Aldaar. Een hamer in Battista's huis.
Bianca en Katharina komen op.
BIANCA. Gij krenkt mij, lieve zuster, krenkt uzelf,
Zoo ge als een dienstmeid en slavin mij sleurt;
Dit duld ik niet. Kunt gij deez' tooi niet lijden,
Laat dan mijn handen los, dan doe ikzelf
Heel mijn gewaad, tot op mijn onderkleed,
Ja, uit en weg; en wat ge me ook beveelt,
Dat wil ik doen; zoo goed is mij bewust,
Wat ik mijn oud're zuster schuldig ben.
KATHARINA. Beken hier daad'lijk, wie van al uw vrijers
U 't best bevalt; maar geen gehuichel, hoor!
BIANCA. Geloof mij, zuster, welken man 'k ook zag,
Nooit zag ik nog een aangezicht, dat meer
Mij aantrok dan van eenig ander man.
KATHARINA. Fleemtong, gij liegt. Is 't niet Hortensio?
BIANCA. Is hij uw keuze, zuster? 'k zweer, dan wil ik
Zelf voor u pleiten, totdat hij u neemt.
KATHARINA. O! dan is rijkdom uw begeerte, en kiest
Gij Gremio, om een fraaien staat te voeren.
BIANCA. Is hij het, die uw nijd zoo wekt? O dan
Zijt gij aan 't schertsen, en bespeur ik klaar,
Dat gij daar al den tijd aan 't schertsen waart.
Ik bid u, Kaatje, laat mijn handen los.
KATHARINA. Was alles scherts, houd dan ook dit er voor.
(Zij slaat haar.)
(Battista komt op.)
BATTISTA. Wat is dat hier? Mamsel, wat schand'lijk doen!--
Bianca, ga ter zijde!--arm kind! zij schreit!--
Bemoei u niet met haar; ga aan uw naaiwerk.--
Foei, helleveeg, zoo duivelsch van gemoed,
Wat krenkt gij haar, die u nooit heeft gekrenkt?
Heeft ze ooit een woord u in den weg gelegd?
KATHARINA. Haar zwijgen jouwt mij uit; ik wil mij wreken.
(Zij vliegt naar Bianca toe.)
BATTISTA. Wat, voor mijn oogen?--Ga maar heen, mijn kind!
(Bianca af.)
KATHARINA. Gij duldt het niet van mij? Ja 't is te zien,
Zij is uw schat, aan haar bezorgt ge een man;
En ik moet op haar bruiloft barvoets dansen,
Om haar wis apen brengen naar de hel.
Zeg mij niets meer, ik wil gaan zitten weenen,
Totdat ik kans om mij te wreken zie.
(Katharina af.)
BATTISTA. Had ooit een vader zooveel uit te staan
Als ik?--maar wie komt daar?
(Gremio komt op met Lucentio, eenvoudig gekleed; Petruccio met
Hortensio als muziekonderwijzer, en Tranio, gevolgd door Biondello,
die een luit en boeken draagt.)
GREMIO. Goeden morgen, buurman Battista.
BATTISTA. Goeden morgen, buurman Gremio; gegroet, mijne heeren!
PETRUCCIO. Gegroet, heer! 'k Bid u, hebt gij niet een dochter
Met name Katharina, schoon en zedig?
BATTISTA. Ik heb een dochter, heer, met name Katharina.
GREMIO. Bedaard toch; val niet met de deur in 't huis.
PETRUCCIO. Gij krenkt mij, Signor Gremio; laat mij maar.--
'k Ben uit Verona, heer, een edelman;
De roep van hare schoonheid, haar verstand,
Haar minzaamheid, beschroomde zedigheid,
Haar wond're gaven en haar zachten aard,
Heeft mij, schoon ongenood, verlokt, als gast
Ten uwent te verschijnen, om mijn oog
Te doen aanschouwen, wat mijn oor vernam.
En om de' ontvangst, die 'k hoop, mij te verwerven,
Sta ik u hier een van mijn dienaars af,
(Hij stelt Hortensio aan Battista voor.)
Die, met muziek en wiskunst wel vertrouwd,
Haar in die vakken deeg'lijk les kan geven,
Waarin zij, naar ik weet, geen vreemd'ling is;
Versmaad hem niet, want anders krenkt gij mij;
Zijn naam is Licio, van Mantua.
BATTISTA. Wees welkom, heer, en hij om uwentwil;
Maar 'k weet toch, dat mijn dochter Katharina
Niet van uw gading is, zeer tot mijn spijt.
PETRUCCIO. Gij wilt, naar 'k zie, van haar geen afstand doen;
Of moog'lijk staat u mijn persoon niet aan?
BATTISTA. Versta mij wèl; ik zeg slechts wat ik meen.
Maar zeg mij, heer, wat is uw naam en stam?
PETRUCCIO. Ik ben Petruccio, en Antonio's zoon,
Een man, door heel Itaalje wel bekend.
BATTISTA. Ik ken hem wel, wees zijnentwege welkom.
GREMIO. Vergeef de stoornis, maar, Petruccio, gun
Ons, armen smeekelingen, ook het woord!
Houd in! gij draaft door dik en dun maar voort.
PETRUCCIO. Vergeef mij, Signor Gremio, maar 'k wensch gauw klaar
te komen.
GREMIO. 'k Geloof 't, maar vrees, dat gauw, heer, de pret u wordt
benomen.--
Buurman Battista, deze aanbieding is u ongetwijfeld bijzonder
aangenaam. Om u van mijn zijde dezelfde beleefdheid te bewijzen,--en
ik acht mij tot meer beleefdheid verplicht jegens u dan jegens iemand
anders,--veroorloof ik mij, u dezen jeugdigen geleerde aan te bieden
(Hij stelt hem Lucentio voor.), die lang in Reims gestudeerd heeft en
even zoo bedreven is in het Latijn, Grieksch en voor andere talen,
als die ander in muziek en wiskunde; zijn naam is Cambio; ik bid u,
neem zijn diensten aan.
BATTISTA. Duizendmaal dank; Signore Gremio;--wees van harte welkom,
Cambio.--Maar gij (Tot Tranio.), geachte heer, gij schijnt een
vreemdeling: mag ik zoo vrij zijn te vragen, waaraan ik uw bezoek
verschuldigd ben.
TRANIO. Vergeef, heer, mijn vrijmoedigheid is groot,
Dat ik, schoon vreemd'ling in deez' stad, het waag
Te dingen naar de hand uwe dochter,
Bianca, rijk in schoonheid en in deugden.
Ook is mij welbekend, dat gij besloot
Het eerst uw oud're dochter uit te huwen;
Wat ik u vraag, is daarom slechts de gunst,
Dat ik, als ge eens mijn afkomst weet, met de and'ren,
Die naar haar hand staan, toegang hebben moog',
Mijn wenschen moge ontvouwen, als ik die and'ren.
Voor 't onderwijs van uwe dochters kan ik
Slechts kleinigheden bieden: deze luit,
Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken;
Aanvaardt gij die, dan schenkt gij hun waardij.
BATTISTA. Lucentio is uw naam? Van waar afkomstig?
TRANIO. Van Pisa, heer; Vincentio is mijn vader.
BATTISTA. Een man van aanzien ginds, mij welbekend.
Van hooren zeggen: hartelijk welkom, heer.--
Neem gij (Tot Hortensio.) de luit, en gij (Tot Lucentio.) dien
stapel boeken;
Zoo daad'lijk zult ge uw kweekelingen zien.
Heidaar! (Een Bediende komt.)--Hier, knaap, geleid deez' heeren naar
Mijn dochters heen; zij zijn haar onderwijzers;
Verzoek voor hen alzoo een heusche ontvangst.
(De Bediende vertrekt, met Hortensio en Lucentio; Biondello volgt.)
Komt, gaan wij thans den tuin eens rond, en dan
Aan tafel; allen zijt gij hartlijk welkom;
Houdt u, dit bid ik, hiervan overtuigd.
PETRUCCIO. Signor Battista, hoor, mijn zaak eischt spoed;
Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen.
Daar gij mijn vader kendet, kent ge mij,
Die al zijn land en goed'ren heb geërfd,
En sedert eer vermeêrd heb dan verminderd;
Zeg dus,--als ik het jawoord van haar krijg,--
Wat mij uw dochter wel ten huw'lijk brengt.
BATTISTA. De helft van al mijn goed'ren bij mijn dood,
En twintigduizend kronen zoo terstond.
PETRUCCIO. En ik, van mijnen kant, verzeker haar
Een weduwgift,--als zij mij overleeft,--
Van al mijn have en goed, hoe ook genaamd;
Nauwkeurig zij dit wett'lijk dus omschreven,
Opdat aan weêrszij het verdrag ons bind'.
BATTISTA. Ja, als maar eens de hoofdzaak zeker is:
Haar jawoord;--dit is nu het eerst en 't laatst.
PETRUCCIO. O, dat is niets; want ik verklaar u, vader,
'k Ben even kort van stof als zij hooghartig;
En als één heftig vuur een ander vindt,
Dan wordt, wat hunne woede voedt, verteerd;
Een kleine wind blaast een klein vuur wel aan,
Doch een orkaan blaast vuur en alles uit;
Zoo ben ik haar, zoo geeft zij 't mij gewonnen,
Want ik ben ruw en vrij niet als een melkmuil.
BATTISTA. Vrij hoe ge wilt; heb er maar zegen op;
Doch wapen u op enk'le booze woorden.
PETRUCCIO. Ik ben verstaald, onwrikbaar als een rots,
Die pal blijft staan, hoe fel de storm haar trots'.
(Hortensio komt op, met een wond aan 't hoofd.)
BATTISTA. Wat is er, vriend? waarom ziet gij zoo bleek?
HORTENSIO. Zie ik zoo bleek, dan is 't van schrik, geloof me.
BATTISTA. En heeft mijn dochter aanleg voor muziek?
HORTENSIO. Eer om soldaat te zijn; misschien houdt staal
Het in haar handen uit; een luit kan 't niet.
BATTISTA. Dus denkt ge niet, dat zij de luit leert slaan?
HORTENSIO. Neen, want zij sloeg de luit al op mij stuk.
Ik zeide alleen, haar vingergreep was valsch,
En boog haar zacht de hand tot beet'ren greep;
Daar werd zij ongeduldig, duivelsch; "noemt ge
"Dat grepen?" riep ze, "grijpen kan ik wel!"
En greep de luit en sloeg me er mee op 't hoofd,
Zoodat mijn kop de luit geheel doorboorde;
Ik was een wijl verbluft en stond te kijken,
Als had ik 't halsblok aan en stond te pronk;
En tevens riep ze: "Schelmsche vedelaar;"
En "Brekebeen!" en twintig zulke naampjes,
Als had ze voor mijn smaad die uitgezocht.
PETRUCCIO. Nu, bij mijn ziel, een aardig meisje! ik houd
Al tienmaal meer van haar dan vroeger; 'k wou,
Dat ik met haar al aan het babb'len was.
BATTISTA. Kom mee en wees niet zoo ontsteld; hervat
Uw onderwijs maar met mijn jongste dochter,
Die leerzaam en erkent'lijk zich betoont.--
Signor Petruccio, wilt gij met ons gaan?
Of zend ik hier mijn Kaatje naar u toe?
PETRUCCIO. Ja, doe dat, wees zoo goed; ik wacht haar hier,
(Battista, Gremio, Tranio en Hortensio af.)
En maak haar kluchtig 't hof, zoodra zij komt.
Valt ze uit, dan zeg ik haar eenvoudig weg,
Dat zelfs de nachtegaal zoo mooi niet slaat;
En kijkt ze zwart, ik roem haar blikken, helder
Als morgenrozen, frisch met dauw gedrenkt;
En is ze stom en spreekt ze zelfs geen woord,
Dan roem ik luid de radheid van haar tong
En zeg, dat zulk een taal de ziel beweegt;
En roept ze: "Pak u weg!" dan dank ik haar,
Als had ze mij een week bij zich genood;
Verwerpt zij de' echt, dan vraag ik haar, wanneer
Zij de geboden en het huw'lijk wil;--
Daar komt ze;--nu, Petruccio, doe uw woord!
(Katharina komt op.)
Goê morgen, Kaatje, want zoo heet ge, hoor ik.
KATHARINA. Gij hoordet wel, maar toch niet naar behooren;
Wie van mij spreekt, die noemt mij Katharina.
PETRUCCIO. Onwaar, onwaar; men noemt u kortweg Kaatje,
En mooie Kaat, en soms ook korz'le Kaat;
Maar Kaatje, liefste Kaatje in 't christendom,
Kaatje van Kaatjesstein, mijn poez'lig Kaatje,--
Wat Kaatje heet is poez'lig--daarom Kaatje,
Verneem van mij nu, Kaatje, gij mijn troost,
Ik hoorde alom uw lieve zachtheid prijzen,
Uw deugden noemen, en uw schoonheid roemen,--
Schoon niet zoo luide als gij verdient,--en dit
Heeft me aangezet om naar uw hand te staan.
KATHARINA. Zoo? aangezet? Die u heeft aangezet,
Zette u weer weg! 'k Zag daad'lijk, dat gij plooibaar
En wel verzetbaar waart.
PETRUCCIO. Plooi- en verzetbaar?
KATHARINA. Zooals een vouwstoel, ja.
PETRUCCIO. Goed, zet u hier.
KATHARINA. Juist, ezels moeten dragen, waarom gij niet?
PETRUCCIO. Juist, vrouwen moeten dragen, waarom gij niet?
KATHARINA. Dacht gij me een knol, dat ik u dragen zou?
PETRUCCIO. 'k Zal u geen last, misschien wel lastig zijn;
Want Kaatje, ik weet, ge zijt zoo jong, zoo lucht,--
KATHARINA. Te lucht, dan dat een boer mij vangen zou;
Toch niet te licht; ik wil geen last er bij.
PETRUCCIO. 'k Geloof het wel; de laster zwermt als bij
Vaak om u heen; gij kent zijn steek te wel.
KATHARINA. Ik ducht dien niet; veeleer moog hij mij duchten.
PETRUCCIO. Dan zijt ge een wesp, en waarlijk al te fel.
KATHARINA. Ben ik zoo wespig, ducht mijn angel dan.
PETRUCCIO. Die doet mij niets; ik ruk hem daad'lijk uit.
KATHARINA. Ja, als een stumperd wist, waar die wel zit.
PETRUCCIO. Wie weet niet, waar een wesp haar angel draagt?
Ik vang de wesp, en moog ze ook tegenspart'len,
Ze raakt haar angel kwijt.
KATHARINA. Haar tong?
PETRUCCIO. Haar nagels eer, die knipt de man, die u,
Wild Kaatje, vangt, wel af.
(Katharina wendt zich om tot heengaan. Petruccio houdt haar vast.)
Lief Kaatje, blijf;
Ik ben een edelman.
KATHARINA. Dat wil ik zien.
(Zij slaat zijn handen weg.)
PETRUCCIO (grijpt haar handen vast). Bij God, ik klop u, waagt gij
't weer, te slaan.
KATHARINA. Dan raakt ge uw wapen kwijt.
Want die een vrouw slaat, is geen edelman;
Geen edelman, geen wapen.
PETRUCCIO. Wat, lief Kaatje!
Gij wapenkoning? Zet mij in uw stamboek!
KATHARINA. Wat is 't blazoen? Een jonge haan, die koning
Wil kraaien, maar 't niet kan? Of is 't een zotskap?
PETRUCCIO. Een haan, die kraait, als Kaat mijn hen wil zijn.
KATHARINA. Geen haan voor mij; gij kraait nog als een kuiken.
PETRUCCIO. Neen, Kaatje, kom, zet niet zoo'n zuur gezicht.
KATHARINA. Zoo doe ik steeds, bij 't zien van onrijp ooft.
PETRUCCIO. Hier is geen onrijp ooft; zie dus niet zuur.
KATHARINA. Het is er wel.
PETRUCCIO. Vertoon 't mij dan!
KATHARINA. Had ik
Een spiegel, 'k deed het.
PETRUCCIO. Wat? Bedoelt gij mij?
KATHARINA. Wel knap bedacht voor een, die pas komt kijken.
PETRUCCIO. Ja, bij Sint Joris, 'k ben te jong voor u.
KATHARINA. En toch verwelkt!
PETRUCCIO. Van kwelling.
KATHARINA. 't Kwelt mij niet.
(Zij wil heengaan.)
PETRUCCIO. Neen, Kaatje, hoor mij; zoo ontsnapt gij niet.
KATHARINA. Mijn blijven zou u erg'ren; laat mij gaan.
PETRUCCIO. Volstrekt niet; 'k vind u allerliefst. Men had
U mij geschetst als schuw en ruw en geem'lijk;
En nu vind ik 't Gerucht een lastertong,
Want gij zijt vroolijk, geestig, allerhoflijkst;
Wat stil, maar lieflijk als een lentebloem;
Gij fronst het voorhoofd niet, ge kijkt niet donker,
Bijt niet, zooals een feeks doet, op de lip;
Gij hebt geen lust in vinnig tegenspreken,
Maar uw aanbidders boeit gij allerliefst
Met vriend'lijk, zacht, vertrouwelijk gesprek.
Hoe komt men aan 't verhaal, dat Kaatje hinkt?
De wereld liegt, want Kaatje is slank en recht
Gelijk een hazeltak, ze is bruin van haar,
Gelijk een hazelnoot, en zoeter dan haar kern;--
O loop eens op;--neen, hinken doet ge niet.
KATHARINA. Loop, dwaas, en geef uw orders aan uw knechts.
PETRUCCIO. Verheerlijkte ooit Diana zoo het woud,
Als Kaatje's vorstelijke gang deez' zaal?
Wees gij Diaan, en laat haar Kaatje zijn;
En dan zij Kaatje koud, Diana dartel.
KATHARINA. Waar hebt gij al dien schoonen praat geleerd?
PETRUCCIO. Het is voor 't vuistje, geest van moederswege.
KATHARINA. Een geestrijk moeder en zoo'n geestloos zoon!
PETRUCCIO. Heb ik geen geest?
KATHARINA. Nu, houd dien geest maar warm.
PETRUCCIO. Ja, lieve Katharina, in uw arm;
En 'k zet daarom deez' praatjes aan een kant,
En zeg u kort en goed: uw vader stond
Mij 't aanzoek toe; de bruidsschat is bepaald;
En, of gij 't wilt of niet, gij wordt mijn vrouw.
Hoor, Kaatje, ik ben de rechte man voor u;
En bij dit licht, dat op uw schoonheid straalt,--
Uw schoonheid, die voorwaar me in liefde ontgloeit,--
Verlang niet naar een and'ren man dan mij;
Want, Kaatje, ik ben de man om u te temmen,
En uit een wilde kat een lief tam Kaatje
Te maken, als een lief en huis'lijk katje.
Daar komt uw vader aan; neen, weiger niet;
Ik moet en zal Kath'rina tot mijn vrouw.
(Battista, Gremio en Tranio komen weder op.)
BATTISTA. Hoe is 't, signor Petruccio, u vergaan
Bij mijne dochter?
PETRUCCIO. Wel, zeer goed, zeer goed;
Hoe kon het anders zijn? Dacht gij van neen?
BATTISTA. Hoe, dochter Katharina, nog steeds knorrig?
KATHARINA. Noemt gij mij dochter? Nu, 'k verzeker u,
Gij hebt mij teed're vaderzorg getoond,
Door aan een halfgek mensch mij toe te zeggen,
Een dollen zotskap, een hansworst, die vloekt,
En met zijn vloeken waant zijn zaak te winnen.
PETRUCCIO. Hoor, vader, hoe het staat:--gijzelf en ieder,
Die van haar sprak, deedt steeds haar onrecht aan;
't Is politiek, als zij zich korzel toont;
Zij is niet dwars, maar als een duif zoo zacht,
Geen heethoofd, maar gelijk de morgen frisch;
Griseldis streeft zij in geduld op zij,
In kuischheid Rome's roem, Lucretia.
Dus kort en goed,--wij kwamen overeen:
Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn.
KATHARINA. Eer wil ik op dien Zondag u zien hangen.
GREMIO. Petruccio, hoor, zij wil u eer zien hangen.
TRANIO. Verging 't u zoo?--Vaarwel dan onze kans!
PETRUCCIO. Stil, heeren, stil; ik koos haar voor mijzelf;
't Gaat u niet aan, als 't haar en mij zoo wel is.
Wij kwamen met ons tweeën overeen,
Dat zij voor 't oog der wereld boos zou blijven;
Maar 'k zeg u, 't is onmoog'lijk te gelooven,
Hoe veel zij van mij houdt, dat liefste Kaatje!--
Zij hing mij om den hals; met kus op kus,
Met eed op eed heeft zij mij zoo getroefd,
Dat ze in een oogwenk hart en al mij won.
O, gij zijt nieuw'lingen! 't Is wonderbaar,
Hoe mak, zijn man en vrouw te zaam alleen,
Een lobbes zelfs de felste feeks kan maken;
Uw hand, mijn Kaatje; ik moet nu naar Venetië,
Om voor den trouwdag mij in 't pak te steken;--
Richt, vader, 't feest maar aan en vraag de gasten;
'k Voorspel, Kath'rina blijkt een schoone bruid.
BATTISTA. Ik sta verstomd, maar geeft mij beide' uw hand.
(Hij grijpt beider hand en legt de handen ineen; Katharina houdt het
gelaat afgewend, maar verzet zich niet.)
Petruccio, alle heil! gij zijt een paar.
GREMIO EN TRANIO. Wij zijn getuigen en wij zeggen amen.
PETRUCCIO. Bruid, vader, vrienden, thans vaarwel; ik moet
Nu naar Venetië; Zondag is nabij;--
Er moeten ringen, dingen, feestdos zijn;
Kom, kus mij, Kaatje; Zondag is 't festijn.
(Petruccio en Katharina naar verschillende kanten af.)
GREMIO. Werd ooit een echt zoo plotseling beklonken?
BATTISTA. Voorwaar, 'k doe als een koopman, die soms slaagt,
Als hij in eens dolzinnig alles waagt.
TRANIO. Hier zou de waar verliggen, nu zal ze u
Nog voordeel geven, of op zee vergaan.
BATTISTA. Het voordeel, dat ik zoek, is rust en vreê.
GREMIO. Geen twijfel, of de rust valt hem niet meê.--
Maar nu, Battista, van uw jongste dochter;
't Is nu de dag, zoo lang door ons verbeid.
Ik ben uw buur en vroeg het eerst haar hand.
TRANIO. Ik min Bianca meer, dan ooit de tong
Kan spreken, of het brein bevroedt.
GREMIO. Jong mensch,
Mij werd wis meer dan u het hart geboeid.
TRANIO. Grauwbaard, ùw min verkilt.
GREMIO. En de uwe schroeit.
Weg, spring-in-'t-veld! alleen wat rijp is voedt.
TRANIO. Het oog der vrouw vindt enkel jonkheid goed.
BATTISTA. Stil heeren! 'k maak aan dezen strijd een eind.
Dat daden spreken om den prijs te winnen;
En hij, die van u tweeën aan mijn dochter
Het grootste huw'lijksgoed verzeek'ren kan,
Die voer' de bruid naar huis.--
Signore Gremio, wat kent gij haar toe?
GREMIO. Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad:
't Is rijk voorzien van goud- en zilverwerk,
Waschbekken, kommen, voor haar fijne hand,
De wand alom met Turksch tapijt gedekt,
Mijn schat van kronen in ivoren koffers,
Vloerkleeden, fraaie spreien, welbewaard
In cederhouten kisten, bedbehangsels,
Troonhemels, Turksche kussens, rijk bezet
Met paarlen, dan gordijnen, geborduurd
Met gouddraad, werk van Venetiaansche kunst,
Fijn linnen, brons- en koperwerk en alles,
Wat in een deftig huis benoodigd is;
Dan heb ik op mijn hoeve een honderdtal
Melkkoeien, en vette ossen tien dozijn;
En al het oov'rige is zoo navenant.
Ik ben al wat op leeftijd, dit is waar;
Maar sterf ik morgen, al het mijne is 't hare,
Als zij slechts mijn wil zijn, zoolang ik leef.
TRANIO. Nu, dit "slechts mijn" was kost'lijk;--hoor thans mij!
'k Ben een'ge zoon en erfgenaam mijns vaders;
Schenkt gij uw dochter mij tot vrouw, dan zijn
Voor haar in 't rijke Pisa drie, vier huizen,
Zoo goed als hier in Padua de oude Gremio
Er een maar toonen kan, dan nog tweeduizend
Dukaten jaarlijksche opbrengst van de hoeven
Met vruchtbaar land; dit wordt op haar gezet.--
Nu, signor Gremio, zit gij niet in 't nauw?
GREMIO. Tweeduizend stuks dukaten 's jaars van land!
Zooveel brengt al mijn land mij saam niet op;
Doch 't is voor haar; daarbij een koopvaardijschip,
Dat bij Marseille nu ter reede ligt;--
Nu, sloeg ik u daar met dit handelsschip?
TRANIO. Mijn vader, Gremio, heeft,--men weet het,--drie
Koopvaarders, dan nog twee galjoten en
Nog twaalf galeiën; 't wordt haar toegekend;
En wat ge ook biedt, ik bied haar tweemaal meer.
GREMIO. Neen, 'k bood reeds alles aan; ik heb niet meer;
En meer dan 'k heb, kan ik haar toch niet bieden;--
Verkiest ge mij, dan is al 't mijne aan haar.
TRANIO. Dan is, naar uw belofte, 't meisje mijn,
En buiten kijf; 'k heb Gremio getroefd.
BATTISTA. Ja, ik erken, dat gij het meeste biedt;
En als uw vader zekerheid wil geven,
Dan is zij u: zoo niet, verschoon mij dan;
Stierft gij voor hem, waar bleef haar huwlijksgift?
TRANIO. Geen uitvlucht! hij is oud en ik ben jong.
GREMIO. De menschen sterven jong, zoowel als oud.
BATTISTA. Hoort, heeren, mijn besluit.
Gij weet nu, dat mijn dochter Katharina
Aanstaanden Zondag trouwen gaat; den Zondag
Die volgt, vier' dan Bianca haar verloving,
Zoo gij mij zekerheid verschaft, met ù;
Zoo niet, met Signor Gremio;
Vaart beiden wel thans, en aanvaardt mijn dank.
(Battista af.)
GREMIO. Dag, buurman!--Knaap, ik ben niet bang; uw vader
Waar' stapelgek, als hij u alles gaf,
En daardoor, oud en zwak, bij u de voeten
Moest steken onder tafel. Dwaas gekal!
Een oude rot loopt zoo niet in den val.
(Gremio af.)
TRANIO. Vervloekt uw listig, geel en rimp'lig bakhuis!
Maar 'k nam uw harteboer toch met een tien.--
Nu komt het er op aan, mijn heer te helpen.--
Het eenigst is, dat Schijn-Lucentio zorgt
Een vader Schijn-Vincentio te verkrijgen;
Een vreemd geval; 't is meest de taak van vaders
Zich kind'ren te verwekken; bij deze vrijerij
Verwekt het kind een vader; o slimheid, sta mij bij!
(Tranio af.)