VOORREDE,

waaruit blijkt, dat ondanks hun namen, die in OS en IS eindigen, de

helden der geschiedenis, welke wij de eer zullen hebben onzen

lezers te verhalen, volstrekt niet van Griekschen oorsprong zijn.

_Ongeveer een jaar geleden, in de Koninklijke Bibliotheek eenige

nazoekingen doende voor mijn geschiedenis van Lodewijk XIV, kwamen mij

toevallig de_ Gedenkschriften van den Heer d’Artagnan _in handen, welk

werk--zooals de meeste van dien tijd, toen de schrijvers, wilden zij aan

de waarheid getrouw blijven, voor een langer of korter verblijf in de

Bastille te vreezen hadden--te_ Amsterdam _bij Pierre Rouge gedrukt was.

De titel bekoorde mij; ik nam daarom het boek mede naar huis; wel te

verstaan, na hiertoe het verlof van den bewaker verkregen te hebben; en

ik doorbladerde het gretig.--Het is mijn voornemen niet, dit merkwaardig

werk in deze bladen te ontwikkelen, en ik bepaal mij dus alleen,

diegenen mijner lezers er naar te verwijzen, welke geschiedkundige

tafereelen op hun waarde schatten. Dezen zullen er verschillende,

meesterlijk geschetste portretten in aantreffen, en, hoezeer die

omtrekken zich vaak op deuren van kazernen en muren van kroegen

vertoonen, zijn zij even goed gelijkend, als in de geschiedenis van den

heer Anquetil de portretten van Lodewijk XIII, van Anna van Oostenrijk,

van Richelieu, van Mazarin en van de meeste hofpersonages van dat

tijdvak te herkennen zijn. Maar men weet, dat niet altijd datgene, wat

den geest des dichters ontvlamt, op het grootste gedeelte der lezers

eenigen indruk maakt. Derhalve, hoezeer vol bewondering voor de

bijzonderheden, van welke wij spraken, die anderen ongetwijfeld ook

zullen bewonderen, is datgene, wat ons thans het meest bezighoudt, iets

waarop zeker niemand voor ons zijn aandacht heeft gevestigd.--D’Artagnan

verhaalt, dat, toen hij voor het eerst den heer de Tréville, kapitein

der musketiers des konings bezocht, hij in zijn voorkamer drie

jongelieden ontmoette, die bij het vermaard korps stonden, waarin hij

verzocht te worden ingelijfd; zij heetten_: Athos, Porthos _en_

Aramis.--_Wij bekennen, dat deze drie vreemde namen onze

nieuwsgierigheid wekten; wij vermeenden die slechts voor bijnamen te

mogen houden, onder welke d’Artagnan misschien zeer voorname personages

heeft willen aanduiden; althans, indien zij, die deze geleende namen

droegen, die niet zelven hadden aangenomen op een oogenblik, dat zij,

tengevolge eener gril, uit ontevredenheid of gebrek aan een toereikend

vermogen, het eenvoudige musketiersbuis aannamen._

_Wij gunden ons van dat oogenblik geen rust meer, totdat wij eindelijk

in de werken van dien tijd eenig spoor dier zeldzame, onze

nieuwsgierigheid zoo prikkelende namen vonden. Alleen de cataloog der

boeken, dien wij doorbladerden, om dat doel te bereiken, zou een lijvig

boekdeel beslaan; iets wel is waar zeer leerzaams, doch zeker niet

vermakelijk voor de meesten onzer lezers. Wij bepalen ons dus te zeggen,

dat, toen wij geheel ontmoedigd over onze vruchtelooze nasporingen, er

van wilden afzien, wij eindelijk, door den goeden raad van onzen

beroemden en geleerden vriend Paulin Paris voorgelicht, een handschrift

in_ folio _vonden, onder nummer 4772 of 4773--nauwkeurig herinneren wij

ons dat niet meer--dat tot titel had:_

Gedenkschriften van den graaf de la Fère, nopens eenige gebeurtenissen,

die in Frankrijk tegen het einde der regeering van Lodewijk XIII en het

begin der regeering van Lodewijk XIV voorgevallen zijn.--_Men verbeelde

zich onze blijdschap, toen wij dat handschrift, onze laatste hoop,

doorzochten en op de twintigste bladzijde den naam van Athos, op de

zeven en twintigste den naam van Porthos, en op de een en dertigste dien

van Aramis vonden._

_De ontdekking van een geheel onbekend handschrift in dezen tijd, nu de

geschiedkunde tot een zoo hoogen trap van volmaaktheid is gebracht,

scheen ons een mirakuleuze vondst. Ook haastten wij ons de vergunning te

vragen, het in druk uit te geven, met het doel ons den een of anderen

dag, met het werk van een ander, aan de akademie van letterkunde voor te

stellen, indien, hetgeen zeer waarschijnlijk is, met ons eigen werk de

Fransche Akademie voor ons gesloten bleef._

_Dat verlof, wij moeten het bekennen, werd ons goedgunstig verleend, en

hiervan maken wij gewag, om de kwalijkgezinden openlijk te

logenstraffen, die voorgeven, dat wij onder een Gouvernement leven, dat

ten aanzien van letterkundigen niet zeer welgezind zou zijn._

_Van dit belangrijke Manuscript bieden wij thans onzen lezers het eerste

gedeelte aan, het den titel gevende, die er aan toekomt, terwijl wij ons

verbinden, ingeval dit gedeelte--waaraan wij niet twijfelen--de

verdiende bijval te beurt valt, onmiddellijk het tweede uit te geven.

Intusschen verzoeken wij onzen lezers, dewijl de peet een tweede vader

is, ons er van te beschuldigen, en niet den graaf de la Fère, indien zij

vermaak of verveling ondervinden. Dit overeengekomen zijnde, gaan wij

tot onze geschiedenis over._

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 7 / 93 题