanella, Civita
Vecchia, en Monte-Fiascone liggen, welke streek gronds door Keizer
Constantijn in de 4de eeuw aan den Bisschop van Rome zou gegeven
zijn. In de 12de eeuw kwam het eerst aan de Pausen. Vert.
[10] Het schoone Italië, door de Apennijnen doorsneden en door de
zee omzoomd. Vert.
[11] Sedert kort is dit in ons land afgeschaft, en mogen zoowel thesis
als dissertatie in het Hollandsch geschreven worden. Vert.
[12] Hafis was een der beroemdste Perzische dichters uit het begin
der 14de eeuw. Hij was geboren en ligt begraven te _Schiras_, eens
het brandpunt der Perzische wetenschap en poëzie. Vert.
[13] Het blonde Germanie heeft te vergeefs ons zijne Franken, zijne
Noormannen gezonden; ons temperament heeft niets verloren van zijne
oorspronkelijke neigingen. In weerwil van de omwentelingen en de
eeuwen zijn wij nog altijd het oude Gallië met zijne opvliegendheid
en zijn ongeduld. Vert.
[14] Bij de oude Grieken werd onder _Cothurn_ verstaan, een hooge
tooneelschoen: in het algemeen genomen moet aan dit woord de beteekenis
van _treurspel_ gegeven worden. Vert.
[15] De Schrijver bedoelt de bewoners der, in vergelijking van
Germania in zijn geheel, lage landstreeken langs de Noordzee,
van Schelde tot Elbe, destijds onder den gemeenschappelijken naam
"Friezen" samengevat. Vert.
[16] De Kymren achten zich eenigermate beleedigd, wanneer men
hen Engelschen noemt, en zeggen: "_We are not Englishmen, we are
Walishmen_."
Als een staaltje der taal van Wales, moge het volgende dienen:
Epistol Paul yr Apostol at yr Hebreaid.
Pennod I.
1. Duw, wedi iddo lefaru lawer gwaith, a llawer modd, gynt wrth
y tadau trwy y prophwydi, yn y dyddiau diweddaf hyn a lefarodd
wrthym ni yn ei Fab;
2. Yr hwn a wnaeth efe yn etifedd pob peth, trwy yr hwn hefyd y
gwnaeth efe y bydoedd;
3. Yr hwn, ac efe yn ddisgleirdeb ei ogoniant ef, ac yn wir lun
ei berson ef, ac yn eynnal pob peth trwy air ei nerth, wedi puro
ein pechodau ni trwyddo ef ei hun, a eisteddodd ar ddeheulaw y
Mawredd yn y goruwchleoedd;
4. Wedi ei wneuthur o hynny yn well nâ'r angelion o gymmaint ag
yr etifeddodd efe enw mwy rhagorol nâ hwynt-hwy.
Vert.
[17] De Denen hebben Engeland niet ten onder gebracht. Hun inval was
slechts een zondvloed, en deze zondvloed is slechts heengegleden over
de Saksische maatschappij.
[18] Bij de Franschen over Elsasz-Lotharingen. Vert.
[19] Volgens oude overleveringen (die echter door velen zeer in twijfel
getrokken worden) zou het volk der Asen uit Azië, door Saksen naar
Denemarken en zoo naar Zweden en Noorwegen getrokken zijn, onder hun
aanvoerder Odin. Vert.
[20] Jornandes, bisschop van Croton, leefde omstreeks 551. Vert.
[21] Later wordt in dit werk melding gemaakt van: "de veel bezongen
Brawalla-slag die aan de grens van het Gothen- en Zwedenland geslagen
werd." Op eene tamelijk uitvoerige oude kaart van Zweden, wordt de vrij
breede uitmonding van het Wettermeer in de Oostzee, "golf de Brawiken"
genoemd en een weinig landwaarts in ligt Braborg. Waarschijnlijk is
daaromstreeks Brawalla te zoeken. Vert.
[22] Dit werk werd door Arngrim Johnson in 1628 wedergevonden. De
_Edda_ is de algemeene titel van twee zeer van elkander te
onderscheiden oud-Noordsche werken: de _prozaïsche_ zoogenaamde
_jongere Edda_ (_Snorra Edda_), gedeeltelijk verzameld door _Snorri
Sturluson_ (1178-1241) een geleerd IJslander, en de zoogenaamde
_poëtische Edda_ of _Suemundar Edda_, die toegeschreven wordt aan
den geleerden priester _Suemundar_ (1133). Vert.
[23] Geschreven letters, die de vormen der letters voorkomende op
opschriften van gedenksteenen (lapides), trachten terug te geven,
worden lapidair-schrift genoemd. Vert.
[24] Als zeker wordt beschouwd, dat in de 10de eeuw, Noormannen van
IJsland uit, de Amerikaansche kusten ontdekt en bewoond hebben. Tot
in de 14de eeuw werden tochten naar het vasteland van Amerika
ondernomen. Vert.
[25] _Tundra_ is de Russische naam voor de groote vlakten, die in
Siberië en Westelijk van het Uralisch gebergte tot aan de Witte zee
en de Dwina, in Noordelijk Europa de Ijszee begrenzen. Vert.
[26] Verstrooide ledematen.
[27] De vertaler heeft gemeend, het door den schrijver gestelde,
woordelijk terug te moeten geven. Niettemin neemt hij de vrijheid hier
en daar in eene noot, eene naar zijne meening gegronde opmerking mede
te deelen. Vert.
[28] Had de schrijver het door Karel den Groote geliefde Nijmegen,
en de omstreken naar de zijde van Kleef bezocht; was hij van daar
naar Duitsche wijze, over Elten naar 's Heerenberg gewandeld, en den
zoogenaamden achterhoek van het Zutfensche doorgetrokken; voorts van
Zutfen den straatweg gevolgd over Arnhem naar Utrecht--ongetwijfeld
had hij zijn vonnis over het gemis aan alle natuurschoon wel gewijzigd.
Wanneer de schrijver zegt: "bijna al het vriendelijke, dat het land
nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven," dan heeft
dit voornamelijk op de mondings-gebieden van Rijn, Maas en Schelde
betrekking. De oudere, Oostelijke bodem valt gemakkelijk aan zijne
meer ongelijke oppervlakte te kennen. Op vele plaatsen treft men op
het oudere diluvium het nieuwe alluvium, waaronder ook alle veenlagen
behooren, aan; de schacht van dit alluvium heeft eene dikte van 150
tot 300 voet. Alleen in enkele gedeelten van Overijsel, Gelderland
en Limburg wordt de tertiaire vorming aangetroffen.
De kusten van Holland liggen gemiddeld 2 voet boven de oppervlakte
der zee; bij Katwijk, waar de zee 1/2 voet, bij Oosten-wind 3
voet beneden de oppervlakte van het land ligt, stijgt de vloed bij
sommige winden tot 6 voet boven de oppervlakte van het land, zoodat
het gemakkelijk te begrijpen is, hoe Nederland en de Noordzee-kusten
vroeger eene andere gedaante zouden hebben dan tegenwoordig. Men wil,
dat van af het begin der 6de eeuw tot 1825, Nederland door 190 groote
overstroomingen geteisterd is. Ook wordt door sommigen beweerd, dat
de Nederlandsche bodem zakt; het eiland Walcheren b.v. zou in 2000
jaren van 28-30 voet gezakt zijn. Als bewijs voor de bewering, dat de
bodem van ons land zakkende is (men begroot deze verzakking op 1 voet
per eeuw), neemt men, dat de _Arx brittanica_, die men in 1752 in de
zee, in de nabijheid van Katwijk nog opmerkte, nu niet meer gezien
wordt. Dijken en duinen (door zandverstuivingen langs onze kusten
ontstaan) beschermen ons vaderland tegen de zee. De duinen hebben
eene gemiddelde hoogte van 17 à 18 meter; enkelen echter zijn hooger,
eene enkele bereikt zelfs een hoogte van 60 meter. Vert.
[29] Land en water mogen voor zeer vele eeuwen in sommige gedeelten
van het land slechts _schets_ geweest zijn, zelfs de Zuiderzee, de
Biesbosch en de Dollard van land in water zijn veranderd--gedurende
de laatste eeuwen is menige vrij uitgestrekte vlakte aan het water
ontwoekerd en in vruchtbaar land herschapen, en daarmede wordt nog
steeds voortgegaan, zoodat land en water thans behoorlijk gescheiden
zijn. Vert.
[30] Aan Nederland te verwijten, dat zijn hemel niet zoo helder was
als in Italië, is niet billijk. Thans is hier te lande de hemel wel
niet altijd even helder, maar een zoo zware mist als dikwijls in het
zuiden van Engeland heerscht, is hier eene zeldzaamheid, vooral in
onze Oostelijke grenzen, die niet aan zee liggen. Vert.
[31] Wouden wijken overal voor eene beschaafde bevolking. Dat in
oude voortijden, hier te lande houtgewas veelvuldig was, blijkt uit
het vele hout dat in den ondergrond der veenen wordt gevonden. Op
de Veluwe bestaan nog uitgestrekte bosschen van opgaand geboomte. De
heuvelrij, die van Arnhem tot tegenover Zwolle zich uitstrekt, draagt
den naam van _Woldberg_. Ook bij den Haag, Haarlem, Alkmaar en elders
zijn nog overblijfselen van overoude wouden.
Edelgesteenten of goud en zilver mochten de naburen te vergeefs uit den
bodem van Nederland wachten, maar de Duitschers halen thans ijzererts
bij scheepsladingen uit Overijsel, en ook steenkolen uit Limburg. Vert.
[32] Over het ontstaan van het aangeslijkte land en de aanslijking,
vergelijke men Dr. R. Westerhoff, de _Kwelder-Kwestie_ bl. 53 en
verder. Groningen 1844. Vert.
[33] Tijdens de Romeinen droeg ons vaderland den naam van _Germania
inferior_ (Neder-Duitschland), in tegenstelling met de hoogere,
bergachtige streken, die _Germania superior_ (Opper-Duitschland)
genoemd werden. Vert.
[34] Sommigen zijn van oordeel, dat de Friezen uit Klein-Azië, en wel
uit Troje afstammen. Zij gronden hunne bewering op sagen. Een dier
sagen vermeldt, dat de Friezen onder zekeren Marcomir uit Phrygië
of Troje (433 v. Chr.) herwaarts zouden gekomen zijn. Eene andere
sage wil, dat de Petroklers (een stam in Klein-Azië) na den dood
van Alexander den Groote, op schepen verhuisd en op de Saksische
en Pruissische kusten geland zijn. Friso zou deelgenoot van dezen
tocht geweest zijn, hij zou de kusten van de Elve tot aan het Vlie in
bezit genomen hebben. Nog eene andere sage doet de drie gebroeders
Saxo, Bruno en Friso, 313 j.v. Chr., na lang omzwerven uit Indië,
op de kusten der Noordzee landen; zij onderwierpen zich de inwoners,
verdeelden het land, en aan Friso viel Friesland ten deel, dus genaamd
naar een landschap in Indië, Fresia genaamd.
Volgens "Der Friezen herkomst," naar het boek van Adela (Thet Oera
Linda Bok, zie hierachter pag 472 noot) is Friso uit Indië gekomen en
wel met de vloot van Nearchus, maar is hij geen Indiër, maar behoort
tot Frya's volk. Hij behoorde namenlijk tot eene kolonie Friezen, die
na den dood van Nyhellênia, 15 1/2 eeuw v. Chr., onder aanvoering eener
priesteres Geert, zich aan den Pangab neergezet hebben en den naam
Geertmannen aannamen. Onder dien naam worden ze bij Strabo vermeld.
Aangaande de Batavieren vermeldt Tacitus: "dat de in dapperheid al
de door hem reeds vermelde Rijnbewoners overtreffende Batavieren,
voornamelijk het Rijneiland, maar toch ook een deel van zijnen oever
of den uitersten zoom van Gallië bewoonden; dat zij vroeger geheel
over den Rijn hadden gewoond en een deel der Katten hadden uitgemaakt,
maar bij een opstand onder dit volk waren verdreven, en zich in die
nieuwe woonstreken, die toen nog onbevolkt waren, hadden neergezet,
waar zij een deel van het Romeinsche gebied uitmaakten. Vert.
[35] De overeenkomst van het boeren-Friesch met het Engelsch schijnt
aan te duiden, dat de Friezen Angel-Saksers waren, dus uit de streken
van Wezer en Elbe; terwijl het vestigen van de Batavieren aan den
Rijn, en de meening dat zij op vlotten waren gekomen, doet vermoeden,
dat zij uit de Rijn-streken afkomstig waren. Vert.
[36] De Friezen brachten aan de Romeinen huiden en hoorns op; de
Batavieren daarentegen niets, maar deze versterkten de Romeinsche
legers met hunne ruiterij, die de beste onder de Germanen genoemd
werd. Gedurende vier eeuwen treffen wij Batavieren bij de Romeinsche
legers aan. Nadat de Batavieren uit de geschiedenis verdwenen waren,
zijn de Friezen als een vrij volk blijven bestaan. Men mag aannemen
dat het oude Bataafsche element in het Friesche is opgenomen Vert.
[37] De Romeinen verbeterden den moerassigen grond, wierpen dijken
op, vervaardigden wegen en groeven kanalen. Drusus deed de gracht
(Drusus-gracht) graven, die den middelsten arm van den Rijn met den
IJssel verbindt, en maakte een begin met het, later door Corbulo
voltooide kanaal, dat bovengenoemden arm van den Rijn met den
Zuidelijken Rijnmond verbindt.
Sommige schrijvers, o.a. Dr. Acker Strating in zijn _aloude staat
en geschiedenis des Vaderlands_, beweren dat noch de Romeinen de
eersten zouden geweest zijn, die in ons land dijken aangelegd hebben,
noch Drusus de Drusnsgracht heeft laten graven. Deze laatste bewering
grondt de schrijver op eene plaats in Tacitus, waarin uitdrukkelijk
gezegd wordt, "dat P. Pompejus (tusschen het jaar 50 en 60) voltooid
heeft den dijk, voor 63 jaar door Drusus begonnen, ter beteugeling
van den Rijn." Ten bewijze, dat die dijk niet langs den oever van
den Midden-Rijn kan gelegen hebben, maar ter plaatse, waar de Waal
zich van den Rijn scheidt, en blijkbaar met het doel is aangelegd, om
den stroom alleen langs de Waal of den Gallischen Rijnarm te keeren,
strekt de geheele samenhang, waarin de vermelding van den dijk met
het overige verhaal aldaar (bij Tacitus) voorkomt. De daar vermelde
vernieling toch had plaats bij Vetera Castra, toen Civilis naar het
eiland der Batavieren terug week. Zoo weinig belang nu de Romeinen
er bij hadden, om het eiland der Batavieren te beveiligen tegen
het Rijnwater, zoo belangrijk was het voor hen, om zulks te doen
ten aanzien van Gallië of hun Rijk. Hier langs stroomde de Waal,
en door deze rivier af te dammen van den Rijn, werd zij belet de
oevers van den Rijn te overstroomen. Dezen dam vernielde Civilis,
die daardoor weer aan den Rijn vrijen loop door de Waal gaf en zoo de
Romeinen belette hem te volgen, daar hij, zooals Tacitus er bij voegt,
wist dat de Romeinen geen schepen hadden, om eene brug te maken, en
dat zij de rivier niet op eene andere wijze konden oversteken. Door
het doorsteken van den Rijndijk zou Civilis zijn toevluchtsoord
(het eiland der Batavieren) onder water gezet hebben, maar door het
doorsteken van den Waaldam stelde hij zich daarmede in verbinding,
immers de Rijn liep nu nagenoeg geheel droog, en de Waal nam het
weggeloopen water op. (_Acker Stratingh: Aloude staat en geschiedenis
des vaderlands_ Dl. 1 bladz. 48).
Ten bewijze verder, dat Civilis en zijne Batavieren even goed dammen
wisten aan te leggen als de Romeinen, verwijst Dr. A. S. ons
weder naar Tacitus Hist. V. 14 en C. 18 waaruit blijkt, dat
Civilis vóór het gevecht van Castra Vetera, een dwarsdam door den
Rijn legde, om de naburige oeverstreken onder water te zetten
(Dr. A. S. Dl. 1 bladz. 50). Wat meer is, zegt Dr. A. S. "bij
denzelfden geschiedschrijver (Tacitus Hist. V. 23) vindt men eene
stellige bewijsplaats, dat het eiland der Batavieren in dien tijd
niet bedijkt was. Meldende namelijk, dat Civilis eindelijk ook uit het
eiland der Batavieren moest wijken en Cerealis dit eiland toen innam
en plunderde, voegt Tacitus er bij, hoe intusschen met het invallen
van den herfst en ten gevolge van hevige regenbuien, de Rijn het
moerassige en lage eiland overstroomde en als in een poel herschiep,
waardoor de Romeinen in geene geringe ongelegenheid geraakten, daar
hunne legerplaatsen op het vlakke veld met den geweldigen stroom
weggerukt werden en zij vloot noch leeftocht hadden, zoodat de
Romeinsche legioenen toen gemakkelijk door de Germanen hadden kunnen
vernield worden." Ook de door velen voor van Romeinschen oorsprong
gehoudene, op verscheidene plaatsen in en aan de Zuiderzee ontdekte
muren of steenen wegen, die ook wel voor dijken gehouden worden,
beweert Dr. A.S. dat die niet aan de Romeinen moeten toegeschreven
worden, (meergemeld werk van Dr. A. S. blad. 55). Vert.
[38] Wanneer men België in twee deelen scheidt, door eene lijn
getrokken van Menin naar Tongeren, dan mag men de Noordelijke helft
beschouwen als bewoond door de Vlamingen (bijna 2 1/2 millioen
zielen), terwijl de Walen (bijna 2 millioen zielen) de Zuidelijke
helft tot woonplaats hebben. Het Vlaamsche deel der bevolking tracht
de Vlaamsche letterkunde hoe langer zoo meer te ontwikkelen en zoo
doende zijne taal te verheffen. Het Waalsch mag als niet veel meer,
dan een bedorven Fransch beschouwd worden. Vert.
[39] Dit geschiedde in 1548. De Nederlanden moesten wel aan de
rijkslasten deelnemen maar waren overigens aan de macht en de
rechtspleging van het Duitsche rijk onttrokken. Vert.
[40] Karel V werd in het jaar 1500 te Gent geboren. Vert.
[41] Hoe telt de Schrijver die 150 jaren? Van 1543 tot 1579 is
slechts 36 en telt men tot 1648 dan is het nog weinig meer dan 100
jaren. Mogelijk rekent hij van 1648 tot 1795. Vert.
[42] In het jaar 1476. Vert.
[43] Tegen het einde van de 12e eeuw schijnt men met de steenkool
in België bekend geworden te zijn. Volgens sommigen zouden de
steenkolenbeddingen het eerst in de nabijheid van Luik op den Mont
Public, in het jaar 1198, door een smid van Plenivaux, _Houilleux_
genaamd, ontdekt zijn, waardoor de Fransche benaming van _houille_
zou zijn ontstaan.
In het midden der 14e eeuw was het mijnwezen in België reeds zoo
aanzienlijk, dat een groot gedeelte van het Luiksche leger uit
kolenmijnwerkers bestond. Vert.
[44] Ofschoon Engeland het vaderland is der levensverzekeringen,
zoo mag men toch Nederland beschouwen, als het land, waar de
eerste degelijke grond voor de theorie der levensverzekeringen werd
gelegd. Huyghens behoorde tot de eersten, die eene studie maakten
van de kans-rekening, die er de basis van is. Vert.
[45] Zoo b.v. was Orlando Lasso, eigenlijk Roland Delattre genaamd,
in 1520 te Bergen in Henegouwen geboren, naast Palestrina de grootste
componist der 16de eeuw. Zijne tijdgenooten geven hem den eernaam van
"Vorst der toonkunst." Ook zijne zonen Ferdinand en Rudolf (gestorven
in 1609 en in 1625) en zijn kleinzoon Ferdinand (gestorven 1636)
waren componisten. Vert.
[46] De geschilderde glazen in de St. Jans-kerk te Gouda, vervaardigd
door de gebroeders Crabeth, zijn alom beroemd. Vert.
[47] Sommigen willen, dat het aangeslijkte land in Sleeswijk
en Holstein, reeds vóór de 10de eeuw door Friezen, uit ons land
afkomstig, zou bedijkt zijn; de Oosterkade aan den Wezer zou zulks
in 1020, het Alte-land in 1106 eveneens door de Friezen gedaan
zijn. Vergelijk: _A. von Wersebe, über die Niederl. Coloniën, welche
im Nörd Deutschlande im 12ten Jahrh: gestiftet worden_. Vert.
[48] "Misschien" zegt de Schrijver, hij schijnt dus zijn zegsman niet
ten volle te vertrouwen; inderdaad, verkeerde hij thans genoegzamen
tijd in onderscheiden streken van België, dan zou hij "gewis" de te
scherpe kanten aanmerkelijk afronden. Vert.
[49] Sedert het einde der 16de eeuw had het Vlaamsch opgehouden eene
schrijftaal te zijn; wel kwam zij onder Maria Theresia weder in eere,
maar de Fransche overheersching deed haar geheel voor het Fransch
plaats maken. Na de vereeniging van België met Nederland, brak er
een tijdperk van herleving voor de Vlaamsche taal aan, maar na de
omwenteling van 1830 werd het ten tweede male geheel door het Fransch
verdrongen. Na het eindigen der staatkundige verwikkelingen door
genoemden opstand in het leven geroepen, werd door den dichter Willems
de Vlaamsche beweging van voor 1830 weder in het leven geroepen,
de regeering begon meer en meer de wenschen der Vlaamsche bevolking
in te willigen. Van het _Vlaamsen gezelschap_ en het _Nederduitsch
taalverbond_, te Gent, ging de oproeping uit tot een taalcongres,
dat aldaar, in vereeniging met de letterkundigen van Noord-Nederland
zou gehouden worden; dit taal-congres, dat sedert in verschillende
plaatsen bijeenkwam, is van grooten invloed geweest op de ontwikkeling
der Nederduitsche taal in de Vlaamsch sprekende gewesten. Niet alleen
de Vlaamsche taal maar ook de Vlaamsche letterkunde is in de laatste
35 jaren herleefd, en heeft tegenwoordig in hare verschillende takken
uitstekende beoefenaars. Vert.
[50] De oude schrijvers beschrijven onze voorouders als menschen
van eene rijzige, kloeke gestalte, sterk gespierd en welgebouwd van
lichaam, met een krijgshaftig voorkomen en open gelaat, met een voor
de beschaafde Romeinen wat woest uitzicht, blauwe oogen en blond of
rosachtig sluik haar, dat langs de breede schouders golfde of hing,
als het niet opgebonden of afgesneden was; de huidkleur was, voor
zooverre zij niet door de zon verkleurd was, blank.
Zij kenmerkten zich door eene onbegrensde liefde voor vrijheid
en onafhankelijkheid, door bewonderenswaardigen moed. Tacitus
prijst de trouw waarmede hij zijn Vorst in den krijg aanhing en
verdedigde: jegens vrienden en vreemden was hem zijn eens gegeven
woord heilig; verder was volgens Tacitus geen volk gastvrijer dan
onze voorouders; boven alle andere volken der oude wereld muntten
zij uit door kuischheid en reinen zin en door hunne groote achting
voor het vrouwelijk geslacht. Men vergenoegde zich met ééne vrouw,
veelwijverij had slechts bij aanzienlijken en onder zekere voorwaarden
en omstandigheden plaats. Ondeugden onzer voorouders daarentegen waren
hunne drink- speel- en roofzucht. In het drinken waren zij zoo onmatig,
dat, zegt Tacitus, "wilde men hunne neiging tot drinken bot vieren, hun
geven zooveel zij verlangen, dan zouden zij gemakkelijker door hunne
eigen uitspattingen dan door onze wapenen te overwinnen zijn." Vert.
[51] De Schrijver bedoelt hier blijkbaar den 80 jarigen oorlog van
1568 tot 1648. Vert.
[52] René Des Cartes, meer bekend als Renatus Cartesius, werd
in 1596 te Lahaije (Touraine) geboren. Men noemt hem den vader
van het _individualisme_. Na eerst onder Prins Maurits, daarna
onder Tilly gediend te hebben, zette hij zich in ons vaderland
neder. Hij begon in zijn wijsgeerig denken, met wat hij tot dien
tijd wist in twijfel te trekken. In zijn oog staat alleen vast:
"ik denk, dus besta ik." Hieruit leidt hij af, dat alles waar is,
wat duidelijk en klaar geacht wordt. De vruchten van zijn onderzoek
heeft hij nedergeschreven in zijn _Meditationes de prima philosophia_
en _Principia philosophiae_. Des Cartes heeft de wiskundige wetenschap
ten zeerste aan zich verplicht door zijne analytische meetkunde, door
zijne ontdekking der ware beteekenis van de negatieve wortels in de
vergelijkingen, door zijne nieuwe oplossing der vergelijkingen van
den vierden graad; hij was het, die het eerst de exponenten invoerde,
en die leerde hoe men tangenten en normaallijnen op ieder punt eener
kromme lijn trekken kan en men de natuur en de eigenschappen van
iedere kromme lijn door eene vergelijking tusschen twee veranderlijke
coördinaten kan uitdrukken.
Descartes stierf in 1650 te Stokholm. Vert.
[53] De verrekijkers en spiegeltelescopen en thermometers werden
uitgevonden door Corneles Drebbel, geboren te Alkmaar omstreeks 1572,
die van den microscoop wordt toegeschreven door sommigen aan Zacharias
Jansen van Middelburg (1590) door anderen aan een Napolitaan Francesco
Fontana (1545). Vert.
[54] De Nederlandsche schilderschool dateert van het begin der
15de eeuw. De miniaturen, waarmede men de handschriften van dien
tijd versierde, getuigen genoeg van de hoogte, toen reeds door de
schilderkunst bereikt. Op de miniatuur-schilderingen volgde sedert
het begin der 15de eeuw de Vlaamsche school, met Huibert en Jan van
Eyck aan het hoofd. In het midden der 16de eeuw openbaarde zich eene
voorliefde voor de Italiaansche school die men dikwijls trachtte met
de Vlaamsche school te verbinden. Omstreeks het midden der 17de eeuw,
splitste zich het historie-schilderen in twee richtingen, waarvan
de eene van de Spaansche Nederlanden (Brabant) uitging, terwijl de
andere in Holland ontstond. De eerste richting, die tot hoofdzetel
Antwerpen had, boogt en terecht op haren grooten meester P. P. Rubens
(1577-1640). Het krachtigste penseel der tweede richting (waarin
zich het protestantisme en de vrijheidszin afspiegelde, die na de
scheiding van de Spaansche Nederlanden zich in Holland zoo duidelijk
openbaarden) was Rembrand van Rijn (1606-1664). Naast deze twee
richtingen der Nederlandsch-historische school, was nog eene derde,
die zich aan de Italiaansche nationalisten aansloot.
In de 17de eeuw kwamen ook alle andere takken der schilderkunst tot
ontwikkeling en bloei, het portret-schilderen, het genre-schilderen
van bambocciaden, het schilderen van tooneelen ontleend aan het
soldatenleven, den deftigen stand enz. Ook het landschapschilderen werd
met gelukkig gevolg beoefend, zoomede het schilderen van voorwerpen
tot de dierenwereld behoorende. De Hollandsche schilderschool blonk
verder in de 17de eeuw uit door hare bloem- en vruchtenschilders,
en door het schilderen van zee-, water- en strandgezichten.
De 18de eeuw was voor de kunst, die eene zoo groote hoogte bereikt had,
eene eeuw van verval. Een enkele bloem- of vruchtenschilder treft
men in die eeuw aan, maar wat zij overigens opleverde was niets
dan navolging. In onze eeuw echter herleeft de schilderschool en
heeft zich de tegenwoordig nationale school krachtig ontwikkeld, en
zoowel op historieschilders als op kunstenaars die zich met uitstekend
gevolg op de andere takken dezer kunst toelegden, kan ons vaderland
tegenwoordig weder trotsch zijn. Vert.
[55] De naam "van Veen" als groot schilder is min bekend; mogelijk
is hier bedoeld "van de Velde" beroemd als zeeschilder. Vert.
[56] Wij deelen deze bewering van den Schrijver niet. Nederland
bezit eene zeer rijke literatuur, maar men moet er eerder de
verstandelijke ontwikkeling van een vrij en energiek volk in zoeken,
dan meesterstukken, zooals Griekenland en Rome ons aanbieden. Iets
karakteristiek in de Nederlandsche literatuur is: de eerbied voor
de voorouders, de liefde voor de nationaliteit waartoe zij behoort,
de zucht tot onafhankelijkheid, de groote mate van vaderlandsliefde,
die er in doorstralen. Weinige volken hebben hunne vaderlandsche
geschiedenis op zoo degelijke wijze beschreven gezien, als zulks
bij ons het geval is. Voor het overige heeft Nederland dichters
en proza-schrijvers van den eersten rang voortgebracht, zooals uit
volgend kort overzicht der geschiedenis onzer literatuur moge blijken.
Onze taal heeft zich langzamerhand gevormd uit de samensmelting van
verschillende Germaansche tongvallen. De oud-Nederlandsche taal, zooals
wij die in de _Karolingische Psalmen_ aantreffen, is het meest aan het
oud-Saksisch verwant, b.v. aan dat wat men aantreft in den _Heliand_
(een Angel-Saksisch gedicht uit de 9de eeuw, dat in allitereerende
verzen de geschiedenis van Christus naar de Evangeliën verhaalt);
het tegenwoordig vrij algemeen als echt erkende "Oera Linda Bok",
in het afgeloopen jaar door den heer Kuipers te Leeuwarden door
den druk verspreid, welke uitgave tevens eene vertaling in onze
tegenwoordige taal bevat is, na Homerus en Hesiodus, het oudste
voortbrengsel der Europeesche letterkunde. Het eerste gedeelte is
opgesteld in de 6de eeuw voor onze jaartelling, het tweede in het
midden der 1ste eeuw. v. Chr. Het is dus aanmerkelijk ouder dan het
oudste tot nu toe bekende gedenkstuk der Nederlandsche taal, eene
Keure der stad Brussel van 1229. De afscheiding van het Nederlandsch
als afzonderlijke tongval, begint omstreeks 1000 n. Chr. In de 13de
eeuw komen onze eerste klassieke dichters, waaronder vooral Jacob
v. Maerlant. Deze heeft, door de zuiverheid en regelmatigheid zijner
spelling, grooten invloed op de vorming der taal uitgeoefend. Onder
het Bourgondische stamhuis kwijnde ten gevolge van den Franschen
invloed, het Midden-Nederlandsch. Met het verzet tegen de Spaansche
overheersching, kwam in het noordelijk gedeelte des rijks, het
Nieuw-Nederlandsch of het Hollandsch tot stand. Door Coornhert
(1552-1590) en Marnix, heer van St. Aldegonde (1538-1598) werd
het tot eene schrijftaal ontwikkeld. Hooft (1581-1647) en Vondel
(1587-1679), veredelden, de eerste het proza, de tweede de poëzie. In
het einde der 17de eeuw geraakte de letterkunde in verval, waaruit
zij zich eerst tegen het einde der 18de eeuw weder oprichtte. Als
grondslag voor de wetenschappelijke studie der Nederlandsche taal,
noemt men het _woordenboek van Kilianus_. Zooals gezegd is, was het
tijdvak van 1700--1800, niet gunstig voor verdere ontwikkeling; wel
brachten een _ten Kate_ en een _Huydecoper_ veel bij tot de kennis
en de wetenschappelijke en wijsgeerige behandeling der taal, maar
daarentegen vormden zich verscheidene letterkundige genootschappen,
die door overdreven zuivering, veelal verderfelijk werkten op de
kernachtigheid en sierlijkheid. In het laatste gedeelte dier eeuw
begon Bilderdijk zijne taalkundige onderzoekingen, terwijl het bestuur
der Bataafsche republiek aandrong op een bepaald stelsel voor het
onderwijs in de scholen en voor staatsstukken. Aan den hoogleeraar
Siegenbeek en eenige andere taalkenners werd de vervaardiging eener
spraakleer opgedragen, ten gevolge waarvan in 1805 van staatswege de
_Neder-Duitsche spraakkunst_ van Siegenbeek werd aangenomen, en dus
eene eenparige spelling was vastgesteld. Bilderdijk trad op als hevig
tegenstander en grondig bestrijder van de werken van Siegenbeek en
Weiland. Jonckbloet en M. de Vries staan sedert eenigen tijd bij ons
aan het hoofd der nieuwe school van Nederl. taalstudie. De taalregels
door laatstgenoemden, in vereeniging met te Winkel, voorgesteld
en blootgelegd in het op groote schaal aangelegde _Woordenboek
der Nederlandsche taal_, ofschoon lang niet door alle taalkenners
onvoorwaardelijk goed gekeurd, winnen in onze dagen hoe langer zoo
meer veld.
De geschiedenis der Nederlandsche taal, kan men verdeelen in 4
tijdperken. Het eerste tijdperk loopt van 1200-1600: het tweede bevat
de 17de eeuw; het derde loopt van 1700-1795 en het vierde van 1795
tot op onzen tijd.
De oudste onzer klassieke schrijvers is Jakob v. Maerlandt
(1235--1300). De voornaamste van hem bekende dichtwerken (meest
vertalingen uit het Latijn) zijn: de _rijmbijbel_, de _Bestiaris_ of
_der naturen-bloeme_. Een oorspronkelijk gedicht van hem is: _verkeerde
Martijn_. Verder behooren in het 1ste tijdperk te huis: _Melis Stoke,
Jan van Heelu, Gheraert van Lienhout_. In de romantische letterkunde
hebben wij oudere voortbrengselen dan de hierboven genoemde, zoo
b.v. behoort het 1ste gedeelte van _Reinaart de Vos_ tot de 12de
eeuw. Uit de 13de eeuw bezitten wij: _de cyklus der Karolingische
romans, de cyklus van de romans van Koning Arthur en de ridders van
de tafelronde_ enz.
Als klassieke schrijvers in de 14de eeuw noemen wij Lodewijk
v. Velthem, Jan Boendale.
Tot de 15de en 16de eeuw, behooren Erasmus, Agricola, Hanna Byns,
Coornhert, Marnix van St. Aldegonde, Roemer Visscher, Spieghel.
Als dichters hebben zich in de 17de eeuw naam gemaakt: Hooft, Maria
Tesselschade Visscher, Huygens, Cats, Hugo de Groot, Camphuyzen,
v. Heemskerk, Gijsbert Japiks, Jeremias de Decker, Joost van den
Vondel. Ook op proza-schrijvers mag deze eeuw boogen, als zoodanige
noemen wij: Hooft, Brandt, v. Heemskerk, Hugo de Groot.
Dichters in het 3de tijdperk (1700-1795) waren Rotgans, Poot,
Langendijk, Hoogvliet, Smits, Willem en Onno Zwier v. Haren, v. Winter
en Lucretia van Merken, v. Alphen, Bellamy, Nieuwland, terwijl in dit
tijdperk zich naam als prozaschrijvers verwierven, v. Loon, Wagenaar,
Stijl, Justus v. Effen, Elisabeth Wolf, Agatha Deken, Fokke Simons,
Lambert ten Cate, Balthasar Huijdecooper.
Ook het vierde tijdperk is niet arm aan dichters of prozaschrijvers,
getuige dichters als Rhynvis Feith, Bilderdijk, Helmers, Kinker,
v. Hall, Spandaw, Tollens, da Costa, Borger, Staring, v. Lennep,
Beets, Bogaers, ter Haar, de Genestet, ten Kate, de Bull, de
kinderdichters Gouverneur en Heye; terwijl prozaschrijvers als
v.d. Palm, Borger, Bilderdijk, Bosscha, Loosjes, v. Lennep, Oltmans,
Mevr. Bosboom-Toussaint, Beets, Hazebroek, Kneppelhout, en anderen,
den roem der vaderlandsche letterkunde waardig hebben opgehouden. Vert.
[57] Vreemd is het, dat hier niet gedacht is aan Vondel, wiens
"Lucifer," naar men beweert, aanleiding heeft gegeven aan Milton,
tot diens wereldberoemd "Paradise lost." Vert.
[58] Menig voorbeeld uit de geschiedenis van ons land geput, zou deze
bewering van den schrijver geheel logenstraffen. Vert.
[59] "Gemakkelijkheid" is den Nederlander op verre na niet zoo in
den mond bestorven als den Engelschen hun "comfort, comfortable." Het
schijnt, dat hier vroegere zeden en gewoonten geschetst zijn. Bejaarde
lieden wenschen zeer, dat het met hartelijkheid en huiselijkheid nog
zoo ware als in hunne jeugd, en toen en zelfs vroeger klaagde men,
dat pracht en kostbare vermaken, de oude eenvoudige gezelligheid
hadden verdrongen. Vert.
[60] Wenschelijk ware het dat zulks algemeen kon gezegd worden, maar
veeleer tracht elke stand, tot de laagste toe, er naar, in woning,
huisraad, kleeding, zich groot voor te doen en de hoogeren op zijde
of zelfs voorbij te streven. De moraal van Lafontaine's fabel "de os
en de kikvorsch," is ook in Nederland van toepassing. Vert.
[61] In 1315 Vert.
[62] In 1386, 1388 en 1443. Vert.
[63] 1477. Vert.
[64] Beide eerstgenoemde kantons 1501, Schaffhausen in 1513. Vert.
[65] Tengevolge der ontevredenheid, die zich na de Fransche omwenteling
van 1830 in sommige kantons openbaarde, werd voorgesteld in het
bondsverdrag veranderingen te maken. Op den tot dat einde, in dat jaar
gehouden buitengewonen landdag, riepen 8 kantons hunne afgevaardigden
terug, welke handeling door binnenlandsche onlusten (waarin zich ook
de godsdienst mengde) gevolgd werd. In het jaar 1843 vereenigden zich
de Katholieke kantons Lucern, Uri, Schwijz, Unterwalden, Zug, Freiburg
en Wallis tot een of- en defensief verbond (_Sonderbund_). In 1844
werd tegen dezen Sonderbund door den landdag een leger saamgebracht,
binnen kort was de rust hersteld, en in 1848, werd de nu nog van
kracht zijnde staatsregeling tot stand gebracht. Vert.
[66] Albrecht von Haller in 1708 te Bern geboren, was een
beroemd ontleedkundige, physioloog, plantenkenner, geneesheer en
dichter. Zijn kleinzoon Karel Ludwig von Haller, in 1768 te Bern
geboren, heeft zich beroemd gemaakt door zijn werk: _Restauration
der Staatswissenschaft_. Vert.
[67] De eigenlijke naam van Lorenz Okens, geboren in 1799 te Bohlsbach
(Zwaben), was Ockenfusz. Hij was hoogleeraar in de natuurkundige
wetenschappen te Jena, en heeft zich vooral bekend gemaakt door zijn
doel, een algemeen natuursysteem tot stand te brengen, dat alle rijken
der natuur en hare grondstoffen zou omvatten. Vert.
[68] Engadin is het grootste dal van het kanton Graubunderland. Vert.
[69] De Brenner is de spits der Rhaetische Alpen in Tyrol. Vert.
[70] Dit beweren der Duitschers stemmen wij Nederlanders niet als
bewezen toe. Vert.
[71] Dithmarschen is de naam van het meest Westelijke der zes
landschappen van het Hertogdom Holstein. Het is gelegen tusschen de
Elbe, de Noordzee en Westmarschen. Vert.
[72] Wat met dezen bijnaam bedoeld wordt, is mij niet
duidelijk. Mogelijk zijn zij wat onbehouwen, en zetten bij het gaan
de voeten wat ver van elkander, zoodat zij bij het loopen, over de
sneeuw b.v. een breed spoor maken. Vert.
[73] De geestelijke orde der Zwaardbroeders werd omstreeks 1200 door
bisschop Albert, ter verspreiding van het Christendom in het Noorden,
gesticht. In 1237 vereenigde zij zich met de orde der Duitsche
ridders. Vert.
[74] Door de _Hercynii Montes_, verstaat men de geheele uitgestrekte
bergketen, welke bij het Zwarte-woud, aan den Rijn, begint, zich
door het Thüringer-woud, den Fichtelberg, het Boheemsche woud en de
Karpathen tot door Hongarije uitstrekt. Vert.
[75] De Spanjaarden hadden, sedert hunne vereeniging tot één rijk,
niet veel reden zich op hunne Koningen te beroemen. De krachtige
verdediging tegen de Franschen in het eerste vierde dezer eeuw,
deden de Spanjaarden in veler achting rijzen, ofschoon hunne daartoe
gebezigde middelen deden ijzen. Te bejammeren is het, dat sedert
dien tijd de nietige Vorsten en Vorstinnen niet in staat waren de
partijtwisten te bedwingen en de ruime hulpmiddelen tot bloei te
doen benuttigen. De verdrijving van Isabella beloofde eene schooner
toekomst, die zich, helaas! tot heden nog niet verwezenlijkt, daar--wel
verre van eendrachtig, met den zoo welwillenden Koning Amadeus, samen
te werken tot nationale verheffingopstanden en burgeroorlog schatten
goed en bloed verspillen, de natie in welvaren doen zinken en in de
schatting van Europa doen dalen.
Dat onder zulke omstandigheden de Portugeezen, thans minder dan ooit,
genegen zouden zijn zich met de Spanjaarden te verbroederen, behoeft
geen betoog. Vert.