EERSTE TOONEEL.

Padua. Voor Lucentio's huis.

Op den achtergrond komen op: Biondello, Lucentio en Bianca; Gremio

wandelt aan de overzijde van het huis op en neer.

BIONDELLO. Stil en vlug, heer; want de priester staat gereed.

LUCENTIO. Ik vlieg, Biondello; maar ze mochten u thuis noodig hebben;

ga gij dus weg.

BIONDELLO. Neen, zeker niet; ik moet eerst zien, dat gij de kerkdeur

achter den rug hebt; en dan spoed ik mij, zoo vlug ik kan, naar mijn

meester terug.

(Lucentio, Bianca en Biondello af.)

GREMIO. Ik sta verbaasd, dat Cambio nog niet komt.

(Petruccio, Katharina, Vincentio en Gevolg komen op.)

PETRUCCIO. Hier is het, heer; dit is Lucentio's huis;

Mijn vader woont wat dichter naar de markt;

Daar moet ik heen, heer, en verlaat u hier.

VINCENTIO. Toch niet, voordat we een roemer samen leegden;

Ik heet u graag hier welkom met een dronk,

En hoogstwaarschijnlijk wacht ons een feestmaal.

(Hij klopt aan de deur.)

GREMIO. Ze zijn daar binnen met iets bezig; gij moogt wel wat harder

aankloppen.

(De Pedant kijkt uit het venster.)

PEDANT. Wie klopt daar zoo luid, alsof hij de deur wilde inslaan?

VINCENTIO. Is signore Lucentio thuis, heer?

PEDANT. Wel tehuis, heer; maar niet te spreken.

VINCENTIO. Maar als nu iemand hem een honderd pond of twee kwam

brengen, om er goede sier mee te maken?

PEDANT. Houd uw honderd pond maar voor uzelf; hij zal ze niet behoeven,

zoolang ik leef.

PETRUCCIO. Ziet ge, ik heb u wel verteld, dat uw zoon in Padua bemind

is.--Hoor eens, heer,--om allen omhaal te vermijden,--ik bid u, zeg

aan signore Lucentio, dat zijn vader van Pisa is aangekomen en hier

aan de deur staat, om hem te spreken.

PEDANT. Dat is niet waar; zijn vader is al lang hier en kijkt op dit

oogenblik uit het venster.

VINCENTIO. Zijt gij zijn vader?

PEDANT. Ja, heer, als ik zijn moeder gelooven mag; die heeft het mij

altijd gezegd.

PETRUCCIO (tot Vincentio). Wel zoo, heerschap; dat is toch klinkklare

schurkerij, eens anders naam aan te nemen.

PEDANT. Houd hem aan, den spitsboef! hij is zeker van plan, iemand

hier in de stad op te lichten, onder mijn naam.

(Biondello komt weder op.)

BIONDELLO. Ik heb ze samen in de kerk gezien; de Hemel schenke hun een

gelukkige vaart!--Maar wie is daar? mijn oude meester Vincentio? O wee,

nu is het uit met ons, we zijn verloren!

VINCENTIO (Biondello bespeurende). Zoo, kom hier, galgebrok!

BIONDELLO. Ik hoop, heer, dat ik mag kiezen, wat ik wezen wil.

VINCENTIO. Kom hier, schurk! Wat, wilt ge mij niet kennen?

BIONDELLO. U kennen, heer? neen, heer; ik kan u niet kennen, want ik

heb u van mijn leven nooit gezien.

VINCENTIO. Wat, gij doortrapte spitsboef, hebt gij den vader van uw

meester, Vincentio, nooit gezien?

BIONDELLO. Wat! mijn ouden, eerwaardigen ouden meester? ja zeker,

heer; zie, die kijkt daar uit het venster.

VINCENTIO. Hoe durf je dat zeggen?

(Hij slaat hem.)

BIONDELLO. Help, help, help! hier is een dolleman, die mij wil

vermoorden!

(Hij loopt weg.)

PEDANT. Help, mijn zoon! help, signore Battista!

(Hij gaat van het venster weg.)

PETRUCCIO. Kom, Kaatje, laat ons wat ter zijde gaan, om te zien,

hoe deze twist afloopt.

(Zij gaan ter zijde.)

(De Pedant komt beneden op; verder Battista, Tranio en Bedienden.)

TRANIO. Heer, wie zijt gij, die mijn dienaar een pak slaag toedient?

VINCENTIO. Wie ik ben, heer? Neen, wie zijt gij, heer? O

hemelsche goedheid! O opgepinkte schelm! Een zijden kamizool! een

fulpen broek! een scharlaken mantel en een punthoed!--O, ik ben

geruïneerd! geruïneerd! Terwijl ik thuis mijn zaken bij elkander houd,

lappen mijn zoon en mijn dienaar alles op de hoogeschool er door.

TRANIO. Komaan! wat beteekent dit alles?

BATTISTA. Wat, is de man niet wijs?

TRANIO. Heer, naar uw voorkomen schijnt gij een bedaard oud heer,

maar naar uw praatjes is het dolhuis uw plaats. Wat gaat het u aan,

heer, of ik goud en parels draag? Ik dank het mijn goeden vader,

dat ik het doen kan.

VINCENTIO. Uw vader, schurk! dat is een zeilmaker uit Bergamo.

BATTISTA. Gij bedriegt u, heer; gij bedriegt u, heer. Hoe denkt gij

dan wel, dat hij heet?

VINCENTIO. Hoe hij heet? Alsof ik niet wist, hoe hij heet! Ik, die

hem heb grootgebracht van zijn derde jaar af! zijn naam is Tranio.

PEDANT. Maak, dat gij weg komt, dolle ezel! Zijn naam is Lucentio;

en hij is mijn eenige zoon, en erfgenaam van mijn geheel vermogen,

van mij, signore Vincentio.

VINCENTIO. Lucentio! O, hij heeft zijn meester omgebracht!--Vat hem,

ik beveel het, in naam des hertogs!--O mijn zoon! mijn zoon! Zeg mij,

gij schurk, waar is mijn zoon Lucentio?

TRANIO. Roep toch een gerechtsdienaar (Een Dienaar af.), dat deze

dolleman naar de gevangenis gebracht worde;--vader Battista, ik bid u,

draag zorg, dat hij voor het gerecht komt.

VINCENTIO. Ik naar de gevangenis!

(De Dienaar komt terug met een Gerechtsdienaar.)

GREMIO. (Tot den Gerechtsdienaar.) Houd af, man; hij moet niet naar

de gevangenis.

BATTISTA. Bemoei er u niet mee, signore Gremio; ik zeg, hij moet wel

naar de gevangenis.

GREMIO. Pas op, signore Battista, dat gij u hierbij de vingers niet

brandt; ik durf er op zweren, dat dit de echte Vincentio is.

PEDANT. Zweer, als gij durft.

GREMIO. Neen, zweren durf ik er niet op.

TRANIO. Dan waart gij ook wel in staat om te zeggen, dat ik niet

Lucentio ben.

GREMIO. Ja, u ken ik als signore Lucentio.

BATTISTA. Weg met dien leuteraar; naar de gevangenis met hem!

VINCENTIO. Worden vreemdelingen hier zoo voortgesleurd en

mishandeld?--O gij afschuwelijke booswicht!

(Biondello komt terug, met Lucentio en Bianca.)

BIONDELLO. O het loopt mis met ons, en.... daar staat hij! Verloochen

hem, zweer hem af, of anders is het uit met ons.

LUCENTIO (knielt voor Vincentio). Vergeving, goede vader!

VINCENTIO. Beste zoon! gij leeft!

(Biondello, Tranio en de Pedant loopen weg.)

BIANCA. Vergeving, waarde vader!

(Zij knielt voor Battista.)

BATTISTA. Wáárvoor, kind?

Waar is Lucentio?

LUCENTIO. Hier, hier is Lucentio,

En de echte zoon van de' echten heer Vincentio;

Door 't huw'lijk werd, terwijl een valsche schijn

Uw oogen heeft misleid, uw dochter mijn.

GREMIO. 't Is een complot, ik zie 't, om allen te misleiden!

VINCENTIO. Waar is die duivelsche schavuit, die zoo

Brutaal mij heeft beschimpt, die Tranio?

BATTISTA. Maar zeg mij, dit is toch mijn Cambio?

BIANCA. Uit Cambio werd nu Lucentio.

LUCENTIO. De liefde deed die wond'ren. Liefde voor

Bianca deed mij Tranio's stand aanvaarden,

Terwijl hij mijne rol speelde in de stad;

In 't eind ben ik gelukkig in de haven

Van mijn gewenschte zaligheid geraakt;--

Wat Tranio deed, deed hij op mijn bevel;

Vergeef hem, vaderlief, om mijnentwil.

VINCENTIO. Ik splijt den schelm den neus, die mij ten kerker wou

verwijzen.

BATTISTA (tot Lucentio). Maar gij, heer, hoor eens, hebt gij dus mijn

dochter gehuwd, zonder naar mijn goedvinden te vragen?

VINCENTIO. Wees maar voor niets beducht, Battista; gij zult wel

tevreden zijn, stel u gerust; maar ik ga naar binnen; ik wil wraak

nemen over die schurkenstreken.

(Vincentio af.)

BATTISTA. En ik wil 't mijne hebben van die streken.

(Battista af.)

LUCENTIO. Gerust, mijn lief, uw vader zal niet toornen.

(Lucentio en Bianca af.)

GREMIO. Mijn koek ligt in de asch, maar ik ga mee naar binnen;

Want buiten het maal heb ik niets meer te winnen.

(Gremio af.)

(Petruccio en Katharina komen naar voren.)

KATHARINA. Kom, mijn gemaal, en zien wij, hoe dit afloopt.

PETRUCCIO. Geef me eerst een kus, mijn Kaatje, dan is 't goed.

KATHARINA. Wat! midden op de straat?

PETRUCCIO. Wat! schaamt ge u over mij?

KATHARINA. God beware mij, neen;--maar ik schaam mij, te kussen.

PETRUCCIO. Kom, dan naar huis weer toe;--gij knaap, maak alles klaar.

KATHARINA. Neen, blijf toch, bid ik u; daar hebt ge uw kusje, man.

PETRUCCIO. Is 't nu niet goed?--Kom, lieve Kaat,

Beter eens dan nimmer, 't is nimmer te laat.

(Beiden af.)

De getemde feeks · 第 26 / 30 题