Den volgenden morgen, 18 November, zouden wij met een extra-treintje
naar het vliegveld gaan. Wij waren ’s morgens een beetje laat, en de
stationchef maakte zich zenuwachtig, omdat hij het heele
spoorwegverkeer moest stopzetten, tot wij voorbij waren. Het
extra-treintje bleek een allergezelligst vervoermiddel te zijn. Het was
een soort van tramwagen met een benzine-motor er in. Vele leden van de
Hollandsche kolonie en de commandant van de luchtvaart reisden mee.
Halverwege stopten wij, om een Hollander op te nemen, die het treintje
gemist had. Hij was ons per auto achterop gereden en hield ons aan op
het verste punt, dat hij langs den weg bereiken kon.
Terwijl de F VII gereed werd gemaakt voor den start, zagen wij een paar
Siameezen vliegen. Zij vlogen keurig op Nieuport-jagers. Deze
toestellen werden oorspronkelijk uit Frankrijk naar Siam gebracht, maar
de Siameezen maken ze tegenwoordig ook zelf. Spoedig stond de F VII
klaar en konden wij starten. Ofschoon het bruikbare gedeelte van het
terrein slechts 300 meter lang was, leverde de start geen moeilijkheden
op.
Dadelijk na den start probeerden wij in de lucht den motor nog eens.
Hij liep niet geheel regelmatig, hetgeen wij meenden te moeten
toeschrijven aan lekke kleppen. Aangezien hij echter behoorlijk zijn
toeren maakte, en het traject van dien dag naar Sengora niet bijzonder
lang was, besloten wij door te vliegen.
De vlucht van Bangkok naar Sengora was niet zeer belangwekkend. Wij
vlogen eerst weer over de stad, daarna volgden wij de Oostkust van het
Noordelijke, Siameesche gedeelte van het Maleisch schiereiland. Het was
een lage, met bosschen bedekte kust. Gelegenheid voor noodlanding
ontbrak. Aan onze rechterhand verrezen gebergten, met dichte wouden
bedekt. Bamboe-bosschen verhieven hun wuivende pluimen beneden ons als
groote, groene struisveeren. Een spoorweg liep evenwijdig aan de kust
voort.
De kustlijn liep vrijwel recht naar het Zuid-Zuid-Westen, maar bij het
kleine stadje Bandon boog zij rondom een groote baai een eindweegs naar
het Oosten af, en om tijd te besparen verlieten wij hier de kust en
volgden wij de spoorlijn, die, tusschen de bergen door, naar Sengora
gaat. Er waren inmiddels wolken komen opzetten, die laag tusschen de
bergen hingen, zoodat wij er slecht onder door konden. Wij gingen
daarom boven de wolken vliegen.
Over het algemeen vliegt men bij de burgerluchtvaart liever niet over
een wolkenlaag heen. In de eerste plaats wordt de oriëntatie er door
bemoeilijkt. Men kan zijn koers niet controleeren aan de voorwerpen op
den grond; wel kan men op het compas vliegen; maar het kan zijn, dat
het vliegtuig schijnbaar in den juisten compaskoers vliegt, doch dat
zijwind het toestel zijdelings doet afdrijven, zonder dat de vlieger
dit kan controleeren. Een tweede bezwaar van het vliegen boven de
wolken is, dat de vlieger in geval van noodlanding niet weet, of hij op
geschikt terrein zal terecht komen. Dit gevaar doet zich vooral
gevoelen, wanneer de wolken in den vorm van mist tot op den grond
hangen. Vooral in heuvelachtig terrein is hier kans op, en bij een
noodlanding kunnen dan ernstige ongelukken ontstaan.
In de toekomst zal het voor de regelmaat van het luchtverkeer noodig
zijn, dit bezwaar te ondervangen en het vliegen boven de wolken beter
mogelijk te maken. Hiertoe zullen de vliegtuigen nog meer betrouwbaar
moeten worden gemaakt, hetzij door verbetering van de motoren, hetzij
door het inbouwen van meerdere motoren, zoo, dat één er van defect kan
geraken, zonder dat eene noodlanding hiervan het gevolg hoeft te zijn.
De moeilijkheid van de oriëntatie boven de wolken kan op geregelde
luchtlijnen afdoende worden opgelost door toepassing van draadlooze
plaatsbepaling.
Noodgedwongen vlogen wij dan een eindweegs boven de wolken, waar de
spitse bergtoppen boven uitstaken. Er waren voldoende openingen in het
wolkendek, om van tijd tot tijd de spoorlijn terug te vinden en den
koers te controleeren. Het duurde niet lang, of wij kwamen weer in de
buurt van de kust; de bewolking werd minder, en vóór ons zagen wij de
tweedeelige binnenzee, aan welker uitmonding Sengora ligt en die een
veilige haven voor watervliegtuigen zou vormen.
Het vliegveld bij Sengora was zeer klein en er waren niet de minste
hulpmiddelen aanwezig. Toen Ross Smith er in 1919 landde, vernielde hij
bijna zijn toestel, doordat het terrein drassig was en vol boomstronken
stond. Inmiddels had men het veld gelukkig verbeterd, maar de
afmetingen waren nog steeds zeer klein; het bruikbare gedeelte van het
terrein mat slechts 300 bij 300 meter en was zandig en mul. Wij
cirkelden een paar maal om het veld om het goed op te nemen, en landden
toen zoo voorzichtig mogelijk. Bij het uitrollen liep het toestel vast
in het mulle zand, maar gelukkig ging het niet op den neus staan, en
maakten wij geen schade.
Sengora is een klein plaatsje, residentie van den onderkoning, die over
de Zuidelijke provinciën van Siam, op het Maleisch schiereiland
gelegen, regeert. Wij troffen bij de landing dan ook zeer weinig
Europeanen. De eenige, die in het stadje wonen, zijn de Engelsche
consul, een Engelsche opper-houtvester, en een paar Denen. Verder was
bij onze landing de vertegenwoordiger van de Shell aanwezig, die
hiervoor speciaal uit Penang gekomen was; deze had onze benzine en olie
meegebracht. De onderkoning, een halfbroeder van den koning van Siam,
die in Europa gereisd had en goed zijn talen sprak, kwam ons toestel
bekijken. Behalve hem vonden wij in Sengora niet één Siamees, die
eenigszins behoorlijk een westersche taal sprak.
Wij hadden echter zeer veel hulp van één van de Denen, den kapitein van
het stoomjacht van den koning. Het jacht voer bijna nooit, zoodat de
kapitein een buitengewoon rustig leventje leidde. Hij was met een
Siameesche vrouw getrouwd, en had een paar aardige kinderen. Zijn
vrijen tijd besteedde hij met te kijken naar het groeien van zijn
klappertuintje, en onze landing was een prettig verzetje voor hem. Hij
stelde de Siameesche matrozen van het jacht tot onze beschikking. Het
waren gewillige, handige kereltjes, en vooral de machinist was ons van
veel nut.
Wij vonden in Sengora den Eersten-Luitenant-Vlieger Kengen, van de
Indische Militaire Luchtvaart-Afdeeling, die ons per boot tegemoet was
gereisd om de vliegvelden te verkennen, en in de F VII met ons naar
Java zou terugkeeren.
In den namiddag werd het toestel uit het zand gehaald, nagezien en
gevuld. ’s Avonds gingen wij logeeren in het spoorweg-hotelletje.
Sedert 1892 is men in Siam begonnen, spoorwegen aan te leggen onder de
leiding van Generaal Purachatra, Prins van Kambaeng Bejra, een broer
van den Koning. Het spoorwegnet is nog lang niet volledig, maar de
lijnen, die er zijn, loopen regelmatig en zijn goed georganiseerd. Het
materieel ziet er netjes uit, en in de kleinere plaatsen zijn, ten
gerieve van de reizigers, kleine, goede spoorweghotels gesticht.
Den volgenden morgen hadden wij een kleinen tegenslag. De motor, die
den vorigen dag reeds niet geheel regelmatig geloopen had, bleek bij
het proefdraaien in Sengora vrij ernstig over te slaan. Bovendien
maakte hij niet voldoende toeren. Het vliegveld in Sengora was klein,
en de volgende étappe zou ons over het 160 kilometer breede water van
de Straat van Malakka voeren, en het was dus noodzakelijk, den motor in
goede conditie te hebben. Er zat dus niets anders op, dan het vertrek
voorloopig uit te stellen en den motor grondig na te zien. Hiertoe was
het noodig, de zes cylinders van den rechterkant af te nemen en de
kleppen te schuren.
Wij zonden dus een telegram naar Medan om te berichten, dat wij een
paar dagen later zouden komen en togen getroost aan het werk. De
Deensche kapitein bezorgde ons op het veld een werkbankje met een
bankschroef; over den motor werd een zonnetentje gespannen, en al
spoedig was het werk in vollen gang. Voor Van den Broeke was het geen
lichte taak, de herstelling met weinig hulpmiddelen in de open lucht op
het brandend-heete veldje uit te voeren.
Het werk vorderde goed; de onderkoning zond ons koele dranken, een
prachtige schildpadden doos met sigaren en sigaretten en de noodige
stoelen, zoodat wij onder de schaduw van den breeden vleugel van de F
VII zoo nu en dan konden rusten. De belangstelling van de bewoners van
het plaatsje was groot, en voortdurend stond er een kring Siameezen
rondom het toestel. Het was een typisch volkje met bonte kleeding,
korte, slanke gestalten en vriendelijke, baardelooze gezichten, en over
het algemeen maakten zij een bijzonder jongen, kinderlijken indruk.
Een eigenaardig element vormden de vele Boeddhistische monniken. Het
waren mannen van allerlei leeftijd, met kaal geschoren hoofden en in
lange, tango-kleurige toga’s gehuld. Zij stonden blijkbaar bij de
bevolking in hooge eere, en zij waren zich volkomen van hunne
waardigheid bewust; zij stapten over de afzetting rondom het toestel
heen, neusden overal rond en gingen rustig op onze stoelen zitten. Ik
was bang, dat de sigaren-doos van den onderkoning onder een van de gele
toga’s zou verdwijnen, en verzocht de politie de heeren buiten de
touwen te houden, maar deze dorst het niet aan. Het jongste monnikje
(een jochie van ongeveer twaalf jaar) maakte ik gelukkig met een
groote, bonte Boeddha-prent, die ik in Rangoon had gekocht. Deze wekte
de algemeene bewondering, en het ventje borg de prent zorgvuldig onder
zijn toga’tje, blijkbaar zeer benauwd, dat zijn oudere collega’s die
zouden gappen.
Wij schoten dien dag goed op, zoodat wij tegen den avond welvoldaan
naar het stadje terugkeerden met de hoop, den motor den volgenden
namiddag klaar te krijgen. Het was echter gebleken, dat hij wel een
flinke beurt noodig had, want verschillende van de kleppen lekten nogal
erg.
Den volgenden morgen werd het werk voortgezet en in den middag waren de
cylinders weer gemonteerd en kon de motor proefdraaien. Tot onze
teleurstelling bleek hij nog niet bevredigend te loopen; Van den Broeke
verwisselde toen nog een magneet, daarna werd weer proefgedraaid,
ditmaal gelukkig met goed resultaat, zoodat wij naar Medan konden
seinen, dat wij den volgenden dag hoopten te komen.
Het was een ware opluchting voor ons, dat wij de reis konden
voortzetten en dat het werk onder de warme tropische zon gedaan was.
Die zonneschijn was zoo hinderlijk, dat wij het kostbare hoofd van Van
den Broeke er soms tegen moesten beschermen, door een paar Siameesche
jongens met parasols boven op het toestel te zetten.
Voldaan gingen wij dien avond vroeg naar bed om den volgenden morgen
behoorlijk uitgerust en tijdig bij de hand te zijn voor de laatste
étappe, die ons nog van Nederlandsch Oost-Indië scheidde.