LUCHTVERKEER TUSSCHEN NEDERLAND EN INDIË

Stond voor het Comité Vliegtocht Nederland-Indië het maken van

propaganda voor en studie van luchtlijnen in de Oost op den voorgrond,

ook aan de mogelijkheid van eene luchtverbinding tusschen Holland en

Indië werd gedacht, zij het ook in een verdere toekomst.

Het Comité hield en houdt zich steeds voor oogen, dat het ontwikkelen

van luchtverkeer in Nederland en luchtverkeer in de Oost de beste wijze

is, waarop wij thans een latere luchtlijn naar de Oost kunnen

voorbereiden. Wie een brug wil slaan, begint met de pijlers te bouwen.

Ofschoon de technische en financieele moeilijkheden het onmogelijk

maken, reeds nu aan het stichten van een luchtlijn naar Indië te

beginnen, is het toch wel van belang, de gedachte een oogenblik te

bepalen bij de mogelijkheid van die verbinding, nu het eerste

Hollandsche vliegtuig de reis van Amsterdam naar Batavia heeft

volbracht, en daarmede de oogen van het publiek voor de principieele

mogelijkheid van die lijn heeft geopend.

Dikwijls wordt de opmerking gemaakt, dat de luchtweg naar Indië over

zooveel buitenlandsche luchthavens voert, dat wij te zeer afhankelijk

zouden zijn van vreemde mogendheden, om die luchtlijn te organiseeren.

Dit moge ten deele waar zijn, doch men vergete niet, dat het volstrekt

niet noodig is, die luchtlijn uitsluitend door eene Hollandsche

maatschappij te laten exploiteeren. Er is toch geen sprake van, dat een

zelfde vliegtuig van Amsterdam naar Batavia zou doorvliegen; een

vliegtuig heeft onderhoud noodig, even goed als het personeel de

noodige rust niet kan ontberen, wil het behoorlijk „fit” blijven voor

zijn verantwoordelijke taak. Juist om een snelle verbinding te krijgen

zal in étappes moeten worden gewerkt, met aflossing van personeel en

materieel. Het is zeer wel mogelijk, dat deze étappes worden gevlogen

door vliegtuigen van verschillende mogendheden, welke aansluiting op

elkander geven. De langere luchtlijnen in Europa, zooals de lijn

Moskou–Londen, Moskou–Parijs en Parijs–Zweden worden reeds nu met

succes op deze wijze internationaal geëxploiteerd. Bovendien moet men

niet vergeten, dat in de groote luchthavens van Europa, zooals Londen,

Parijs en Amsterdam vliegtuigen van allerlei nationaliteit landen en

starten. Hoezeer de groote mogendheden ieder voor zich hun eigen

luchtvaart door zware subsidie en andere middelen steunen, en zich

zoodoende den voorrang op luchtvaartgebied trachten te veroveren, toch

wordt vrijwel algemeen het principe aanvaard, dat een luchthaven open

moet staan voor luchtvaartuigen van iedere nationaliteit, even goed als

de zeehaven gastvrijheid verleent aan schepen van iedere vlag.

Onze mailbooten moeten op weg naar Indië in verschillende vreemde

havens bunkeren, en onze vrachtbooten zwerven maanden lang in vreemde

landen van haven tot haven rond, en hoe groot de internationale naijver

op scheepvaartgebied ook zij, men voelt algemeen, dat het sluiten van

havens een ongezonde politiek zou zijn, om aan dezen naijver gevolg te

geven.

Maken financieele en technische bezwaren het wenschelijk voor Nederland

in den beginne van den luchtweg naar Indië alleen de beide uiteinden te

exploiteeren, welke aansluiten bij de luchthavens van Holland en de

Oost, in principe is het volstrekt niet onmogelijk, steeds grootere

deelen van dien luchtweg door Hollandsche toestellen te laten afleggen

en wellicht later het pad, door de H-NACC geopend, geheel op eigen

beenen te bewandelen.

Nogmaals stellen wij echter op den voorgrond, dat het zeer zeker

wenschelijk en mogelijk is, te beginnen met aansluiting van

verschillende luchtlijnen onder verschillende vlag. Wanneer dan ook in

de volgende bladzijden de mogelijkheden van de luchtverbinding met

Indië onder het oog worden gezien, zal de gedachte van dergelijke

internationale aansluiting op den voorgrond staan.

Het vervoer tusschen Nederland en Indië omvat passagiers, goederen en

post. Welk deel hiervan zou een geschikt object vormen voor het

vliegtuig?

Er bestaat zeer zeker behoefte aan eene snellere passagiersverbinding.

Het maken van een zakenreis naar Indië is op het oogenblik moeilijk

door den langen tijd, die er mede gemoeid is. Juist zij, die door den

aard van hun handelsbelangen en door hun financieele draagkracht voor

zulk een zakenreis in aanmerking komen, kunnen het zich dikwijls niet

veroorloven voor de reis heen en terug alleen twee maanden te besteden.

Verder komt het tamelijk veel voor dat ziekte, familie-omstandigheden

enz. de behoefte aan een snellere verbinding doen gevoelen. Toch zal

voorloopig passagiersvervoer niet het eerste doel moeten zijn van het

luchtverkeer naar Indië. Juist op zulk een lange reis eischen

passagiers meer comfort dan het tegenwoordige vliegtuig kan bieden, en

juist de passagiers-accommodatie (eetgelegenheid, couchettes, bagage

enz.) maakt het noodig in het vliegtuig een aanzienlijke hoeveelheid

doodgewicht mee te voeren. Hierdoor wordt het aantal vervoerbare

passagiers weer kleiner, en eene economische exploitatie moeilijk.

Evenzoo zal vrachtvervoer geen factor van beteekenis kunnen vormen.

Gewicht en omvang van vrachtgoederen zijn in den regel te groot naar

verhouding van de waarde en de behoefte aan een snellen overtocht

spreekt hierbij te weinig om een zoo kostbare wijze van vervoer te

wettigen. Op kleine schaal zullen misschien pakketten van waarde,

monsterzendingen en dergelijke per vliegtuig worden vervoerd, doch het

zal voorloopig bijzaak blijven.

Het postvervoer daarentegen zal door de luchtvaart aanzienlijk kunnen

worden gebaat. Enorme hoeveelheden brieven worden iedere week met de

boot tusschen Nederland en Indië vervoerd. Een brief doet over deze

reis echter niet minder dan vier weken, en het gevolg is, dat zoowel de

regeering als de handel groote sommen aan telegrammen uitgeven. Er zijn

natuurlijk berichten, die bepaald binnen een dag over moeten komen, en

hiervoor zal de telegraaf het aangewezen middel blijven; in vele

gevallen is echter een zoo snelle berichtgeving niet noodig en wordt

meer uitvoerigheid gewenscht, dan het dure telegram toelaat, terwijl

toch de reistijd van vier weken te lang is. Voor dergelijke gevallen

zou het vliegtuig een zeer gewenschte tijdsbesparing geven. Op beperkte

schaal zouden ook couranten en andere drukwerken met de luchtpost

kunnen worden overgebracht.

De H-NACC gebruikte voor de reis Amsterdam–Batavia 127 vlieguren. Het

was een betrekkelijk langzaam toestel, meer speciaal voor

passagiersvervoer ingericht. Voor postvervoer zou men lichtere,

snellere toestellen kunnen gebruiken, en zoo kan men voor de reis

Amsterdam–Batavia een gemiddelde van 120 uur aannemen. Wanneer de

luchtroute eenmaal behoorlijk is georganiseerd, zoodat op de meest

gunstige plaatsen vliegvelden gelegen zijn, en wanneer in étappes wordt

gevlogen, waarbij toestellen en personeel elkander aflossen, kan

gemakkelijk acht uur per dag worden gevlogen. De F VII maakte een

daggemiddelde van ruim zes uur. Zoo zou de heele reis in vijftien dagen

kunnen worden gemaakt, hetgeen voor de post de belangrijke

tijdsbesparing van 50 % beteekent. Wanneer men snellere toestellen

gebruikt en ook een gedeelte van den nacht vliegt, is het mogelijk, de

vlucht in ongeveer een week te maken, en 75 % tijdsbesparing te

bereiken. Vliegen bij nacht is geenszins onmogelijk. In den oorlog is

het reeds op groote schaal toegepast, en ook de Amerikaansche

luchtpostdienst van New York naar San Francisco vliegt des nachts door,

terwijl men in Europa bij het burgerluchtverkeer proeven in die

richting neemt. Het vliegveld Rotterdam is reeds voorzien van een

krachtigen vuurtoren en een zeer moderne verlichtingsinstallatie voor

nachtlandingen. De eenige reden, waarom in het luchtverkeer nog niet

geregeld des nachts wordt gevlogen, is de risico van eene noodlanding

in het duister, doch het lijdt geen twijfel, dat meer en meer de

moeilijkheden zullen worden overwonnen, en het luchtverkeer even goed

als de scheepvaart en de spoorwegen op den duur des nachts zal

doorgaan. Om de reis van Amsterdam naar Batavia in een week tijds te

maken, is het niet eens noodig, den geheelen nacht door te vliegen.

Wanneer men zestien uur per dag vliegt, en dus eenige uren vóór

zonsopgang vertrekt om eenige uren na zonsondergang te landen, is men

in zeven en een halven dag over. Zoodoende wordt er gedurende acht uren

van den nacht niet gevlogen. De weersgesteldheid, die op een groot deel

van den luchtweg naar Indië heerscht, begunstigt het vliegen bij nacht.

Wij herhalen, dat voor dergelijke snelle luchtreizen geregelde

aflossing van toestellen en vliegers noodig is.

Het is niet mogelijk, en ook niet noodig, hier begrootingen te geven

voor eene dergelijke luchtverbinding. Wanneer men echter nagaat,

hoeveel een vliegtuig per uur moet opbrengen, om zijn eigen kosten en

die van de grond-organisatie goed te maken, hoeveel uren de vlucht van

Amsterdam naar Batavia in beslag neemt, en hoeveel brieven één

vliegtuig kan meevoeren, dan kan men zich eenigszins eene voorstelling

maken van het bedrag van de extra port, die voor de luchtpost moet

worden geheven, een bedrag, dat niet ongeëvenredigd hoog zou zijn,

vergeleken met de tijdsbesparing, die het vliegtuig biedt.

Wij zeiden reeds meermalen, dat het op het oogenblik boven de

financieele krachten van Nederland en Indië zou gaan, om deze lijn

zelfstandig te exploiteeren, terwijl er misschien ook politieke

moeilijkheden zouden rijzen. Een andere vraag is echter, of het niet

mogelijk zou zijn, een toekomstig Nederlandsch-Indisch luchtverkeer aan

te sluiten bij luchtlijnen van andere mogendheden en zoodoende stap

voor stap tot de gewenschte luchtverbindingen te komen. Op bijgaande

kaart zijn aangegeven de luchtverbindingen, die op den luchtweg naar

Indië reeds bestaan, en die, waarvoor op het oogenblik plannen worden

gemaakt.

De luchtlijn Amsterdam–Parijs wordt door de K. L. M. geëxploiteerd. Van

Parijs af bestaat reeds een Fransche lijn naar Angora. De Engelschen

hebben een luchtpostlijn van Caïro naar Baghdad, en het plan wordt

gemaakt, Mesopotamië door een luchtlijn langs de Perzische kust met

Voor-Indië te verbinden. De Engelsche Minister voor Luchtvaart heeft op

de supplementaire begrooting voor Luchtvaart reeds een post

uitgetrokken voor een luchtlijn van Egypte naar Karachi. Verder bestaan

er Engelsche plannen voor een luchtlijn van Calcutta naar Rangoon.

Wanneer deze plannen tot uitvoering komen, en in Nederlandsch-Indië

komt een luchtverkeer tot stand met Sabang als eindpunt, welke deelen

van den luchtweg naar Indië blijven dan nog over? In de eerste plaats

zou het gedeelte Angora–Baghdad er aan moeten worden toegevoegd. De

Franschen en Engelschen hebben op dit traject, dat ongeveer 1350

kilometer lang is, een behoorlijk aantal vliegvelden, voorzien van

hangars, draadlooze enz. zoodat geen groote technische moeilijkheden

aan het organiseeren van deze tusschenschakel in den weg staan.

In Vóór-Indië zou een luchtlijn Karachi–Calcutta moeten worden

tusschengevoegd; wanneer deze lijn dezelfde route zou volgen als de

H-NACC, zou zij gebruik kunnen maken van de vliegvelden van de R. A.

F., zoodat de grond-organisatie van dit traject, dat ongeveer 2800

kilometer lang is, weinig kosten en moeilijkheden zou meebrengen. Ten

slotte zou een Engelsche luchtlijn Calcutta–Rangoon met Sabang moeten

worden verbonden. Dit zou kunnen gebeuren met Hollandsche

watervliegtuigen, langs de kust van Burma met één of twee

tusschenlandingen, bij voorbeeld in Mergui. De afstand Sabang–Rangoon

bedraagt 1400 kilometer.

Zoo zien wij, dat wanneer de plannen voor plaatselijke lijnen, die

thans overwogen worden, doorgaan, van den ongeveer 16 000 kilometer

langen luchtweg naar Batavia nog slechts 5550 kilometer te exploiteeren

blijven. Hierbij dient nog te worden opgemerkt, dat, zoolang de

luchtlijn Karachi–Calcutta nog niet bestaat, de post over dit traject

voorloopig zou kunnen worden vervoerd langs den aldaar bestaanden

spoorweg. Wanneer men de zaak zoo beschouwt, blijkt de luchtverbinding

met Indië niet zulk een utopie te zijn, als men wel eens denkt.

De luchtverbinding met Indië zal ten deele met landvliegtuigen, ten

deele met watervliegtuigen moeten worden tot stand gebracht. Over

Europa, Klein-Azië en Mesopotamië zouden landvliegtuigen moeten worden

gebruikt. Vliegterreinen zijn op die geheele route aanwezig, ofschoon

sommige voor verbetering vatbaar zijn. Van Basra tot Karachi zullen

watervliegtuigen moeten worden gebruikt; de rivier bij Basra, de vele

natuurlijke havens en baaien langs de Perzische kust en de haven van

Karachi geven ruimschoots gelegenheid tot landing, terwijl ook reeds de

noodige draadlooze stations aanwezig zijn. Van Karachi tot Calcutta

zouden landvliegtuigen van de reeds aanwezige vliegvelden en verdere

grond-organisatie kunnen gebruikmaken, terwijl na Calcutta de

gevaarlijke terreinsgesteldheid eenerzijds en de aanwezigheid van

tallooze havens, baaien en riviermonden anderzijds het gebruik van

watervliegtuigen aanbevelenswaardig maken.

De technische eischen, waaraan zal moeten worden voldaan, voordat de

luchtverbinding met Indië zal kunnen worden verwezenlijkt, kunnen wij

in groote trekken als volgt samenvatten:

De Vliegtuigen. Er zal ten deele met watervliegtuigen, ten deele met

landvliegtuigen moeten worden gevlogen. De watervliegtuigen zullen

voldoende zeewaardig moeten zijn, en een behoorlijken betalenden last

moeten kunnen vervoeren bij een matig benzineverbruik. De

betrouwbaarheid van de motoren zal moeten worden opgevoerd; de

toestellen zullen voldoende bestand moeten zijn tegen de invloeden van

het klimaat en het zeewater. Voorloopig zal met éénmotorige

watervliegtuigen desnoods kunnen worden volstaan. De landvliegtuigen

zullen niet alleen economisch moeten zijn in het gebruik, doch groote

betrouwbaarheid is vooral een gebiedende eisch, aangezien dikwijls

groote afstanden over woestijnen en bergen zal moeten worden gevlogen,

waar een noodlanding ernstige gevolgen met zich zou slepen. Deze

betrouwbaarheid zal waarschijnlijk slechts kunnen worden verkregen door

eenerzijds de bedrijfszekerheid van de motoren op te voeren, anderzijds

de toestellen van meerdere motoren te voorzien, waarvan er één defect

kan raken, zonder dat het vliegtuig hierdoor tot eene noodlanding

gedwongen wordt. De zoo te verkrijgen betrouwbaarheid zal tevens het

vliegen bij zeer slecht weer en des nachts mogelijk maken. Zoowel de

water- als de landvliegtuigen zullen voldoende bedrijfsstoffen moeten

kunnen meevoeren, om een flinken nuttigen last over lange étappes

zonder tusschenlanding te vervoeren.

De Vliegvelden. Op de étappes, die met landvliegtuigen zullen moeten

worden gevlogen, zijn over het algemeen voldoende vliegvelden aanwezig.

Die van Constantinopel en Angora zullen verbeterd moeten worden, vooral

wat de uitrusting betreft. Op de route Karachi–Calcutta geldt hetzelfde

voor laatstgenoemde stad, terwijl de noodige aandacht zal moeten worden

besteed aan de drainage van alle terreinen op die étappe gedurende den

regentijd.

De étappe Baghdad–Karachi of Basra–Karachi zal met watervliegtuigen

moeten worden gevlogen, en aan de beide eindpunten zullen hiertoe

stations moeten worden ingericht. In Baghdad zal dit wellicht het beste

kunnen geschieden in aansluiting met het vliegveld voor

landvliegtuigen, dat reeds zeer goed is uitgerust, en vlak aan de

breede rivier ligt. Te Karachi bieden de groote havens voldoende

gelegenheid. Voor de tusschenlandingen zijn langs de kust zeer

geschikte baaien in voldoend aantal aanwezig. Van Calcutta af zullen

weer watervliegtuigen moeten worden gebruikt tot onze Oost toe. In

Calcutta biedt de rivier een goede gelegenheid voor landing en voor het

aanleggen van een basis. Te Rangoon is reeds een basis voor

watervliegtuigen in gebruik. De wijze van samenwerking tusschen

Engeland en Nederland op het gedeelte van de route van Rangoon naar de

Oost zal moeten bepalen, of Sabang dan wel Singapore hoofdstation

wordt. Beide havens zijn zeer geschikt voor het gebruik van

watervliegtuigen. Aan de mooie Sabang-baai is reeds een terrein

voorloopig aangewezen om een basis hiervoor te vestigen. Te Batavia en

Soerabaja bieden de havens en de aldaar aanwezige

marine-établissementen goede gelegenheid voor het vestigen van

vliegtuigstations.

Draadlooze. De samenwerking tusschen de vele reeds bestaande draadlooze

stations zal moeten worden georganiseerd. Slechts op enkele deelen van

de route, zooals in Klein-Azië, zal oprichting van nieuwe stations

noodig zijn. De bestaande kabelverbindingen zullen de draadlooze

dikwijls met vrucht kunnen aanvullen.

Weerberichtendienst. Ook hiervoor zal in de eerste plaats organisatie

van de samenwerking tusschen de vele bestaande meteorologische stations

noodig zijn, terwijl enkele nieuwe waarnemingsposten zullen moeten

worden opgericht, bij voorbeeld in den Taurus.

Uit dit overzichtje van de technische eischen moge blijken, dat deze

volstrekt niet boven menschelijke krachten gaan, en dat een groot deel

van het benoodigde op den luchtweg naar Indië reeds aanwezig is.

De kosten van de verdere organisatie zullen aanzienlijk zijn, doch

wanneer men ze vergelijkt met de millioenen, die noodig zijn voor den

bouw van een mailboot of een drijvend droogdok, voor den aanleg van een

zeehaven, voor de draadlooze verbinding Nederland-Indië, of voor den

aanleg van een spoorlijn, zullen zij misschien nog meevallen. De aanleg

van de spoor- en tramwegen op Sumatra heeft 45 000 tot 134 000 gulden

per strekkenden Kilometer gekost!

Behalve de hierboven genoemde plannen voor koloniale luchtlijnen

verdient een ander plan, waaraan in Engeland zeer hard wordt gewerkt,

onze aandacht. Wij bedoelen, de verbinding van de deelen van het

Britsche rijk met luchtschepen. Deze luchtlijn zal moeten loopen van

Engeland over Egypte, Mesopotamië, Voor-Indië en Singapore naar

Australië. In Engeland is de „Airship Guarantee Company” te Howden

bezig een luchtschip voor dit doel te bouwen, de R 100, en men

verwacht, dat dit luchtschip 140 passagiers met een snelheid van

ongeveer 110 kilometer per uur over afstanden van meer dan 5000

kilometer zonder tusschenlanding zal kunnen vervoeren, en Australië

binnen een week zal kunnen bereiken. Tevens bouwt het Engelsche Air

Ministry een ander luchtschip, de R 101, te Cardington. De bedoeling

is, met beide luchtschepen proeftochten naar Indië, Australië en Nieuw

Zeeland te ondernemen, volgens de routes, aangegeven op bijgaand

kaartje. De bestaande luchtschepen R 33 en R 36 worden weer in de vaart

gebracht voor experimenteel werk op kortere afstanden; een en ander is

bedoeld als voorstudie voor de plannen voor een luchtschiplijn, die

Engeland met Indië en Australië zal verbinden.

Wanneer deze plannen doorgaan, zou de post van Europa tot Singapore per

luchtschip kunnen reizen, en de post voor Nederlandsch-Indië zou aldaar

door Hollandsche vliegtuigen kunnen worden overgenomen, en in een week

tijds de reis Amsterdam–Batavia kunnen maken.

Uit het bovenstaande moge blijken, dat een luchtverbinding van Europa

met het verre Oosten niet meer tot het gebied van hersenschimmen en

luchtkasteelen behoort en dat voor Nederland met zijn uitgebreide

bezittingen in Indië de tijd gekomen is, de organisatie van luchtlijnen

aldaar krachtig ter hand te nemen, wanneer het in het

wereld-luchtverkeer niet door andere rijken wil worden overvleugeld,

doch de plaats innemen, waar het recht op heeft. Dit recht ontleent ons

Vaderland aan zijn roemrijk verleden en heden op het gebied van de

scheepvaart, aan de eervolle plaats, die het in het luchtverkeer en in

de vliegtuigindustrie inneemt, en aan de geografische ligging en

economische beteekenis van den Oost-Indischen Archipel.

Wanneer de vlucht Amsterdam–Batavia van de H-NACC zal blijken, mede een

stoot in deze richting te hebben gegeven, dan zullen de moeite en

kosten, aan deze onderneming besteed, niet vergeefsch zijn geweest.

Door de lucht naar Indië · 第 33 / 38 题