TARTAREN, MONGOLEN, ENZ.

Er bestaan tamelijk gegronde redenen om te vermoeden, dat eens niet

alleen de Kaspische zee en het meer Aral eene zamenhangende watermassa

vormden, maar dat die groote binnenzee zich ook ten noorden van

den Kaukasus uitbreidde en zich met de zee van Azof en de Zwarte

zee vereenigde, terwijl zij in het westen de vruchtbare streek van

Oostelijk Europa, en in het noorden den zuidelijken voet van het

Uralisch gebergte bespoelde. In het oosten reikte die binnenzee

tot aan den aanvang van het centraal-Aziatisch hooggebergte. Had

deze voor-historische binnenzee een duurzaam bestaan gehad, dan

zou ons werelddeel, door eene bijna onoverkomelijke natuurlijke

grens, van de Aziatische binnenlanden gescheiden zijn geweest. De

ons onbekende natuur-veranderingen, tengevolge waarvan de Zwarte

zee, die van Azof, de Kaspische en de Arabische zee zich in

afzonderlijke bassins oplosten, en zich binnen de tegenwoordige

engere grenzen terugtrokken, hebben veroorzaakt dat sedert dien tijd,

het Zuid-Oosten van Europa zich meermalen nauw verbonden heeft met

Azië. De bergvolken konden zich nu droogvoets van den Kaukasus verder

westwaarts begeven. Vooral echter is daardoor eene groote breede

opening, tusschen het noordelijk uiteinde der Kaspische zee en den

zuidelijken voet van den Ural ontstaan, en deze is van oudsher eene

der merkwaardigste volken-poorten voor Europa geweest. De Kaspische zee

liet, toen zij het noordelijk gedeelte van haren diep ingezonken bodem

ontblootte, een uitgestrekt en woest land na, welks grondgesteldheid

nog heden ten dage aantoont, dat het vroeger met water bedekt geweest

is. Het is een uitgestrekte, boomlooze, zoutachtige steppengrond,

die met zand, kiezel, mosselschelpen en ontelbare zoutkorrels, de

overblijfselen der vroeger hier woedende baren, bedekt is. En deze

onhuisselijke steppen-natuur loopt in zuidelijke richting voort tot

aan de vlakten van Perzië, oostelijk tot aan het begin van den hoogen

bergmuur van den Bolortagh, waarvan twee groote rivieren afstroomen,

die de beroemde vruchtbare oasen van het oude Baktrië besproeien.

In het Noord-Oosten breidt zich deze onverkwikkelijke grondgesteldheid,

zonder bepaalde grenzen naar Siberië uit, en in het Noorden eindigt

zij aan den zuidvoet van het met bosschen begroeide Ural-gebergte. In

het westen dringt zij tusschen den Ural en de Kaspische zee, door

het gebied der beneden Wolga, Europa binnen, waar deze woeste

vlakte een vruchtbaar land ontmoet, dat ten minste iets boven de

oude zee-oppervlakte verheven is. Dat geheele groote bassin, in

welks midden het meer Aral gelegen is, en waarin de Kaspische zee

zich van den Kaukasus af rondkronkelt, is een der eigenaardigste

diepten van den aardbodem. Het ligt met al zijne meeren en rivieren,

nu nog merkelijk lager dan de Zwarte- en Middellandsche zee. Alexander

von Humboldt en andere geleerden hebben daarom over een "afgrond"

van de Kaspische zee gesproken, en spraken over de geheele woeste

streek, die ons Europa als op sleeptouw medegegeven is, als over een

kolossalen, wijdgeopenden "krater". Vroeger noemde men het naar de

beide hoofdwateren, die ook nu nog zijne diepste plaatsen bedekken,

ook wel het "Aralo-Kaspische bassin", of ook wel de "lage vlakten

van Turan", naar een oud Perzisch woord, dat zooveel beteekent als

"het land der duisternis", in tegenstelling met Perzië of Iran zelf,

dat beteekent "het land des lichts".

Uit den "afgrond" der Kaspische zee, komen op bepaalde tijden van

het jaar verschillende soorten van visschen te voorschijn: geheele

scharen zalmen, steuren en andere groote waterbewoners, begeven zich

stroomopwaarts door de groote kanalen der Wolga, tot diep in het Westen

en het Noorden van Oost-Europa, waar zij zich over de neventakken van

dat gebied verdeelen. Even zoo trekken uit die zuidelijke, laaggelegene

landen, voortdurend geheele scharen land- en watervogels naar het

Westen en het Noorden. Zij komen uit den omtrek der Kaspische zee en

van het meer Aral, passeeren de bovengenoemde landen-poort tusschen

deze zee en den Ural, en verspreiden zich in de lente over Rusland,

vanwaar zij tegen den herfst weder naar de streken vanwaar zij kwamen,

terugkeeren. Ook de verwoestende zwermen vliegende sprinkhanen,

die met andere, minder te vreezen soorten van sprinkhanen daar hun

vaderland hebben, vliegen, overal verderf aanbrengende, dikwijls en

in groote zwermen door die poort uit Azië Europa binnen.

Met één woord, een groot gedeelte, der levende natuur schijnt

hier zich uit het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen en Westen te

bewegen. Even als met de dieren, zoo ging het ook van oudsher met

de menschen. Met uitzondering van enkele vruchtbare rivier-gebieden

en oase-achtige vruchtbare streken in het Oosten en het Zuiden, die

reeds in oude tijden de zetels waren der ontwikkeling van volken,

die daar hunne bestendige woonplaatsen hadden, en waarin de steden

Taschkent, Samarkand, Buchara, Chiwa en hare oude voorgangsters

bloeiden, was het geheel bewoond door steeds heen- en weer trekkende

Nomaden. Reeds in de oudste tijden, tijdens Cyrus, worden ons als

zoodanig de "Massageten" genoemd, en later nog ontelbare andere

stammen, die langs hunne zuidelijke grens in onophoudelijken strijd

met de meer ontwikkelde bevolking van Iran of Perzië leefden. Aan

gene zijde der hooge bergen in het Oosten, meer naar het binnenste

van Azië toe, zijn nog andere dorre bassins, die gelijk zijn aan het

Aralo-Kaspische bassin, en die ook, even als deze, van de vroegste

tijden af door Nomaden bewoond werden: de woestijn "Gobi", die van

"Schamo" of de door de Chineezen zoo genoemde "zandzeeën".

Dikwijls reden de Nomaden dezer Oostelijke "zand-zeeën," door de passen

der bergen, naar het westelijk bassin aan de Kaspische zee, en brachten

zoodoende aan de bewoners daarvan nieuwen toevoer van bevolking en

nieuwe meesters. Dikwijls begaven zich omgekeerd de Westelijke Nomaden

naar hunne naburen in het Oosten. Maar nog menigvuldiger vereenigden

zij zich, en trokken zij door de Uralisch-Kaspische volken-poort, even

als die vogels waarvan wij gewaagden, Europa binnen, en verspreidden

zij zich daar, om even als de zwermen vliegende sprinkhanen, overal

verwoesting aan te brengen.

Men zou haast zeggen, dat de menschen op dien van water beroofden

zeebodem, den onrustigen aard dier eens hier klotsende zilte baren

aangenomen hebben. Als de zee, zoo woedt en stormt hun geest hier

eeuwen lang, en slechts nu en dan, in tijden van rust en vrede,

komt zij tot kalmte, even als zulks ook bij de zee het geval is.

Sedert het begin der geschiedenis, waren dergelijke overstroomingen

en doorbraken hier aan de orde van den dag. Maar wanneer wij de

geschiedenis der eeuwen nagaan, zien wij die overstroomingen nu en

dan in omvang tonemen, de baren hooger rijzen en, als een tweede

zondvloed, de beschaafde landen overstroomen en de geheele wereld van

China tot Rome op hare grondvesten doen schudden, als zouden, waar

het menschengeslacht niet verdelgd werd, ten minste al de bloesems

der beschaving van den aardbol weggevaagd worden.

Ten gevolge van dergelijke gewelddadige bewegingen, is China herhaalde

malen, van het eene einde tot het andere, in handen gevallen der uit

het binnenland van Azië komende Nomaden-stammen, maar heeft het zich

door zijne onweerstaanbare vastheid van karakter en zijn staatsbestuur,

steeds weder er boven op weten te werken, en door omwerking der vreemde

bestanddeelen die waren blijven hangen, steeds zijne eigendommelijkheid

weten te bewaren.

Eveneens hebben ook de andere beschaafde schiereilanden van Azië,

Indië, Perzië en Klein-Azië, herhaalde malen nieuwe bevolking en

overheerschers van die zwervende Nomaden-stammen ontvangen; zijn

gedurende lange tijd-ruimten in hunne innerlijke ontwikkeling gestoord

geworden, en hebben niet dan na veel strijds, hunne onafhankelijkheid

en de hun eigene ontwikkeling, even als China, weder kunnen herstellen.

Ons Europa, dat zelfs door onze natuurvorschers soms niet eens als

een op zich zelf staand werelddeel, maar meer als een groot aanhangsel

van Azië, als een der Aziatische schiereilanden ("zooals Bretagne een

aanhangsel van Frankrijk is," zegt Humboldt) beschouwd is geworden;

dit Europa schijnt ook door die Nomaden-stammen van oudsher als een

gedeelte van Azië aangezien te zijn, en zij zijn het even dikwijls in-

en uitgetrokken, als de schiereilanden China en Indië, als maakte

het mede een gedeelte uit van hun moederland en van het gebied,

waarop zij meenden recht van grazen te hebben.

Gewoonlijk golden die invallen wel alleen de oostelijke gedeelten van

ons werelddeel, en meer in het bijzonder de volken der uitgebreide

vlakten van Rusland, die den Nomaden als bijzonder geschikt

moeten voorgekomen zijn. Slechts tweemaal zijn zij, bij wijze van

uitzondering, zoo diep ons vasteland binnengetrokken, dat het scheen

als wilden zij daar, even als in Azië, alles mongoliseeren. Eenmaal

in het begin der 5de eeuw onzer tijdrekening, toen tengevolge van een

aan de Chineesche grenzen uitgebroken strijd onder de herdersvolken,

Rome met vernietiging bedreigd werd; toen Atilla, de geesel Gods,

de volkeren tot in Frankrijk en Italië, in beroering bracht en hen,

als een stormwind de wolken, voor zich heendreef, en ze als een hoop

kaf tot naar Spanje en Afrika deed overwaaien. En een tweede maal in

het begin der 13de eeuw, toen Dschingis-Chan en zijne bloeddorstige

opvolgers door alle langs den Donau en de Wolga gelegene landen

heentogen, en tot aan de grenzen van Duitschland de akkervelden onder

de hoeven hunner paarden vertrapten. Beide malen hebben Duitsche

krachtsontwikkeling ons werelddeel voor eene dreigende mongoliseering

gevrijwaard. De eerste maal deden zulks de West-Gothen onder Setius

op de vlakten van Châlons, en de tweedemaal de Duitsche ridders onder

Hendrik den Vrome van Silezië, op het slagveld aan den voet der Sudeten

bij Wahlstatt, waar nog heden ten dage jaarlijks, de den barbaren

geleverde, en voor de bevolking zoo merkwaardige slag, herdacht wordt.

Daar deze beide invallen der Aziaten, die bijna een duizendtal jaren

na elkander plaats hadden, voor Europa de meest belangrijke geweest

zijn, zoo zijn ook de namen, waaronder de Nomaden in beide tijdstippen

verschenen, het meest verspreid geworden.

De ruiters van Attilla werden _Hunnen_ genoemd. Dezen naam hebben zij

van de Chineesche grenzen medegebracht. Geschiedschrijvers van het

Hemelsche rijk noemden hen "Hungnu" of "Hiongnu," en daar zij onder

dezen naam de schrik van het door hen geteisterde Romeinsche rijk en

van de door hen in rep en roer gebrachte Germanen werden, zoo heeft

men langen tijd na dien, alle uit Azië komende en gelijke zeden met

hen hebbende barbaren, onder den naam van Hunnen-volken zamengevat,

even als in vroegere tijden de Grieken dezelfde wilde volksstammen

onder den algemeenen naam "Skythen" aanduidden.

Hetzelfde deed men ook weder bij den tweeden grooten inval der Nomaden

onder Dschingis-Chan. Toen ter tijde was in Azië de naam "Tata" of

"Tatar" beroemd onder hen geworden. "Tata" was oorspronkelijk de

naam van een kleinen nomaden-stam, die zich echter met den roem en

de macht van dien stam meer en meer verspreidde. Het eerst kwam bij

de Chineezen, en later ook bij de Perzen en Arabieren, die naam in

gebruik, en eindelijk kwam hij, toen de Nomaden zoowel het Russische

Kiew, als de Poolsche koninklijke residentie Krakau bestormden, en

toen het heesche geschreeuw hunner kameelen zelfs aan den Oder vernomen

werd, ook in Europa in zwang. Hier voegde men bij den naam, die zuiver

Aziatisch "Tata" luidt, maar die de Europeanen in klank en beteekenis

aan den Tartarus herinnerde, nog eene "r." "Wees getroost," had Koning

Lodewijk IX van Frankrijk tot zijne moeder Blanche gezegd, toen deze

hem uit naam der door de Aziatische horden geteisterde christenheid

om bijstand smeekte--"wees getroost! want de hemelsche genade zal

in allen gevalle met ons zijn, hetzij dat wij deze kwaaddoeners

in den helschen afgrond van den Tartarus, waaruit zij voortkwamen,

terugslingeren, hetzij dat zij zelf ons vernietigen en ons naar het

paradijs zenden zullen." Sedert dien tijd werden zij Tartaren genoemd

en paste men ook dien naam toe op de volkeren, die met Dschingis-Chan

kwamen, hoe verschillend zij ook in taal en afkomst mochten zijn,

en ook nog wordt wel in onze dagen, die naam op de gezamentlijke

Nomaden-volken van Midden-Azië toegepast, op dezelfde wijze als de

Oosterlingen alle Europeanen, tot welk volk zij ook mogen behooren,

"Franken" noemen. Later zag men in, dat er onder die Nomaden twee zeer

van elkander verschillende groote geslachten bestonden, met geheel van

elkander afwijkende talen en gelaats-uitdrukking: een meer westelijk

ras, dat den naam, "Turken" verkreeg, en eene meer oostelijke groep,

die den naam "Mongolen" droeg. Deze laatste naam bracht Dschingis-Chan

zelf in zwang, aanvankelijk als een eeretitel voor de élite zijner

dappere strijdmakkers. "Ik wil", zeide hij, "dat dit mijn met een

edel kristal te vergelijken volk, dat mij bij ieder gevaar zoo trouw

was, 'Mongol' d.i. de trotsche of de onverschrokkene, heet, en het

verhevenste zij, van alles wat zich op Aarde beweegt." Weldra beroemde

zich ieder der Oostelijke Tartaren op dezen eeretitel, die door den

nieuwen geesel Gods in eere gebracht was. "Mongolen en Mongolei"

werden de namen van wijd verbreide volken en rijken, en ten slotte

heeft men met dien naam een der vijf hoofdrassen van het menschelijk

geslacht aangeduid.

Als men den gang dezer groote volken-bewegingen en de machtige

rijken, die nog meer in grootte toenamen dan vroeger het Romeinsche

rijk, en den oorsprong der talrijke beroemde landen-veroveraars en

volken-vernietigers, die uit den Aziatischen Tartarus opdoemden,

nagaat, dan komt men, even als bij de reuzenstroomen der Aarde,

die verscheidene landschappen doorstroomen, gewoonlijk tot eene,

in een afgelegene streek verborgen bron, en tot eene zeer geringe

aanleiding van de groote beweging.

In de rookerige tent van een Tartaarsch edelman, midden op de dorre

vlakte, wordt een knaapje geboren, dat als duizend andere, door

zijne moeder naar landsgebruik voor het eenvoudige herdersleven wordt

opgeleid. Vader en moeder sterven en de jongeling erft de kudde; eenige

knechten en vazallen zijner famillie worden tegen hem weerspannig. Hij

brengt hen weder tot gehoorzaamheid, treedt zegevierend uit den met

de vuist beslisten strijd te voorschijn, en hierdoor ontwaakt in

den opgewonden en zegedronken jongen paardenherder, een heldengeest

die naar grootere daden snakt. Hij vindt in zijne nabijheid nog meer

strijdvragen over weide-recht en kudden-gebied te beslechten.--Hij

vereffent ze,--verzamelt om zich de uitgelezensten van zijn volk,

die beginnen met hem in hunne liederen te bezingen. Spoedig brengen

de hoofden der herderstammen van nabij en van verre hunne zaken voor

hem. Hij verklaart zich voor de eene partij, verklaart de tegenpartij

voor oproerlingen en vernietigt hen, zoo zij weerstand bieden, te vuur

en te zwaard. Vrijwillig en uit vrees onderwerpen zich vervolgens

vele andere hoofden van stammen aan den herdersknaap, "Temudschin"

genaamd, die oorspronkelijk als een lam opgroeide, maar wiens stem

weldra als het gebrul van den leeuw over de velden klinkt.--"Het volk

staat op, de storm breekt los," en de op de grassteppen levendig

geworden hartstochten en de opgewekte begeerten, zetten nu, alle

grenzen overschrijdende, den aardbodem in lichte laaie vlam.

Uit de rotskloof bruischt de bergvloed

Woedend, dondrend, naar benêen,

Met zich voerend in zijn stortvloed

Eikenboomen, brokken steen.

Temudschin beweegt zich weldra als een jonge adelaar in steeds grootere

en grootere kringen. Hij neemt zijn vlucht naar de Chineesche grenzen,

doortrekt met zijne "Tartarus-zonen" de prachtigste dalen, plundert

met hen de rijkste steden, voert hen naar onbekende rivieren, laat

hen onder indrukmakende plechtigheden van het water dier stroomen

drinken, laat hen zweren dat zij, zooals hij zich sierlijk uitdrukt,

"het onaangename zoowel als het aangename van dit leven met hem willen

deelen." Een heilig kluizenaar, een zoon der woestijn, treedt nader

en verkondigt in eene groote, "Kuraltaï" (een Mongoolsche rijksdag)

aan het verzamelde volk, dat de Goden aan dezen Temudschin al het land

dat langs de rivier ligt gegeven hebben, en dat hij van nu af "Chakan"

(Vorst der Vorsten) of Dschingis-Chan (groote Chan) heeten zal.

Weldra drinkt nu deze Dschingis-Chan parelenden wijn uit de schedels

zijner vijanden, de Koningen van Azië, die hij als gedenkteekenen

van zijnen toorn en zijne strafoefening, in zilver en goud gevat,

met zich medevoert. "Ik wil mijn stijgbeugel niet verlaten," zoo

zweert hij, terwijl hij weder te paard stijgt, "voor ik geheel Azië

als een kleine molensteen rond kan draaien."--Hij onderwerpt de halve

wereld. Oude, door wapenmacht beroemde, door kunsten en wetenschappen

en eene wijze staatsregeling uitmuntende rijken, worden medegesleurd

door den dwarrelwind die aan gindsche dompige tent zijn ontstaan te

danken heeft, en naar men later berekend heeft, dalen zes millioen

menschen daardoor, afgemaaid als het gras, ten grave.

Gelijkluidende met dit verhaal, maar met menige variatie, zijn ook

de tradities van de wijze waarop de andere Nomaden-bewegingen, die

in de wereldgeschiedenis staan opgeteekend, ontstaan. Maar even snel

als de door hen gestichte rijken in macht aangroeiden, even spoedig

spatten zij weder uiteen. Even als de bergstroomen, zijn zij spoedig

in uitgebreidheid en kracht toegenomen, hebben een tijd lang gedreigd

en alles in rep en roer gebracht, en zijn als sneeuw-lawines weder

verdwenen. Attila en Dschingis-Chan hebben geene opvolgers gehad. Bij

hen is niet zulk eene opvolging van machtige mannen geweest, zooals

de lange lijst der Romeinsche Keizers of der Chineesche Hemels-zonen

ze ons doet lezen. De groote Herder-Keizers staan als een eenzamen

Kolossus in de woestijn. Als bruischende golven stuwen de opgewonden

volken tot aan zijn kruin tegen hem op, maar weldra is het: "zoo

gewonnen, zoo geronnen" aan hen bewaarheid. Zij richtten geene gebouwen

op, bij gemis van het duurzame fundament van onwrikbare grondstellingen

en diep ingewortelde gewoonten. Hunne geschiedenis biedt geene stof

aan, waaruit een Tacitus of een Gibbon een werk kan samenstellen,

dat geschikt is het verstand te boeien. Daadzaken zijn wel is waar in

massa voorhanden, maar zij kunnen niet gegroepeerd worden, er bestaat

geen zamenhang tusschen. Er vindt geen organischen wasdom plaats,

evenmin als een afsterven naar de wetten der natuur. Hoogstens een

steppen-dichter bezingt hen in een wild lied. Alleen in de meer

beschaafde landen, waarin zij zulke oude grondstellingen bij hunne

verschijning vonden, en waar zij deze langzamerhand tot de hunne

maakten, duurde de heerschappij hunner opvolgers langer.

Op de steppen van hun vaderland brak, nadat het alles overschaduwend

genie, de groote komeet met den langs het halve hemelgewelf loopenden

staart verdwenen, en nadat b.v. Dschingis-Chan onder een eenzamen boom,

midden op een naakte steppe, zonder eenig gedenkteeken of monument

begraven was, onder de tegenstrijdige elementen weder tweedracht

uit. Reeds onder de eerste opvolgers ontstond bij de horden en in

het rijk tweespalt, en de oude chaotische toestanden ontstonden weder.

Alle zooveel overeenkomst met elkander hebbende Oostersche

volksstammen, door den loop der eeuwen heen en in volgorde na te

gaan, en den lezer alle stammen, die onder verschillende namen

verschijnende en weder verdwijnende, door de Kaspische-Uralische

volken-poort Europa binnendrongen, ieder op zich zelf te beschrijven,

kan mijn doel niet zijn. Voor ons, die hoofdzakelijk ons oog

gericht hebben op hetgeen nu nog in Europa bestaat, zal daardoor

weinig gewonnen worden; want schier geen dezer ontelbare invallen

doet zijne gevolgen nu nog gevoelen. Alleen de laatste inval onder

Dschingis-Chan maakt daarop eene uitzondering. Door dezen heeft de

bevolking van Oostelijk-Europa eene blijvende, nog heden ten dage

niet geringe vermenging met Tartaarsche bestanddeelen ondergaan,

daar na het verval van het groote rijk van Dschingis-Chan, zijne

Europeesche bezittingen nog eeuwenlang onder bijzondere Tartaarsche

machthebbers bleven. Ten tijde zijner grootste uitgebreidheid omvatte

dit Europeesche Tartaren-rijk, of het door hem zoogenoemde "Chanaat

van Kiptschak", de grootste helft van het tegenwoordige Rusland, van

de Kaspische zee langs de Wolga tot aan Nischnei-Nowgorod en Moskou,

en westwaarts tot aan den Dniepr, aan de grenzen van Litthauen en

Polen. Het was een stuk nagenoeg vier à vijf malen zoo groot als

Duitschland. Het werd ook wel het rijk der gouden horde genoemd,

omdat de vorstelijke tent der Chans, die zich in de hoofdlegerplaats

"Saraï" aan de beneden-Wolga bij het tegenwoordige Astrachan bevond,

met van gouddraad vervaardigde sieradiën bedekt en overtrokken was.

De heerschappij der Tartaren had deze uitgebreidheid gedurende

ongeveer 200 jaren, van het jaar 1224, toen de Russen in den slag bij

de Kalka geslagen werden, tot aan het einde der zestiende eeuw, toen de

Russen het hoofd weder opstaken en de eerste groote overwinning over de

Tartaren, op de Kulikowsche velden langs den Don, onder Dimitri Donskoi

(in het jaar 1380) bevochten. Niet dat gedurende die lange tijdruimte,

het geheele zuid-oostelijke gedeelte van Europa, binnen de aangegeven

grenzen gelegen, geheel door Tartaren bevolkt geweest is. Zijne

zuiver Tartaansche bevolking bepaalde zich tot de zuid-oostelijkste

en oostelijkste gedeelten, maar wat dit rijk aan Finsche en Slavische

bewoners bevatte, was aan de Tartaren onderworpen en vermengde zich

dikwijls met hen. Tartaarsche adellijken en ambtenaren, die onder

anderen de schattingen inden, doortrokken het land in alle richtingen

en woonden ook onder de onderworpene volken; Europeesche (Slavische)

Vorsten moesten naar de gezegde gouden legerplaats aan de Wolga

reizen, om daar voor den de zweep zwaaienden Chan als vazallen den

rug te buigen.

Als hulptroepen vinden wij de Tartaren ook dikwijls onder de Polen en

Lithauers, met wie zij dikwijls tegen de Russen verbonden waren, en

met wie zij zich ook gedeeltelijk als kolonisten en naburen vermengd

hebben. Ook kregen gedurende dien tijd de Europeesche Tartaren nog

somwijlen weder toevoer uit het groote Tartarije in Azië.

Het laatste Tartaarsche en Mongoolsche leger van eenige beteekenis,

dat door de Kaspisch-Uralische volken-poort binnentrok, was dat van

den "hinkenden man met den ijzeren voet", Tamerlan of Timurlenk,

die zich van een smid en roover, die aanvankelijk niets bezat dan

een mager paard en een oud kameel, tot Heer van Azië opwerkte.

Intusschen kwam deze Tamerlan het hem arm en koud toeschijnend

Europa niet ver binnen. Hij stelde zich tevreden met de Tartaren van

Kiptschak, die zich tegen hem verzet hadden, te vernederen; rukte

slechts een klein eind langs de Wolga op en keerde spoedig naar Azië

terug, waar hij, de plunderaar van het rijke Indië en Perzië, in

zijn hoofdstad Samarkand, midden in den Kaspisch-Uralischen afgrond

gelegen, veel grootere schatten verzameld had, dan Rusland en Europa

hem aanbieden konden.

Die tocht van Tamerlan naar Europa heeft eerder gediend om de macht

der Tartaren in ons werelddeel te breken dan te versterken, want de

Europeesche of Kiptschaker Tartaren werden toen bij duizenden geslacht,

en na Timurs aftocht en eenige jaren daarna gevolgden dood, loste zich

het groote rijk der gouden horden in verscheidene kleinere chanaten

op, in de vorstendommen Kasan, Astrakan en de Krim.

Deze kleine Tartaarsche rijken, ofschoon onder elkander in strijd

levende, gaven den Russen nog wel een eeuw lang de handen vol

werk. Hunne wilde ruiterscharen beangstigden Moskou en andere Russische

steden nog dikwijls. Maar eindelijk, na eene reeks bloedige gevechten

in den zomer van het jaar 1552, viel de Tartaarsche koningsstad Kasan

aan de Wolga in handen der Christenen. En slechts twee jaren na den

val van Kasan, in het jaar 1554, voer voor de eerste maal een Russisch

leger de geheele Wolga af, en overwon, terwijl het Astrakan veroverde,

de Tartaarsche landen tot aan de monding der rivier, tot aan de oevers

van de Kaspische zee. Daardoor was de levensader in het oosten van

ons werelddeel, voor Rusland en voor de Europeanen gewonnen.

Het Tartaarsche Chanaat van de Krim bestond nog bijna 200 jaren langer

dan Kasan en Astrakan. En van dit schiereiland uit, werd dan ook nog

eens in het jaar 1571 de stad Moskou door ruiterscharen overvallen,

ingenomen en verbrand. Dit was de laatste maal dat de Russische

hoofdstad van de Nomadische volken te lijden had.

Van nu af breidde Rusland zijne Kozakken-liniën, zijne

verdedigingswerken en militaire-grenzen steeds verder tegen de Aziaten

uit, en beperkten deze hen in een steeds enger gebied. Volgens het plan

van Peter den Groote werd eindelijk in het jaar 1738 de Uralische

linie, juist dwars door de reeds meermalen vermelde volkenpoort

tusschen Azië en Europa getrokken, en de stad Orenburg in het midden

dier opening, als wachter van Europa en hare beschaving gebouwd. Het

ontstaan en de opkomst dezer stad en vesting, waarmede dat onzalige gat

gestopt werd, kenmerkt de grondvesting der Europeesche heerschappij

aan die poort, wier sleutel nu Rusland in handen kreeg. Van daar

uit had ons werelddeel--voor de eerste maal in de geschiedenis--eene

sterke grens tegen de Nomaden van Azië. Sedert dien tijd heeft geen

nieuwe verwoestende inval van Aziatische herdersstammen in Europa

plaats gegrepen; de groote duizendjarige Nomaden-verhuizingen uit

het Oosten hielden op; de kleine geïsoleerde rest in de Krim, die

geen toevoer en hulp meer van daar ontving, werd spoedig, kort na

het midden der 18de eeuw, onschadelijk gemaakt en aan de Russische

heerschappij onderworpen.

Verscheidene der, op de hier boven beschrevene wijze in Europa

binnengedrongene Tartaren, werden, tengevolge der Russische

veroveringen, tot het Christendom bekeerd, vele hunner Vorsten

werden zelfs gedurende den loop der gebeurtenissen gedoopt en

deze gingen langzamerhand in de Russische nationaliteit onder. Het

meerendeel echter behield hunnen Mohamedaanschen godsdienst, hunne

taal en zeden, en verloor slechts hun ouden oorlogzuchtigen geest

en hunne onafhankelijkheid. Als landstreken, waarin zij nog de meer

of minder overwegende, nu echter dikwijls met de Russen vermengde,

grondbevolking uitmaken, mogen wij noemen: 1º. de landstreek aan

den linker Wolga-oever, tusschen de Wolga en het Ural-gebergte en

2º. de dalen en steppen in de Krim, die ook wel eens Klein Tartarije

genoemd worden.

Volgens de berichten van Baron von Herberstein en andere vroegere

reizigers schijnt het, dat vroeger (voor ongeveer 300 jaren) het

leelijke Mongoolsche type in de lichamelijke ontwikkeling, bij de

hoogere klassen dezer Kasansche, Astrakansche en Krimsche Tartaren,

nog tamelijk sterk te voorschijn trad. Toen waren nog velen hunner

Mursas (edellieden) en hunner Chans van Mongoolsch bloed. Al hunne

Vorsten zeiden van Dschingis-Chan af te stammen. Dit Oost-Aziatische

of Mongoolsche element heeft zich echter langzamerhand vermengd en

is verloren gegaan. Latere reizigers schilderen die Tartaren af,

als veel meer van de Mongolen verschillende, en nu maken zij een zeer

fraai gevormd Turksch-Tartaarsch slag van menschen uit.

Men zal deze verandering, deze versterking der Europeesche Mongolen

gemakkelijk begrijpen, als men bedenkt, dat bij den geheelen

zoogenaamden Mongolen-inval, de stoot van de Mongolen uitging. Reeds

bij die legers, waarmede Dschingis-Chan, Batu en Tamerlan, Europa

binnen vielen, vormden wellicht van den beginne af de Turksche of

Westelijke Tartaren het meerendeel. Van Mongoolsch of Oost-Tartaarsch

ras waren alleen de Prinsen, de legeraanvoerders, de elite der

troepen. Daar de oorspronkelijke woonplaatsen der Mongolen ver van

ons werelddeel verwijderd zijn, het van oudsher door Turksche stammen

bevolkte Turan, echter zeer nabij dat Aralo-Kaspische laagland gelegen

was, zoo moesten de nieuwe manschappen, rekruten en kolonisten,

die bestendig toestroomden, steeds meer van Turksch-Tartaarsche

afkomst zijn.

Even als het Mongoolsche bloed, zoo is ook (grootendeels ten minste)

de nomadische geest bij deze aan Rusland onderworpene Tartaren

verloren gegaan. In de middelpunten van het leven aan de Wolga, in

Kasan, Astrakan, Simbirsk, die zij gemeenschappelijk met de zich daar

ook gevestigd hebbende Russen bewonen, houden zij zich nu onledig

met allerlei in steden te huis behoorende handwerken, vooral zijn

zij zeer beroemde leder-bewerkers. Maar ook, zelfs in de kleinste

Tartaarsche dorpen, mangelt het niet aan de noodige handwerkslieden,

smeden, timmerlieden, looiers. Hunne vlijtige vrouwen spinnen wol,

hennep en vlas; ook worden de Tartaarsche boeren, waar zij land

verwierven, als zeer zorgvuldige landbouwers geroemd. Boven alles

is echter de bijenteelt hunne liefhebberij. Overal treft men onder

hen bekwame en gegoede immekers aan. Het zou wel niet geheel juist

zijn, te gelooven dat de Tartaren al deze kunsten des vredes eerst

tijdens hunne onderwerping aan Rusland zich eigen gemaakt hebben. Ons

Europeanen hebben deze volken vroeger, om zoo te zeggen, zich van

hun ruwen kant doen zien. Maar in den rug hunner ruiterscharen,

die onze steden in puin en asch hulden, oefenden ook altijd weder

nakomende kooplieden en handwerkslieden hun bedrijf uit. De Russen

veranderden daaraan niets, dan dat zij de ruiters en boogschutters

der Tartaren de oorlogsfakkel uit de handen namen, en het ook bij

hen wonende vreedzame element naar boven werkten.

Daar de Tartaren na hunne onderwerping, als met de overigen

gelijkstaande onderdanen, in het Russische rijk zijn opgenomen;

daar zij, even als de Russen zelven in alle deelen van dat groote

rijk konden handelen en wandelen, zoo vindt men dan ook nu schier

in alle groote Russische steden, in Moskou, Petersburg, Nowgorod,

kleine koloniën van hen, welke in die Christelijke plaatsen hunne

Mohamedaansche bedehuizen bezitten. Als dienstbaren worden zij

tot verschillende betrekkingen gebezigd, en vooral worden die

oude paarden-vrienden dikwijls door het rijk als voerlieden bij

goederen-transporten gebezigd, terwijl zij zeer gezochte koetsiers

en stalmeesters zijn. Zelfs op het vlakke land, binnen in Rusland,

midden tusschen eene geheel Slavische bevolking, vindt men kleine

door Tartaren bewoonde distrikten, die geheel op zich zelve ten oosten

van Moskou verspreid zijn. Vermoedelijk zijn het de nakomelingen van

Tartaarsche krijgsgevangenen, die de Czaren hier en daar onder hunne

bevolking, zich met der woon deden vestigen.

Eene tamelijk groote bevolkings-groep van Tartaarschen naam bevindt

zich, zooals reeds gezegd is, nog heden ten dage in de Krim. Daar

bewonen zij vooral de schoone dalen van de kleine bergstreek, die

de zuidelijke helft van het Taurische schiereiland vormt en met den

schoonen, door de Russen zoo hoog geprezen zoogenaamden "zuid-oever",

in de Zwarte Zee eindigt. Daar hebben de Tartaren aan alle hellingen

der bergen hunne kleine dorpen met platte daken, en hunne kleine,

vlijtig bezochte moskeën en minarets, waarin zij met ijver hunne

gebeden verrichten en de dikwijls moeielijke plichten van hunnen

godsdienst vervullen. Daar kweeken zij in hunne tuinen de edelste

fruiten, die tot zelfs naar Moskou en Petersburg verzonden worden,

vreedzaam als onze Alpenbewoners, langs de hooggelegen weiden

van den "Tschatirdag" en de andere hooge toppen van het Taurisch

gebergte. Daar staat ook nog, door tuinen en grachten omgeven,

in de schilderachtige hoofdstad Baktschisarai, het oude paleis, het

zoogenaamde "rooversnest", der eens door de Russen zoo gevreesde Chans,

uit het Mongoolsche geslacht van Dschingis-Chan.

Het is merkwaardig, hoezeer het geheele doen en laten der Krimsche

Tartaren in deze kleine plaatsen overeenkomt, met wat men in

Constantinopel en in de steden der Osmanen in Klein-Azië en

Europa ziet. De bouw der huizen, de winkels, de werkplaatsen der

ambachtslieden, de kleeding, de wijze van omgang, de zeden en de

uitdrukking van het gelaat, alles is precies als in Turkije. En toch

zijn deze Tartaarsche Turken ten noorden van de Zwarte Zee, tengevolge

van andere gebeurtenissen, langs een geheel anderen weg en in een

geheel anderen tijd, in hunne tegenwoordige woonplaatsen aangekomen,

dan zij, die ten zuiden dier zee wonen; ook hebben zij bijna nooit met

dezen tot een zelfde rijk behoord, en hebben zij in verbinding met de

Mongolen geheel andere politieke lotgevallen gehad. Zij hebben met de

Osmanen niets dan de oorspronkelijke afstamming gemeen, die hen eens

voor vele eeuwen in de steppen van Turan zamen verbond. Maar juist

dat is iets eigenaardigs bij de Aziatische volkeren, dat zij in ras

en zeden onveranderlijk als rotsen schijnen, terwijl hunne politieke

scheppingen als zand en stofwolken vervliegen.

Bijna alle Turk-Tartaren, binnen de grenzen van Europeesch Rusland,

zijn nu nijvere dorp- of stadbewoners. Van de naar een hunner

aanvoerders zoogenaamde Nagaïsche horde, zijn alleen nog eenige

bewegelijke en ongedurige overblijfselen op de steppen in het noorden

van den Kaukasus en de Krim.

Wat de bloedverwanten der Turk-Tartaren, de echte Mongolen betreft,

ook deze worden in zekere mate nog in Europa aangetroffen, waar een

hunner stammen, eene afdeeling der Kalmucken of "Kalimik", d.i. de

afvalligen, zich nog ophoudt. Deze Europeesche Mongolen die zich zelven

"Oeloeth" noemen, mogen intusschen eigentlijk niet beschouwd worden

als achtergeblevene overblijfselen van vroegere Mongoolsche invallen,

veeleer zijn zij nog van nieuweren datum. Eerst in het begin der 18de

eeuw, ten tijde van Peter den Groote, kwamen zij in ons werelddeel,

en wel, niet meer bezield met plannen om de Aarde te verwoesten,

maar als bescherming zoekende vluchtelingen. Het schijnt dat telken

male, wanneer de groote beschaafde rijken aan hunne grenzen in

kracht toenamen en om zich heen grepen, oproer, angst en beweging

bij de Aziatische Nomaden ontstonden. De horden vluchtten dan niet

zelden, om de met de beschaving komende afhankelijkheid te ontgaan,

naar afgelegene landen. Eene dergelijke beweging of vlucht ontstond

in de 17de eeuw onder de Mongolen, tengevolge van de machtstoeneming

van den Chineeschen Mantschu-keizer.

Daar echter, tegelijk met deze macht in het Oosten, ook in het Westen

het groote Europeesche beschaafde rijk der Russen krachtig tegen

Azië optrad, zoo werd het eigentlijke vrije gebied der Nomaden in

het binnenland van Azië steeds enger en enger, en wij zien daarom

sinds dien tijd, de uit elkander gespatte horden, herhaaldelijk van

het eene der beide rijken naar het andere, van China naar Rusland of

van Rusland naar China trekken, al naarmate zij geloofden, nu eens

hier dan weer daar, iets van hunne oude vrijheid te kunnen redden.

Aan deze omstandigheden heeft Europa zijne hedendaagsche Mongolen, de

vroeger genoemde horden der Kalmucken te danken. Op hun terugtocht

voor den Mantschu-keizer en in strijd met andere op hunnen weg

liggende volken, werden zij steeds verder westwaarts naar de Uralische

volkenpoort voortgeschoven, en kwamen zij eindelijk in het jaar 1703

in de nabijheid van het Russische gebied aan.

In den zwakken toestand, waarin zij zich bevonden, onderwierpen zij

zich aan de Russische opperheerschappij. Peter de Groote wees hun

aan de beneden-Wolga eene streek lands aan, waar zij hunne kudden

konden weiden, en sedert dien tijd huist deze Mongoolsche kolonie

aan de passen en afscheidingen tusschen Azië en Europa, en beweegt

zij zich binnen de natuurlijke grenzen van ons werelddeel.

Aanvankelijk hadden zij eene aanzienlijke getalsterkte, maar deze werd

in het jaar 1771 door eene zeer merkwaardige gebeurtenis aanmerkelijk

verminderd en tot op de helft gebracht. De Kalmucken, die belijders

waren van den Indischen Budha-dienst, voelden zich namentlijk ook in

Rusland niet tevreden, zij hadden hun Aziatisch vaderland niet geheel

vergeten en werden eindelijk, ook door geheime boodschappen van den

Keizer van China, tot terugkeer aangemoedigd en overreed. Toen hun

besluit tot rijpheid gekomen was, kwamen plotseling de familiën van

50,000 Kalmucksche Kibitken te zamen--ten getale van, naar hun zeggen,

meer dan 300,000 "monden"--verhieven hunne standaarden en vluchtten

met hunne vrouwen en kudden weder oostwaarts naar China, om, zooals

de Chineesche Keizer Khienlong, (die deze terugkeering, in een door

de Chineesche dichters klassiek genoemd gedicht, bezongen heeft) zegt:

"de gevaren en bezwaren aan eene groote reis verbonden, de aanvallen en

gevechten gedurende den verren tocht niet tellende, om de helderheid

des Hemels in de nabijheid van het rijk van het midden, en het geluk

vazallen te mogen zijn van den grootsten monarch van het heelal, te

genieten." Deze groote Kalmucken-vlucht is daarom zeer belangrijk,

dat zij eene der weinige Aziatische volken-bewegingen is, die wij,

in hare oorzaken en de omstandigheden waaronder zij plaats greep,

nauwkeuriger kennen, en wijl zij ons daardoor ook de oorzaken en de

toedracht der andere vroegere volksverhuizingen duidelijker maakt.

Die oostwaarts gevluchte Kalmucken wonen thans nog aan den Altaï en

zijn afhankelijk van China. De in Europa (Rusland) achtergeblevene,

die men om hen te behouden, nu ook meer vrijheden en gunsten toestond,

hebben nu nog eene getalsterkte van 300,000 zielen. Daar zij, in woeste

en voor den akkerbouw bijna geheel ongeschikte streeken, zich op de

veeteelt toeleggen en eenige duizende vierkante wersten bosch- en

waterlooze steppen, voor het Russische rijk in eene rijke paarden- en

veestapelplaats veranderd hebben, zoo zijn zij zeer nuttige onderdanen

geworden, die wel verdienen in waarde gehouden te worden. De talk en

de wol hunner kudden helpt de Europeanen in het noordelijk gedeelte

van Rusland, hunne donkere winternachten verhelderen en verwarmen.

Toen in den nieuweren tijd hunne wilde op ruige paarden gezeten

boogschutters, met het Russische leger, zoowel gedurende den

zevenjarigen oorlog als ook gedurende de oorlogen tegen Napoleon,

in Duitschland en in het overige Europa verschenen, verwekten

zij daar bijna evenveel opzien, als eens hunne voorvaderen onder

Dschingis-Chan en Attila. Men beschreef hen als baarlijke duivels,

men legde hun te laste rauw vleesch, zelfs menschenvleesch te eten,

en dat zij geene andere kookkunst bezaten, dan het vleesch onder den

zadel malsch te zitten.

Zulke vreesselijke zaken blijken geheel en al onwaar te zijn, wanneer

men deze goede menschen in hunne eigene legerplaatsen bezoekt. Dan

ontdekt men dat zij wel gewoon zijn wat vleesch en vet onder den

zadel te leggen, om mogelijke wonden hunner paarden te genezen,

maar dat zij zoo weinig liefhebbers van rauw vleesch zijn, dat zij

er zich ten zeerste over verwonderen hoe de Europeanen rauwe ham

kunnen eten. Dan ontdekt men verder, dat deze barbaren, van den

stichter hunner godsdienst een zoo fraai, zachtzinnig en verstandig

wetboek ontvangen hebben, dat het schier met de Christelijke zedeleer

wedijveren kan. Helaas echter heeft hun wetgever, Dschingis-Chan,

juist in tegenstelling met den voor de reinheid zoo zorgdragenden

Mohamed, hun verboden zich met het wasschen hunner kleederen en

kookgereedschappen bezig te houden, welk verbod zij dan ook jammerlijk

stipt nakomen.

Zij gebruiken eene taal, de Oud-Mongoolsche, wier kracht en uitdrukking

men te vergeefs getracht heeft in andere talen terug te geven. "De

melancholische gedichten en gezangen dezer van roof levende herders,"

zegt een Chineesch geschiedschrijver, "als zij in den stillen nacht

over de groote steppen weerklinken, hoe eenvoudig en ongekunsteld

zij ook zijn, persen den toehoorder de tranen uit de oogen."

Achter deze merkwaardige Kalmucken, in het binnenste van het

Kaspisch-Uralische laag gelegen land, wonen de roofzuchtige

Kirgisen, in drie talrijke horden, en over een ver uitgestrekt

gebied. Daar zij met hunne Kibitken (kleine voertuigen) slechts

zelden tot aan de Europeesche grenzen stroopen, zoo zal ik hier

van hen alleen opmerken, dat zij beschouwd moeten worden als een

volkstam, die uit eene vermenging van Turken en Mongolen ontstaan is;

zij spreken echter een zuiverder Turksch dialekt dan de Osmanen in

Constantinopel. Gedeeltelijk erkennen zij de opperheerschappij van den

Czar, gedeeltelijk die van den Zoon des Hemels in Peking, en als zij

de gelegenheid schoon zien, berooven zij de onderdanen van beide deze

groote rijken. Wegens hun blond haar, hebben enkele geschiedschrijvers

deze Kirgisen voor afstammelingen onzer Gothische voorvaderen gehouden.

Behalve de genoemde Mongoolsche en Turksche stammen, die de

volksverhuizingen uit Azië naar Europa overbrachten, hebben zij af en

toe ook nog staaltjes en overblijfselen van andere Aziatische volken

met zich medegevoerd, waaronder niet weinige van de grenzen van Perzië,

en zelfs eene kleine kolonie uit het verwijderde Hindostan.

Aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de vruchtbare oasen van

het zuidelijk gedeelte van Turan, leefde van oudsher midden onder de

Nomaden, een gezeten, steden bewonend en ontwikkeld volk, de oude

"Sogdianen" en "Baktrianen", bij wie handel, kunsten en handwerken

bloeiden. Hun omgang met de Nomadische steppen-volkeren, waaraan zij

hunne kunstprodukten verkochten, is van overouden oorsprong. Wij

ontmoeten hen, in de geschiedenis van den Aziatischen handel, ook

onder verscheidene andere namen. Door de ruwere Mongolen, die onder

Dschingis-Chan hunne oude steden en vorstendommen veroverden en hunne

bibliotheeken verbrandden, werden zij "Buckhar" d.i. "de geleerde

mannen" genoemd, en onder dezen door de Mongolen ingevoerden naam,

zijn zij nog heden ten dage bij de Europeanen bekend.

"Bochara" is nog heden de naam van een hunner hoofdsteden, en hun

geheele land noemen wij Bucharye. Als hunne kramers, als de aanvoerders

hunner karavanen en ten deele financiers en fabriekanten, trokken de

Bucharen met de Mongolen de wereld door, en verbreidden zij zich, als

eene merkwaardige kaste van reizende kooplieden, oostwaarts langs alle

wegen, die door hen, aan wie zij onderworpen waren, gevolgd werden,

oostwaarts tot in China; ook gingen zij met deze westwaarts naar

"Kiptschak" of Europa. Nog heden, na het verdwijnen van het Mongoolsche

rijk bezoeken zij--nu onder Russische bescherming--dezelfde landstreken

langs de Wolga, de groote jaarmarkten van Nowgorod, Charkoff, Kasan,

en komen ook te Moskou en Petersburg, ja zelfs op de Leipziger-messe

zijn zij welbekende gasten.

Deze Bucharen zijn, wat lichaamsbouw betreft, een slank, goed gebouwd

volk, met frissche, heldere gelaatskleur, groote zwarte en sprekende

oogen, edel gebogene haviksneus, zwart haar en dichten baard. Zij

zijn bedaarder, buigzamer en minder trotsch dan de Turksche Tartaren,

en hebben geen lust voor veeteelt en een zwervend leven, maar hebben

aanleg voor de kunsten des vredes en zijn door handel en nijverheid

zeer welvarend. Zij noemen zich zelve "Tadschicks", dat de oude naam

der Perzen is. Daar zij over het algemeen Perzisch spreken, zoo zijn

zij ongetwijfeld niet, zooals men weleens beweerde, van Mongoolsche

maar van Perzische afkomst. Gewoonlijk brengen zij aan Europa niet dan

zeer vluchtige bezoeken, en keeren, als zij hunne zaken gedaan hebben,

naar hun geboorteland, ten zuiden van het meer Aral terug. Ook worden

in Astrakan, Kasan en eenige andere Russische steden, rijk gewordene

Bucharen, die zich daar met der woon gevestigd hebben, aangetroffen.

Zooals gezegd is, zien wij eindelijk de ver verwijderde Hindostansche

volkenwereld, om zoo te zeggen met het puntje van den vinger, ons

werelddeel aanraken. Aan de Wolga, in Astrakan bestaat eene kleine

kolonie van Hindoes die de leer van Brahma omhelzen. Men gelooft, dat

zij eerst tegen het einde der 14de eeuw, ten gevolge van een inval

der Mongolen onder Timur, daarheen getrokken zijn. Dit is dezelfde

Timur, wiens opvolger ook de Zigeuners uit Indië verjaagd en naar

Europa gevoerd heeft, zoo men meent althans.

Het gezamentlijke getal van alle, als nakomelingen der door de

Uralisch-Kaspische volken-poort binnengestroomde Middel-Aziatische

volkeren, en nog heden ten dage onder ons levende menschen, der

Hindoes, der Bucharen, der Kalmücken, der Kasansche-, Astrakansche-

en Krimsche Tartaren, zal hoogstens 2 millioen bedragen. Wij zouden

echter te weinig waarde hechten aan den invloed dezer volkenbeweging

op Europa, zoo wij hen alleen naar hun aantal, in vergelijking met

de bevolking van het werelddeel, wilden schatten.

De Tartaren en Mongolen hebben nog veel grootere overblijfselen en

sporen hunner aanwezigheid bij ons achter gelaten, dan die weinige

rechtstreeksche afstammelingen. Afgezien daarvan, dat zij verscheidene

onzer oorspronkelijk Finsche natiën, de Bulgaren, de Tschuwaschen, de

Baschkiren, door vermenging min of meer geturkiseerd of gemongoliseerd,

en hun gedeeltelijk hunne taal en zelfs hunnen godsdienst, den Islam,

opgedrongen hebben--(van deze geturkiseerde Finsche volkeren zal ik bij

de beschouwing van den Finschen volksstam spreken)--afgezien daarvan,

hebben de Tartaren en Mongolen ook op een onzer grootste Europeesche

rijken en volken, dat der Russen, vrij wat invloed uitgeoefend en

zijn er in versmolten. De eens aan de Tartaren onderworpene Russische

natie, openbaart zoowel in haren politieken toestand, als in haar

physieken en psychischen type, menigen trek, neiging en instelling,

waarvan wij het voorbeeld waarschijnlijk in het binnenste van Azië,

bij de Nomaden der Mongolen en van de Kaspische laaglanden, moeten

zoeken. De geheel onbeperkte heerschappij der Czaren zelve, heeft veel

van de regeeringswijze dier Aziatische opperhoofden. De hardheid der

bij hen gebruikelijke straffen, herinnert aan het bamboes-riet bij de

Chineesche Mongolen. De geringschatting en het kwistig omspringen

met menschenlevens bij krijgstochten en andere gelegenheden,

is bij hen niet veel geringer dan zulks bij de krijgstochten der

Mongolen was. Hunne lastige volgorde in maatschappelijken rang, hunne

zoogenaamde "Tschin", schijnt naar naam en daad eene kopie van de bij

de Mongolen en Chineezen heerschende etiquette te zijn. Ook hunne

melancholieke en roerende volksgezangen, persen den toehoorder de

tranen uit de oogen, even als zulks de Mongoolsche zangen vermochten.

Vele Tartaren, Mongolen, Kalmücken en andere Aziaten werden van

oudsher, als men hen als krijgsgevangenen naar de binnenlanden van

Rusland overbracht, wanneer de Czaren hen met Russische eereblijken

beloonen of winnen wilden, in den schoot der Russisch-Slavische

nationaliteit opgenomen. Zelfs onder de voornaamste familiën des

rijks ontdekt men nog namen, die reeds dadelijk de Tartaarsche

afkomst van het geslacht verraden. Zoo, om een voorbeeld aan te

halen, de naam van den bekenden, nu Russischen Vorst Kotschubey,

d.i. "de kleine bey." Misschien is den lezer somwijlen wel eens de

naam der vorstelijke familie Dunderkoff-Korakow voorgekomen. Het zijn

nu Russische Magnaten, wier stamboom echter oorspronkelijk in eene

Kalmuksche herderstent ontkiemde.

De schedelvorm en de gelaatstrekken van het Mongoolsche type, het

vierhoekige hoofd, de vooruitstekende wangbeenderen, de kleine wipneus,

de langwerpige oogen, het vlakke gelaat, al is een en ander bij hen

zoo opvallend niet als bij de eigentlijke Mongolen, schemeren ook bij

de Russische nationaal-trekken, onder de anders meer ronde en ovale

liniën van den Indo-Europeeschen stam zeer duidelijk door.

En als men dan eindelijk bedenkt, dat diezelfde gelaatsvormen ook

bij alle stammen van het Chineesche rijk, die zeer beslissend het

Mongoolsche type dragen, weder teruggevonden worden, dat verder ook

zelfs de Indiaansche stammen van Noord-Amerika, in hunne lichamelijke

gesteldheid, wederom slechts ietwat getemperde uit- en afdrukken van

datzelfde model schijnen te zijn, dan staat men werkelijk verbaasd

over de buitengewone verspreiding van dit type over de oppervlakte der

Aarde, en men kan schier zeggen, dat wel een derde gedeelte van het

menschelijk geslacht tot het Tartaarsch-Mongoolsch of Mongoolsch-achtig

ras behoort.

Ja! zelfs in de gebergten van midden-Europa, in het zuid-oostelijke

punt van Duitschland heeft men--en met deze opmerking zal ik deze

beschouwing sluiten--sporen van Mongolen of van Mongoolsche type willen

vinden. Aan den voet van den Orteles, in de hoogere dalen van het

Etsch-dal, in de zoogenaamde Bintch-Gau is, volgens de onderzoekingen

van Dr. Goldrainer, de schedelbouw der daar nu Duitsch sprekende

bewoners, "Mongoolsch". Men heeft gemeend, dat in die gebergten een

verstrooide troep van de soldaten van Attila achtergebleven is,

en men heeft getracht, de daar aangetroffen wordende zonderlinge

on-Duitsche plaatsnamen, "Tschars, Tartsch, Latsch, Compatsch" enz,

uit de Aziatische talen te verklaren. De Zwitsers gelooven, dat dit

volk afstamt van een vreemdsoortig volkje in Annisiers, een dal in

Boven-Wallis op zes uren afstands van Sitten, en dat zij "Hunnen"

(d.i. Mongolen) noemen, van hetwelk echter Slavische oudheidkenners

gelooven, dat het afstamt van Slaven, waarschijnlijk echter toch van

Slaven die Attila volgden, en zich in de bergen van zijne legers

verwijderden. Ik heb er reeds in het vorige hoofdstuk opmerkzaam

op gemaakt, dat men in dit zelfde kanton Wallis ook de oostelijkste

sporen van Saraceensche of Arabische volksverstrooiing aanwijst. En

zoo is dat daar dus eene zeer merkwaardige plaats, waarin nog heden ten

dage de uiterste sporen herkend worden van twee groote volksstroomen,

die in het hart van Europa tegen elkander over stonden; de eene, die

van Arabië en West-Azië en van de noordkust van Afrika, den gloeioven

van Europa, over Spanje kwam aanstroomen, en zich in Frankrijk en

tegen de Alpen verloor--en de andere, die uit het binnenste van Azië,

uit den Europa in het Oosten, als het ware, aanhangenden "Tartarus",

losscheurde, de Uralisch-Kaspische volken-poort passeerde, het geheele

Oostelijk Europa herhaalde malen overstroomde, en eveneens tegen

Frankrijk en de Alpen wegstierf, waar zij midden in de bergholen de

duidelijkste sporen achterlieten.

Geschiedenis der Europeesche Volken · 第 6 / 62 题