Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.
ESTHER. Zoo. Nou kunnen we knuf-knuf praten.
HAËZER. Dag Rafaël, dag bèste jongen.
RAFAËL. O.—’k Heb u in làng niet gezien.
HAËZER. In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel,
wel, wel.—Je krijgt ’n hééle baard. Nee, geen melk.—Schuif wat bij
Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, héele wereld—en
nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je
alleen bíj óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen
Sjabbesavond, die wèten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n
Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om,
’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood die
begrijp je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen
huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche
vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot—
SACHEL. ’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld....
HAËZER. Ja-ja-ja.—Zóo gewichtig is dat toch niet. Strakjes. Strakjes.
Niewaar, Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je
geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar
frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?
ESTHER. Dat ’s de meid die naar Meijer gaat...
RAFAËL. O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.
SACHEL. ’k Heb gesproken over Rebecca....
HAËZER. La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op
z’n pootjes terecht. Alles. Niet zoo doordrijven. Niet zoo haastig
gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoòn heeft ’n wil—en voor de wil van je
zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind.
Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot
zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te
trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot
van rekening troùwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.
ESTHER. Dat zeg ik ook. Hij praat altijd asof hij de bruigom is. Nar!
HAËZER. Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n
joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n
jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders,
na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël.
Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n
voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je
moet niet naar m’n haar kijken. Hahaha!
ESTHER. Drink u is uit, mijneer de rabbijn.
HAËZER. Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och,
ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om
te hebben—die kwestie, wàt was ’t ook weer?
SACHEL. M’n zoon....
HAËZER. La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en
nog niet trouwen—nog niet trouwen.—Wel, wel, wel.... En hoe zit dat
zoo, Rafaël?.... Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn
twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En
jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle mooie
wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat
is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stàp alleen
doen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje,
gekje vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk
hoekje, èlke balk, èlke schaduw. Kijk is rond. Je jeugd vergeet je
nooit. Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel,
bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, brèken met de scheur
in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je zoo’n kléine
dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog de
twéé-en-twintig letters, de vijf lange, de vijf korte klinkers...
hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je
me làter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat
jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi
toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je
nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat?
Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk
je an de Sjabbestafel thùis, an je blinden vader die zelf brooge moet
maken, zelf benchen.—En kom je bij chrìstenen en is ’t Vrijdagàvond dan
verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de
lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nèrgens.
Hoor—En geef me nou nog ’n kopje.
ESTHER. Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en
ik dans op de bruiloft.
RAFAËL. Goeie ouwe rebbe.—God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan
niet. Nou niet. Later niet.
SACHEL. Daar heb je ’m wéer! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.
HAËZER. La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik
vraag alleen: waàrom niet, Rafaël? Waàrom niet? De leeftijd van grillen
ben je nou toch te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéet
je. Je ben ’n heele tijd niet in de Schoel [6] geweest—’k heb je niets
gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nòu....
RAFAËL. Vraag ’t m’n vader....
SACHEL. Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van
hàndel—om—om—nooit heb ’k handel ànders voor me gezien.... Maar hij
liégt—ik héb toegegeven, àlles toegegeven—en hij wil niet....
HAËZER. Zoo. En nou jij, gekje?
RAFAËL. Hij heeft gelijk.
HAËZER. Wat hoeven we dan nog te praten?
RAFAËL. Maar, zèlfs wanneer ik àlles vergeet wat ik hier—wat ik
hier—van hàndel gezien heb, dan nog kàn ’k niet, wil ’k niet—want
handel en bezit—wérken alléén óm bezit—werken van ’s morgens tot ’s
avonds om géld naar je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen,
dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van
andren—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat
strijdt tegen de wetten van Mozes....
HAËZER. Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten
gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat
wordt ’n theologisch gesprek. Nou maar, dat màg ’k wel. Daar kan ik van
leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken.
Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet. Zoó. Laat nou is hooren.
’k Zit ’r voor...
RAFAËL. Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen,
veranderen we ’t tegenwoordige niet....
HAËZER. Heel, héél handig.—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a
gezegd—zeg nou b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val!
Hahaha! We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen
we ’t goeie wegje om jou ràdikaal van je malle ideetjes te genezen.
Kom, gekje!
RAFAËL. Wil je? Goed.—Kijk—op ’n dag kwam ik ’n—’n—làmme tegen. Hij kon
niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op
dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht....
SACHEL. Zeg maar ’n blinde....
RAFAËL. ... hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht
’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig...
HAËZER. Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben....
RAFAËL. .... Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te wèten.
Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in
krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond
verdeeld voor een ièder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid
worden aan den arme.... dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard
braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet
voor àltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land, en gij zijt
slechts vreemdelingen bij Mij”—dat ’r een jubeljaar zijn zou en een
lossing....
HAËZER. Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd....
RAFAËL. En zooveel meer!...
HAËZER. En de hàndel, gekje?
RAFAËL. Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?
HAËZER. Heel goed. Heel goed.... Een sterk gebeende ezel, niewaar?
Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mòoiere beelden dan in ons
wetboek?.... Maar, gekje, je had ’t onder léiding moeten lezen. Nou heb
je hiér wat opgevangen en dàar wat en ’t rèchte weet je niet.
RAFAËL. Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.
HAËZER. La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél
tevreden.
RAFAËL. Welke leéring is er te trekken uit wat niet meer leeft?
HAËZER. Niet meer leeft, gekje?
RAFAËL. Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ik was in ’n dóóden tijd?
Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor lévenden?
HAËZER. Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n
godsdienst levend. Met letters kun je vechten, met letters kun je
goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met
letters.... Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Jà. Getuigt niet
Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met
schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en
ezelen? Gèèn bezìt? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn
bezit? Met letters.... De géést.... De géést alleen—de jóódsche
geest.... We gaan niet àchteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug
kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan
zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel
voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat
goed was voor een nomadenvolk dat zich véstigde en niet meer zoo
héélemaal goed voor.... voor ’n volk dat vrij leeft in ’n
christenmaatschappij... Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche
geest.... de jóódsche géést zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd
laten.... En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in
wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—en ’t
gòddelijke voelen ze niet....
RAFAËL. Ik voel ’t goddelijke van mijn tijd, ’t goede, ’t schoone, ’t
slechte.... Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw
ànders wordt, ànders door—door—hoe zal ’k ’t jùllie zeggen?—door ’n
maatschappij die zich verandert, vervalt of verheft. Ik voel dat de
geest waarvan ù spreekt vástgébónden ligt aan ons volk in zijn
ópkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.
HAËZER. Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto?
We leven niet meer in ghetto’s, gekje!
ESTHER. Hij praat as ’n kind. Allemaal schtos! Hij praat as ’n
risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootste rissches
zèlf.... [7]
HAËZER. Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen
wàar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je
geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen? (met climax) Wordt
Eleazar niet aan ’t Hòf ontvangen met éérbewijzen: Wat wil je met je
ghetto?
SACHEL. Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron
kan hier zijn, elk oogenblik....
HAËZER. Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t
ghetto.... En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje....
RAFAËL. Ghetto? Dat ìk ’t zeggen moet aan ’n rabbijn! Ghetto? Hebben
jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?....
HAËZER. Leugens? Dat pàst je niet!
SACHEL. Leugens?.... Leùgens?
RAFAËL. Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur
aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen
christen-dienstmeid voor? Gaf je me àndere vrienden—toen ’k ’n kind
was—dan jòden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God
me niet geleerd, Gód, Gòd—door ’n jóód?.... [8]
HAËZER. Laat ’m uitspreken....
RAFAËL. Ghetto?.... De poorten zijn neergehaald, de muren zijn
gesloopt—de gràchten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat....
HAËZER. Hún haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!
RAFAËL. Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben
ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We
hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud
je hoofd niet—stràks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden
beschouwd, als vréémden behandeld. Hún vrouwen hebben we.... hebben we
betááld,—onze getroùwd![8]
HAËZER. Dat is ’n leugen!
RAFAËL. God hoort me getuigen!
HAËZER. Gelogen! Driedubbel gelogen!
RAFAËL. Wáárom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom làch je niet
meer?
HAËZER. Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatst geduld
doet verliezen! Omdat....
ESTHER. Schaam je! Ben jij ’n jóód?
RAFAËL. Nee. Nièt meer.
HAËZER. Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader
verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons
volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die
genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig
is!... „Gij zult.... Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht
hebben!”
RAFAËL. Goden?... Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend? (Slaat
het raam open). O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!
HAËZER. Jij ben gek—jij ben gèk!
RAFAËL. Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen
met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen
met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha! Hahaha! Zie
dan neer, God, door dit gàt. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten
ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend.
Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine
gepraat over ùw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in ùw naam,
vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die
benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid
binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen
hijgen en de ziel vermummelt als ’n gestorven bloem! Laat me spreken,
rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ìk de
prediker, ìk die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God
voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw
van ’t veld, in het glanzen van het water, in de bloemen op het graf
van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader, de muurruitjes,
vergeet-mij-nietjes en gouwen! Neergesmeten bij ’t stof van je
vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij
met je ghètto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer
hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden
zijn—want de wàre God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap,
de gemeenschap zònder goden, zònder slechtheid, zònder slaven!....
SACHEL. Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begijp—’t vlamt in ’t donker van
m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca
niet....
RAFAËL. Hiér was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kàn niet anders.
HAËZER. Rafaël.... Rafaël....
SACHEL. Sust!... Sust! Laat mijn spreken—’k Heb zoo lang gezwegen....
Je heb ’r geweigerd...... Ze was hiér.... ....Dan heit die meid
gelogen.... die meid.... dàn... dàn... heit die meid gelógen, wèèr
gelogen... dan... dan.... Wát is ’r tusschen joù... en die meid...
tusschen jou en die Christenméid?....
RAFAËL. Die meid!....
SACHEL. Je ben sámen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En
straks—stràks—(staat woest op met gebalde vuisten).
ESTHER. Sachel!... In Godsnaam!
SACHEL (inzakkend). Vloek! Vloek over m’n
ouwen dag!
RAFAËL. ’t Is waar. Ik ontken niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd
hebben. Maar ik aarzelde: diezelfden dag zou je háár uit je deur
getrapt hebben, háár, mijn vrouw.... Noù weét je ’t vader, dat ’t zijn
móét. (af).