De start uit Sengora was op het kantje af. Zooals reeds gezegd is, was
het vliegveld slechts drie honderd meter lang en zeer mul. Ons toestel
had in Europa reeds ongeveer drie honderd meter voor den aanloop
noodig; wij hadden er het extra gewicht van Kengen bijgekregen, en het
was warm en bladstil; wat wij, vliegers, noemen „slecht stijgweer”.
Wij zochten zorgvuldig het minst mulle gedeelte van het vliegveldje
uit, en plaatsten een vlag om ons bij den start de goede richting aan
te geven. Gelukkig werd het terrein begrensd door een stukje vlak land,
dat wel hobbelig en hier en daar met struiken bezet was, maar waar ons
toch geen hooge hindernissen in den weg stonden. Wij zetten het toestel
zoo dicht mogelijk bij den rand van het terrein, en gaven vol gas.
Langzaam begon het zware vliegtuig door het mulle zand te rollen. Wij
hielden het zoo lang mogelijk op den grond, om snelheid te krijgen, en
vlak bij den rand van het veld gaven wij een ruk aan het hoogteroer.
Traag gingen de zware wielen van den grond; nog twee maal zakte het
toestel door en raakte het met de dikke banden het hobbelige,
gevaarlijke terrein buiten het vliegveld; toen bleef het gelukkig in de
lucht, en wij konden geleidelijk snelheid maken en stijgen. Wij maakten
een flauwe bocht naar rechts om heuvels en boomen te ontwijken, en
zochten de ruimte boven de kalme, diep-blauwe zee. Daar klommen wij tot
de noodige hoogte, en met een draai gingen wij nog eenmaal over het
vliegveldje, om daarna pal Zuid te koersen.
Wij verlaten nu de Oostkust van Malakka om de Westkust op te zoeken.
Tusschen de wolken door volgen wij een laag dal, met bergen aan beide
zijden. Het duurt niet lang, of wij zien de Straat van Malakka vóór
ons. De kust, die wij verder volgen, is laag en boschrijk. Hier en daar
zien wij ondernemingen, waar hooge palmboomen als stukjes speelgoed
netjes op rijen staan.
Boven Penang beschrijven wij een cirkel; talrijke groote stoombooten
liggen in de mooie haven, en velen fluiten ons een groet toe. Dan gaat
het weer verder de kust langs; in de verte zien wij een rotsachtig
voorgebergte in zee uitsteken. Het is Tanjung Hantu, de kaap, die wij
hebben uitgekozen, om van daar uit de straat over te steken.
Dicht bij den voet van de rotsen is vanuit de verte een stipje op het
water zichtbaar. Het wordt grooter en grooter, en als wij nader komen,
blijkt het een sierlijk, wit stoombootje te zijn, met een groote
rood-wit-blauwe vlag over het zonnedek uitgespreid. Het is het
Gouvernements-opnemingsvaartuig „Orion”, dat door het Gouvernement op
die afgesproken plaats is neergelegd, om achter ons aan te stoomen en
ingeval van noodlanding hulp te verleenen. Het is een heerlijk gezicht
voor ons, om na die lange reis de Nederlandsche vlag voor het eerst
weer op Nederlandschen bodem—al is het dan een drijvende bodem—te zien.
Wij weten ons nu weer binnen de sfeer van onze eigen landgenooten, en
krijgen een gevoel, alsof wij ons doel al half en half hebben bereikt.
Wij schieten een groenen lichtkogel af als groet, en gaan in een groote
spiraal naar beneden, om vlak over het blauwe water langs het scheepje
heen te vliegen, zoodat wij de bemanning op het dek kunnen toewuiven.
En dan beginnen wij welgemoed de vlucht over de zee, die ons van
Sumatra scheidt.
In de verte steekt een dichtbegroeide rotsklomp uit het water omhoog;
het is Poeloe Jarak, het eerste eilandje, dat ons bij de overtocht als
oriëntatie-punt dient. In de buurt daarvan vonden wij opnieuw een
bewijs van de zorgen van het Nederlandsch-Indische Gouvernement; twee
kleine zwarte stipjes werden in de lucht zichtbaar; naderbij gekomen,
bleken het twee watervliegtuigen van de marine te zijn, die ons verder
over de straat van Malakka escorteerden. Nog wat verder, bij het tweede
eilandje, Poeloe Berhala, zagen wij de „Pelikaan” van de Koninklijke
Marine liggen. Het is een moederschip voor onderzee-booten en
vliegtuigen, en van dit schip af waren de beide watervliegtuigen, die
ons vergezelden, te water gelaten.
En toen duurde het niet lang meer, of wij bereikten de kust van
Sumatra, en over de vele ondernemingen van Deli ging het naar Medan.
Wij cirkelden boven de stad, boven het paleis van den Sultan van Deli
en boven de koepels van de „Missigit”, en daarna koersten wij naar de
renbaan.
Met medewerking van de Deli-Maatschappij was bij Medan een groot
vliegveld aangelegd. Doordat wij echter in Philippopel een maand
oponthoud gehad hadden, was bij onze aankomst de regentijd al
ingevallen en het vliegveld was daardoor drassig en onbruikbaar
geworden. In allerijl had men de renbaan voor de landing gereedgemaakt.
Deze was zes honderd meter lang, doch slechts veertig meter breed;
gelukkig was er geen wind, zoodat wij bij de landing het breede toestel
zonder moeite binnen het smalle baantje konden houden. Wij beschrijven
nog een paar cirkels, en vlak voor de dicht-opeen gepakte, juichende
menigte op de tribune raken de wielen van de H-NACC den
Nederlandsch-Indischen bodem!
De bevolking van Medan en van heel Deli was samen gestroomd. Draadlooze
telegrammen van Penang en van de schepen, en een schitterend
georganiseerde telefoonberichtendienst had de wachtenden van onze
vorderingen op de laatste étappe op de hoogte gehouden. Het
enthousiasme van de Delianen was zoo enorm, dat het zich in één avond
onmogelijk voldoende kon uiten, zoodat wij besloten, twee nachten te
Medan te blijven. De hartelijkheid en het enthousiasme, waarmede wij in
Deli werden ontvangen, zullen wij nooit vergeten.
Op den morgen van den 23sten November deden vele Delianen ons in de
vroegte uitgeleide. Door de regens in den nacht was het terrein drassig
geworden, zoodat wij niet minder dan vijf honderd meter noodig hadden
voor den start, en maar juist aan het einde van de renbaan over de lage
struikjes kwamen. Voor Kengen, die gewend was aan gemakkelijk startende
kleine militaire vliegtuigen, moet het een wonderlijke gewaarwording
zijn geweest. Wij vlogen nog even over de stad en langs de schepen in
de haven van Belawan Deli en zetten toen langs de kust koers naar het
Zuid-Oosten. Het was goed weer; een dunne morgennevel hing over het
land, zonder echter hinderlijk te zijn voor de oriëntatie. De vlucht
naar Muntok, die wij voor ons hadden, ging over een afstand van 960
kilometer. Zij zou ons over een terrein voeren, waar niet alleen geen
enkel vliegveld lag, doch waar ook niet de minste gelegenheid voor
noodlanding was; het was de langste étappe, die op het program stond;
alleen de vluchten, waarbij wij een landing hadden overgeslagen, waren
langer geweest.
Eerst gaat het een tijdlang over de ondernemingen langs de kust van
Deli. Wijd en zijd strekken zich onder het toestel de tabaks-plantages
uit, die verderop ten deele plaats maken voor rubbertuinen, waarin wij
van uit de lucht de hevea-boomen met hun donkere glanzende bladeren
onderscheiden. Op andere plaatsen zien wij neer op klapperboomen en
oliepalmen, die als soldaten netjes in rij en gelid staan.
Zoo bereiken wij de monding van de Ajer Asahan, de rivier, die de
wateren van het hoog gelegen Toba-meer naar zee afvoert. Wij maken een
bocht over het plaatsje Tandjoeng Balai, waar de bewoners de vlaggen
voor ons uitgestoken hebben, en dan verlaten wij al spoedig het
cultuurgebied van Sumatra’s Oostkust, om de vlucht over de oerwouden en
moerassen te beginnen. Wij vliegen over de rivier Koealoe en over de
Panei en de Bila, die vroeger in het Hindoe-tijdperk de toegangswegen
vormden tot het hoogland, maar waarvan de mondingen thans door
zandbanken worden versperd. Meer en meer eenzaam wordt het land, langs
de kust staan mangrove-bosschen met hun luchtwortels in het ondiepe
water; en meer landinwaarts maken zij plaats voor oerwouden, waar de
torenhooge stammen van allerlei verschillend geboomte boven het dichte
onderhout uitsteken. Bij de breede monding van de Soengei Rokan buigt
de kust ver zeewaarts uit; om tijd te sparen gaan wij hier op het
compas dwars over Siak.
Vier honderd kilometer vliegen wij op het compas over uitgestrekte
moerassen en over oerwouden, die van horizon tot horizon reiken, en wij
vragen ons af, wat voor wilde dieren onder het ondoordringbare groen
zouden huizen. Een noodlanding in dit terrein zou vrijwel zeker slecht
afloopen. Tijdens den oorlog zijn er dikwijls genoeg vliegtuigen in
Europa in bosschen gedaald en het moge vreemd klinken, maar eene
dergelijke landing loopt voor de vliegers bijna altijd goed af. Takken
en bladeren breken de snelheid en vangen het vliegtuig op; dit wordt
wel grondig beschadigd, maar de vliegers komen er meestal ongedeerd
uit. Een oerbosch op Sumatra ziet er echter heel anders uit. Boven het
onderhout verrijzen op groote onderlinge afstanden de stammen van
verschillende soorten hoogere boomen. Deze bieden geen aaneengesloten
bladerdak, waar het vliegtuig zich als op een matras met weinig
snelheid in kan laten zakken; daarentegen vormen de zware stammen een
gevaarlijke hindernis. Bij dit alles komt, dat de vliegers, ook al
zouden zij ongedeerd den vasten grond bereiken, in de uitgestrekte
wildernis zonder voldoende voedsel en hulpmiddelen te midden van
tijgers, panters, slangen, muskieten en andere gevaren van het oerwoud
zouden komen te staan. Alleen een goed-uitgeruste expeditie met
geoefend personeel kan het in dergelijke omstandigheden uithouden.
Urenlang duurt de vlucht over het oerbosch. Een open plekje voor een
noodlanding is nergens te bekennen; over het algemeen is het
bevorderlijk voor de veiligheid, niet al te laag te vliegen; meestal
vlogen wij dan ook op drie of vier honderd meter; als op een dergelijke
hoogte de motor defect raakt, heeft men nog even tijd, om naar een
geschikt terreintje te zweven. Hier boven de oerbosschen van Sumatra
heeft hoog vliegen geen zin: of men op duizend meter vliegt of vlak
over de boomen scheert, bij motorstoring is het eind van het lied toch
altijd een landing in het bosch. Wij willen graag zooveel mogelijk van
het geheimzinnige, donkere oerwoud zien, en scheren dus laag over de
geweldige woudreuzen heen, zoodat wij bijzonderheden van de tropische
natuur van nabij kunnen bewonderen. Pas wanneer men laag vliegt, krijgt
men een indruk van de afmetingen en de verscheidenheid van het
geboomte. Tusschen het donkere groen is hier en daar een doode boom
blijven staan, die als een bleek geraamte zijn licht grijzen stam en
takken, waar alle schors van is weggeteerd, ten hemel heft. De kale
takken zijn als armen uitgespreid, waar reusachtige baardmossen als
lijkwaden vanaf hangen.
Een dichte laag voor het oog volkomen ondoordringbaar onderhout
onttrekt den bodem aan het gezicht. Hoe gaarne hadden wij wat meer van
het leven van het oerwoud gezien. Wij weten, dat in die uitgestrekte
bosschen, niet meer dan honderd meter beneden ons, olifanten en
rhinocerossen zich met hunne logge pooten een weg banen, dat tijgers er
op groote wilde zwijnen jagen, en panters vanuit de boomen hun buit
bespringen; dat tapirs, met hun malle, korte snuitjes en de gevaarlijke
wilde honden er huizen; de rivieren, die wij oversteken, moeten met
krokodillen bevolkt zijn en in de takken van het dichte geboomte
slingeren zich allerlei apen en nestelt een groote verscheidenheid van
vogels, terwijl gevaarlijke slangen, reusachtige schorpioenen en
duizendpooten er den mensch bedreigen en de groote, harige vogelspin er
van uit zijn hol vogeltjes bespringt.
Van heel die rijke tropische fauna zien wij bijna niets; van tijd tot
tijd fladdert een troep groene vogeltjes angstig voor ons weg; het
schijnen mij een soort groote parkieten of kleine papegaaitjes toe. Een
groote, zwarte vogel, waarschijnlijk een neushoornvogel, klapwiekt
langzaam onder het toestel door, en tot mijn vreugde ontdek ik in een
alleenstaanden boom de groote, zwarte gestalte van een gibbon, een
siamang, die zich met zijn lange armen van tak tot tak slingert.
Wij vliegen over de Siak Ketjil, de kleine Siak-rivier die door een
streek vol meren en groote moerassen loopt. Een eind verder vinden wij
het plaatsje Siak Sri Indrapoera, dat eenzaam te midden van de
wildernis aan de Siak-rivier ligt, die bevaarbaar is voor stoomschepen.
Een eind verder kruisen wij de Kampar, die evenals de Siak een
toegangsweg vormt naar de plaatsjes, die in het binnenland liggen, ver
achter de ongezonde moerassige en met oerwouden bedekte kuststrook van
meer dan honderd kilometer breedte.
Even voorbij deze rivier verlaten wij het gewest Oostkust van Sumatra
en komen wij in het uitermate moerassige Indragiri, bevloeid door de
rivier van denzelfden naam. Hier bereiken wij de kust weer, bij de
monding van de Gangsal aan de grens van Djambi. Vier honderd kilometer
ver zijn wij op het compas gevlogen, en hebben wij bijna ieder
oriëntatie-punt gemist, doch wij komen netjes uit, waar wij wezen
willen. De moerassige kuststrook is ook hier weer geheel met dichte
bosschen mangroves, luchtwortelboomen, bedekt. Iets verder landinwaarts
maken zij hier en daar plaats voor bosschen wilde pisang en allerlei
ander geboomte. Gelegenheid voor noodlanding biedt de kust niet; een
strand ontbreekt; hoogstens komen bij laag water weeke modderbanken
droog te liggen. Sporen van bewoning zijn er weinig; hier en daar
hebben de Indische visschers eene eenzame paalwoning in het ondiepe
water gebouwd; een enkele vlerk-prauw vaart langs de kust en voor de
vischvangst zijn sero’s, groote rieten fuiken, in de ondiepe zee
geplaatst.
Als de kust van Djambi voor die van het Palembangsche heeft plaats
gemaakt, zien wij aan den overkant van de straat Banka, die hier zes en
twintig kilometer breed is, het gelijknamige eiland liggen, waar wij
bij het stadje Muntok zullen moeten landen.
Juist hadden wij de kust verlaten, toen wij een benauwd oogenblik
doormaakten. Plotseling begon de motor te stoppen. Het peilglas van de
hoofdtank wees nog een behoorlijke hoeveelheid benzine aan; het bleek
echter, dat dit peilglas verstopt en de tank leeg was; gelukkig
begrepen wij de situatie bijtijds, nog voordat de motor geheel stil
stond. Wij zetten de benzinekraan op „reservetank”, de motor maakte
weer het normaal aantal toeren, en wij lachten om onzen schrik.
In de straat Banka voer een stoomboot van de K. P. M. die ons met een
vlaggensein een goede reis toewenschte, hetgeen wij met een groenen
lichtkogel beantwoordden. Al spoedig kwam het vliegveld van Muntok in
zicht. Bij de landing bleek het een uitstekend, ruim terrein te zijn,
op hoogen, drogen grond gelegen.
Op Banka werden wij weer allerhartelijkst ontvangen. Van alle deelen
van het eiland waren belangstellenden naar Muntok samengestroomd; de
dames bereidden eigenhandig het feestmaal; reeds toen wij in Sengora
waren geland, was een complete drijfjacht op den vogel ajam, de
Indische kip op zijn lange pooten begonnen. Op het bericht van ons
oponthoud in Sengora werden de kippen weer in vrijheid gesteld; maar
hun vreugde was van korten duur, want toen wij de vlucht voortzetten,
werden de arme dieren opnieuw gearresteerd, maar ditmaal definitief, en
in den avond van den 23sten November viel de vogel ajam ten prooi aan
den orang terbang, den vliegmensch, tijdens een allergezelligst feest
in de Muntoksche soos.
Wij zelven gingen dien avond vroeg naar bed, maar de Muntoksche
bevolking zette het feest voort, tot zij den volgenden morgen de F VII
weer vaarwel zeide bij den aanvang van de laatste étappe van de lange
vlucht van Amsterdam naar Batavia. In opgewekte stemming bestegen wij
het vliegtuig. Het was tamelijk goed weer, en de start van het goede
vliegveld verliep gemakkelijk. Wij cirkelden even rondom het terrein om
onze Muntoksche vrienden vaarwel te zeggen, en zetten toen weer koers
naar straat Banka. De Pelikaan, het vliegtuig-moederschip, was
inmiddels hierheen opgestoomd om ons zoo noodig hulp te verleenen. Laag
vlogen wij langs het bekende scheepje heen, en daarna kruisten wij de
straat.
Wij hadden besloten, niet langs de moerassige, weinig bevolkte kust te
vliegen, doch met het oog op een noodlanding in meer bewoonde streken
te blijven en wij kozen daarom de route over Palembang en Telok Betong.
Zoodoende konden wij tevens de bewoners van die plaatsen een
pleiziertje doen.
De kust van Sumatra bereikten wij weer bij de breede monding van de
Moesi, de grootste rivier van het heele eiland, die ons den weg wees
naar Palembang.
Wij volgden de breede rivier en bereikten zoo de stad, de meest
bevolkte van heel Sumatra. Verschillende stoombooten lagen aan de kade,
en wij zagen de stoompluimpjes weer boven de fluiten wuiven. Overal
waren de vlaggen uitgestoken, en honderden menschen stonden op de
straten naar de F VII te kijken. Van Palembang uit loopen verschillende
wegen en bevaarbare rivieren. Er gaat een spoorlijn naar Telok Betong,
maar die lijn maakt een omweg naar het Westen, zoodat wij besloten
hadden tot Telok Betong op het compas te vliegen.
Het terrein tusschen beide steden was weinig bevolkt. Moerassen
wisselden af met bosschen, waarin hier en daar groote boomen, geheel
met paarse bloemen bedekt, als felgekleurde bouquetten tegen het
donkere groen afstaken.
Zoo naderden wij de kust, die door een reeks bergen werd afgesloten.
Wij vlogen over een zadel tusschen twee niet zeer hooge toppen door, en
plotseling opende zich een schitterend vergezicht over het donkerblauwe
water van de Lampongbaai; het stadje Telok Betong lag te midden van
palmen- en klappertuinen aan den voet van de groene bergen, die de baai
als een groot hoefijzer omsloten, en in de verte teekenden zich
verschillende eilanden tegen de donkere zee af. De hooge, rotsige top
van Krakatau zagen wij in Straat Soenda liggen, en dichter bij de kust
vormde de branding een fijn, wit schuimstreepje rondom de lagere, groen
beboschte eilandjes Seboekoe en Sebesi.
Als een paar groote, statige vogels cirkelden twee ééndekkers van de
Marine door de lucht. Zij voegden zich links en rechts dicht naast de F
VII en begeleidden ons over Straat Soenda, die wij bij Kaap Varkenshoek
overstaken.
Midden in de Straat, bij het eilandje Dwars-In-Den-Weg, lag weer een
gouvernementsstoomer, de Wega, op ons te wachten. Toen wij de
Javaansche kust waren genaderd, namen de beide watervliegtuigen
afscheid, om over zee naar Tandjong Priok terug te keeren en wij werden
in de lucht verwelkomd door escadrilles landvliegtuigen van de
Militaire Luchtvaart Afdeeling, die ons verder begeleidden. Een er van
kwam zoo dicht bij de F VII, dat wij den vlieger, onzen ouden kameraad
Nab, konden herkennen.
Wij bogen even naar het Zuiden af, om te cirkelen boven het stadje
Serang, waar Poelman geboren is; daarna gingen wij te midden van de
militaire vliegtuigen recht op ons doel, Batavia af. Het duurde niet
lang, of de stad, waar wij zoo lang en zoo vurig naar hadden verlangd,
kwam in zicht. Dwars over de oude benedenstad vlogen wij naar de haven
van Tandjong Priok. Het was een feestelijk oogenblik voor ons, toen wij
over de vele, vroolijk gepavoiseerde en voortdurend fluitende
stoombooten heenvlogen, en toen wij cirkelden boven het
Marine-vliegkamp, waar wij juist de beide ééndekkers, die ons over
Straat Soenda hadden geleid, zagen landen.
Terug ging het weer naar de oude stad, waar wij neerzagen op de dichte
handelswijk en op de typische Chineesche buurtjes. Toen de F VII om het
torentje van het stadhuis cirkelde, zagen wij de ambtenaren naar buiten
stuiven, om vanaf het plein het vliegtuig te bekijken.
Over Weltevreden, het Koningsplein en het Waterlooplein met zijn mooie
kerk ging het naar het Zuiden, naar Meester Cornelis, en al spoedig
cirkelden wij boven het groote vliegveld Tjililitan, met het heerlijke
gevoel, dat de tocht was volbracht.
Lager en lager draaide de F VII om het groote vliegveld, over de dichte
drommen wachtende menschen; de motor werd afgezet; nog een bocht, een
korte glijvlucht, en om één uur negentien minuten en twintig seconden
stond de H-NACC veilig en wel op den Javaanschen grond!