Op de blz. 40 en 76 is een noot aangebracht. Die gezegden van Rafaël
werden bij latere opvoeringen achterwege gelaten, na een
correspondentie tusschen de „Nederlandsche Tooneelvereeniging” en den
schrijver. Te curieus is de historie om haar onvermeld te laten:
Amsterdam, 4 Januari 1899.
Den WelEd. Heer
Herm. Heijermans Jr.,
Alhier.
Geachte Heer!
Ik ontving van den heer Franken, hoofdcommissaris van politie, een
uitnoodiging om naar aanleiding der Ghetto-opvoeringen even bij hem
te komen.
Aan dat verzoek voldeed ik heden.
De heer Franken wenschte in Uw stuk te doen wijzigen de gezegden
van Rafaël op blz. 40 en 76. Ik wees hem er op, dat in geen der
vijf voorstellingen, die plaats gehad hebben, deze gezegden tot
eenige rustverstoring, zelfs niet tot gefluit aanleiding gegeven
hebben en dat trouwens elke voorstelling een stijgend succes had.
De heer Franken bleef evenwel in overweging geven, deze gezegden te
verzachten of achterwege te laten, daar bij eventueel voorkomende
wanordelijkheden de voorstelling onherroepelijk verboden zou
worden.
Wilt U mij even omgaand mededeelen of U de gewenschte wijzigingen
wilt aanbrengen?
Na beleefde groeten
Hoogachtend,
n. d. N. T. V.:
Uw dr.,
A. v. d. Horst,
Amsterdam, 4 Januari 1899.
Den WelEd. Heer
A. v. d. Horst,
President-Directeur der „Nederlandsche Tooneelvereeniging”,
Alhier.
Geachte Heer,
Het doet mij genoegen dat de heer Franken, hoofdcommissaris van
politie, wiens critische bekwaamheden op letterkundig terrein ik
volkomen erken, zulke bescheiden wijzigingen verlangt. Ik ben het
met U eens dat geen der drie gezegden eenig protest, laat staan
„rustverstoring” ontlokte tijdens de 5 eerste voorstellingen. Om
echter in Uw belang te voorkomen dat ’s heeren Franken’s inzichten
zich plotseling mochten verwerkelijken—de wegen der politie zijn
ondoorgrondelijk—zal ik morgenavond vóór de voorstelling dezen
„Grober Unfug” verwijderen. Waarom zouden wij mijn litterairen
collega Franken ’t pleiziertje misgunnen?
Zeer de Uwe
Herm. Heijermans Jr.