OERWOUDEN EN RIJSTVELDEN

Calcutta was onze laatste landing in Voor-Indië. Toen wij in den morgen

van den veertienden November startten van het vliegveld Dum-dum, zeiden

wij Hindostan vaarwel; ons doel voor dien dag was het kleine stadje

Akyab in Achter-Indië.

Ofschoon het vliegveld niet groot was, verliep de start zonder

moeilijkheden. Wij vonden een startbaan van ongeveer 450 meter;

daarachter lag een terrein, dat wel oneffen was, doch geen hindernissen

aanbood, en daar weer achter begonnen lage struiken en boomen.

Calcutta ligt aan de Hugli, de meest Westelijke van de vele

rivierarmen, die de uitmonding van den Ganges en de daarmede

samenvloeiende Brahmapoetra vormen. Door de aanslibbing van die twee

reusachtige stroomen heeft zich een delta gevormd, die aan de monding

drie honderd en vijftig kilometer breed is, en over een gelijke diepte

in het land van Bengalen doordringt. Op de kaart van Europa

overgebracht, komt dat gebied overeen met de oppervlakte van een

driehoek, waarvan Rotterdam, Londen en Parijs de hoekpunten vormen.

Heel die groote driehoek, die den naam van Sundarban draagt, bestaat

uit ontelbare moerassige eilandjes, die door de breede, zich telkens

vertakkende en weer samenvloeiende rivierarmen, worden ingesloten. In

den regentijd heeft de Ganges een breedte van vijf à zes kilometer, dat

is even breed als de Wester Schelde bij Vlissingen, en staat de delta

voor een groot deel onder water. Deze omstandigheid maakt het terrein

geschikt voor rijstbouw. Een groot deel van de delta is dan ook met

sawa’s bedekt.

Het Noordelijke gedeelte van de delta bevat eenige steden en wordt door

een paar spoorlijnen doorsneden, maar het Zuidelijk gedeelte, waar wij

op het compas dwars overheen vlogen, is een en al moeras, en alleen

eenige hutjes van inboorlingen liggen hier en daar verscholen in de

palmboschjes, die de rijstvelden onderbreken. Het Zuidelijkste gedeelte

is een groote moeras-wildernis, waarin tijger, rinoceros en luipaard

huizen, en waarin het krioelt van allerlei soorten slangen.

Twee uur lang hebben wij een ingewikkeld net van breedere en smallere

rivieren onder ons. In het begin trachten wij op de kaart georiënteerd

te blijven, maar deze blijkt hier weinig betrouwbaar, hetgeen er aan te

wijten is, dat de kronkelende rivierarmpjes in het lage terrein hun

loop voortdurend veranderen. Andere landmerken, zooals spoorlijnen,

wegen en steden ontbreken geheel, en wij geven het dus op, en besluiten

eenvoudig op het compas naar het Oosten te vliegen, totdat de Meghna,

de Oostelijkste en tevens voornaamste monding, waardoor de Brahmapoetra

zijn ontzaggelijke watermassa naar de Golf van Bengalen stuurt, ons

weer de oriëntatie zal vergemakkelijken.

Het weer is niet geheel helder; een dunne laag cirruswolken hangt als

een ijle sluier heel hoog boven ons, en lager, om ons heen, vormen zich

langzamerhand eenige stapelwolken, terwijl in het Zuiden, boven de Golf

van Bengalen, eenige regenbuien vallen.

Eindelijk bereiken wij de zes tot tien kilometer breede monding van de

Meghna, en dwars vóór ons zien wij aan den horizon een bergketen. Het

zijn de Chittagong-heuvels. Zij vormen een deel van die lange

bergenreeks, die ten Zuiden van het dal van de Brahmapoetra begint met

de bergen van Assam, en zich voortzet in den Arakan-Yoma-keten. Deze

keten loopt ten Westen van Rangoon geleidelijk af, tot hij bij kaap

Negrais den zeespiegel bereikt en zich onder water voortzet als een

soort drempel, die de golf van Bengalen scheidt van de golf van

Martaban en de straat van Malakka. De toppen van dien ondergedoken

bergketen vormen de eilandenreeks van de Andamanen en Nicobaren, en

eindelijk duikt de keten in de buurt van Sabang weer op boven den

waterspiegel, om van daar uit de ruggegraat te vormen van Sumatra.

Wij buigen naar het Zuid-Oosten af, om onzen weg te vervolgen langs de

kust van Achter-Indië. Het duurt niet lang, of wij zijn de bergen

genaderd. Ze zijn hier nog betrekkelijk laag, maar steil en rotsachtig.

Voor ons, die op onze vlucht gewend zijn geraakt aan kale en dorre

rotsen, is het eigenaardig om te zien, hoe de weelderige tropische

vegetatie hier zelfs de steilste rotshellingen met een dikken mantel

van groen heeft bedekt. Op sommige plaatsen ligt tusschen de

heuvelreeks en de zee een smalle, vlakke kuststrook, die zeer moerassig

en meestal met rijstvelden bedekt is. Die strook wordt aan de zeezijde

begrensd door een kleine verhooging, een soort walletje, waarschijnlijk

door aanslibbing ontstaan en bezet met een rij palmen en struiken. Daar

buiten ligt meestal een smal en modderig strandje, niet geschikt om er

eene noodlanding op te maken. Naarmate wij Zuidelijker komen, worden de

bergketens hooger en naderen zij meer de zee, zoodat het vlakke land

langs de kust geleidelijk aan plaats maakt voor met oerwouden bedekte

heuvels.

In een zeer scherpen hoek snijden de bergketens de kustlijn, zoodat de

zee er met lange smalle armen tusschen dringt. Veel bewoonde plaatsen

zijn er hier niet. In het Noorden, dicht bij de mondingen van de

Brahmapoetra, zijn wij langs Chittagong, een vrij belangrijke

uitvoerhaven, gevlogen, maar van daar af tot Akyab toe vinden wij

alleen eenige kleine plaatsjes langs de kust.

Vijf uur en drie kwartier na ons vertrek uit Calcutta zien wij op een

vlak schiereiland tusschen twee lange zeearmen het stadje Akyab. Het

ligt schilderachtig te midden van veel groen aan een groote baai, die

door eenige eilanden van de zee is afgesloten en tegen wind en golfslag

wordt beschut.

Na even gezocht te hebben vinden wij het vliegveld. Dit is weer een

zoogenaamde maidan. Vrijwel iedere stad in Britsch-Indië heeft zulk een

maidan. Men bedoelt hiermede een stuk grasland, dikwijls door mooi

geboomte omgeven, en dat gebruikt wordt voor wedrennen, volksfeesten,

vergaderingen enz. De maidan is in Britsch-Indië dus ongeveer hetzelfde

als wat men in onze Oost „Aloen-aloen” noemt. De naam van de stad Medan

schijnt van het Perzische woord „maidan” te zijn afgeleid.

Wij wisten, dat de maidan van Akyab nu niet zoo bijzonder geschikt was

als vliegveld, maar het viel gelukkig nog al mee. Het bruikbare

gedeelte van het terrein was ongeveer achthonderd meter lang. Wel is

waar was de breedte hoogstens honderdvijftig meter, maar daar er geen

wind was, konden wij gemakkelijk in de lengte landen. Er stonden boomen

rondom het veld, maar aan de korte zijden waren die laag en op eenigen

afstand van het terrein verwijderd, zoodat zij geen ernstige hindernis

vormden. Bij onze landing waren eenige Engelschen op het veld aanwezig,

waaronder de „Deputy-commissioner”, de vertegenwoordiger van het

Britsche gezag en iemand van de Asiatic Petroleum Company, die zorgde,

dat benzine en Wakefield castrol gebracht werden.

De belangstelling van de Indische bevolking was enorm. Akyab behoort

tot het vroeger zelfstandige koninkrijk Arakan; thans hoort het bij

Burmah en de taal, die er gesproken wordt, is een dialect van het

Burmeesch. Het verschil tusschen de bevolking hier en in Voor-Indië was

zeer opvallend. In Hindoestan waren wij gewoon geraakt aan de lange

gestalten van de Voor-Indiërs met hun sombere, dikwijls gebaarde

gezichten en fanatieke oogen. Hier in Akyab vonden wij eene bevolking,

die veel meer leek op die van Siam en den Oost-Indischen Archipel. Het

waren korte, maar goed gebouwde menschen met ronde, baardelooze,

meestal vriendelijke gezichten. Zij stelden ongelooflijk veel belang in

het vliegtuig, waar zij al spoedig in dichte drommen omheen stonden.

Zij waren goedlachsch en vol grapjes en maakten een prettigen indruk.

De kleeding was vroolijk en kleurig. De heldere, witte baadjes staken

af tegen roode en blauwe sarongs. Velen droegen kleurige papieren

parasols. Jammer genoeg vonden de meer-gegoeden het noodig, die te

vervangen door een deftigen, zwarten Europeeschen paraplu, hetgeen een

vrij dwazen indruk maakte. Onder de jongere vrouwen waren bepaald

aantrekkelijke types, maar de oudere waren meer merkwaardig dan mooi.

Eén er van, die blijkbaar veel belang stelde in de luchtvaart, bleef

den heelen middag bij ons. Zij was ongeveer even lang als breed en

rookte met smaak een dikke, pikzwarte sigaar.

In een soort voorwereldlijke vigilantes met heel kleine paardjes er

voor kwamen de bewoners van het stadje aanrijden, zoodra het gerucht

van onze landing bekend werd. Een wagenlading bestond minstens uit een

tiental volwassenen en een onbeperkt aantal kinderen, om de gaatjes te

vullen. Natuurlijk ontbrak ook in dit afgelegen Oostersche stadje een

oude Ford-bus niet, die stoomend en rammelend onder leiding van een

Indischen chauffeur de bewoners in dichte drommen aan- en afvoerde. Een

Chinees kwam met een warong, een draagbaar snoepwinkeltje, op het veld,

en zoo werd het op de maidan van Akyab al spoedig een opgewekt

familieleven. Tegen den avond, toen het toestel verzorgd en onder

bewaking gesteld was, gingen wij naar de woning van een Engelschen

officier. Het was een typisch Achter-Indisch huis, van hout, met breede

galerijen, op palen gebouwd, die onder het huis een groote ruimte open

lieten. Aan den zolder hing de echte ouderwetsche Indische waaier, de

punka. Deze bestaat uit een ongeveer drie meter lange, kunstig

uitgesneden plank, die aan touwen hangt. Aan die plank is een groote,

fijne mat bevestigd. Een bediende, die buiten zit, brengt met behulp

van een koord over een katrol de punka in beweging. De man heeft

hiervoor het koord om zijn voet gebonden, en is in staat het werk

urenlang onvermoeid vol te houden. De punka verspreidt een prettiger

koelte en is bovendien veel decoratiever dan de meer moderne

electrische waaiers, die in de groote steden van Britsch-Indië algemeen

worden toegepast.

Wij kregen hier een merkwaardig eigengemaakt auto’tje te zien, dat ten

deele was uitgerust met de resten van het vliegtuig van Mac Laren. Deze

Engelschman had getracht, een vlucht om de wereld te maken, en was

daarbij ook in Akyab geland; toen hij echter met zijn watervliegtuig,

dat overbelast en een beetje lek was, uit de baai wilde starten, werd

dit ten deele vernield. Hij kreeg een nieuw vliegtuig, en de

overblijfselen van het oude worden nog in Akyab bewaard.

Wij ondervonden dien avond zeer vriendelijke gastvrijheid van den

Deputy-commissioner. Hij bracht ons naar het telegraaf-bureau, waar wij

eenigszins tot onze verbazing een zeer intelligenten en vlotten

Indischen beambte vonden, die goed Engelsch sprak, ons vlug hielp en

onze perskaart dadelijk erkende. De Deputy-commissioner vertelde ons,

dat Akyab een zoogenaamd Relai-station vormde in de telegraaflijn van

Rangoon naar Calcutta.

Onze gastheer, Collis, vertelde ons dien avond interessante verhalen

over land en volk van Arakan. Hij had een bijzondere studie gemaakt van

de oude hoofdstad Mrauk-U, residentie van het gelijknamige koningshuis.

De ruïnes van de stad liggen aan een van de vele zeearmen, niet ver van

Akyab. De Portugeesche zendeling Manrique heeft de stad beschreven,

nadat hij er in 1630 een reis heen had gemaakt. Over het paleis van den

koning, waarvan de ruïnes thans nog te zien zijn, zeide deze Portugees:

„Het heeft massieve houten zuilen van zoo buitengewone lengte en

rechtheid, dat men zich verwondert, dat er zulke hooge rechte boomen

zijn. Er is een hal, verguld van boven tot onder.” Manrique schat de

bevolking op 160 000 inwoners. Het moet een uitgestrekte stad zijn

geweest met mooie huizen, waarvan de wanden uit sierlijk gevlochten

bamboe, met allerlei figuren er in, waren gemaakt.

Manrique woonde de kroning bij van den koning Thiri-thudhamma, en hij

geeft hierover een vermakelijk, ofschoon eenigszins luguber verhaal. Er

was voorspeld, dat de koning kort na zijne kroning zou sterven.

Thiri-thudhamma vroeg advies aan een Mohammedaanschen hadji, en deze

wist gelukkig het recept voor een eenvoudig huismiddeltje. Hij stelde

voor, een zalfje klaar te maken, dat den koning onzichtbaar en

onoverwinnelijk zou maken. Het moest bestaan uit zes duizend

menschenharten, vier duizend harten van witte koeien en twee duizend

harten van witte duiven. Aldus werd besloten, de politie werd belast

met de levering van het noodige ruwe materiaal; de hadji begon ijverig

te slachten en te kooken, en dagen lang leefde de bevolking van Mrauk-U

in schrik en angst, en dorst geen neus buiten de deur te steken.

Ofschoon men veel voor vaderland en vorst over had, vond men dezen

maatregel toch wel een beetje onaangenaam. Men begon er tegen te

protesteeren, dat de politie, blijkbaar om reiskosten te besparen,

alleen de stad als jachtveld koos, en de naburige dorpen vrij uit liet

gaan. Juist wilde de adel een duit in het zakje doen, toen onze hadji

verklaarde, dat het zalfje klaar was en dat het feest kon beginnen. De

koning werd op schitterende wijze gekroond en de Arakaneezen, toen,

evenals nu, een luchthartig volkje, waren spoedig over den schrik heen

en amuseerden zich kostelijk met mooie vuurwerken en andere feesten.

Helaas was er met het huismiddeltje van den hadji toch blijkbaar iets

niet in den haak, want onze brave koning Thiri-thudhamma werd kort

daarna door een zekeren Yaday vermoord.

Onze gastheer stelde veel belang in die merkwaardige oude

geschiedenissen van zijn ressort en heeft ze uit verschillende bronnen

nagegaan en op schrift gesteld.

Den volgenden dag zouden wij volgens het program van Akyab naar Rangoon

moeten vliegen, en onze daarop volgende étappe zou Rangoon–Bangkok

moeten zijn. Over die landing in Rangoon hadden wij ons gedurende de

voorbereiding van de vlucht altijd veel zorgen gemaakt. Er is in die

stad geen eigenlijk vliegveld, doch de renbaan wordt als zoodanig

gebruikt. Die renbaan was op zichzelf groot genoeg, want de langste

vrije startruimte bedroeg bijna zes honderd meter. Ongelukkigerwijze

stonden er echter, zooals wij wisten, hooge boomen en gebouwen aan alle

kanten rondomheen, die vooral den start voor een zwaar toestel

buitengewoon moeilijk maakten. Ross Smith was bij zijn vlucht naar

Australië met zijn twee-motorig toestel op dit terrein geland, en in

zijn boek „14000 Miles through the Air” beschrijft hij zijn vertrek uit

Rangoon als volgt: „Het vertrek was een angstig moment. Inderdaad

begrijp ik tot op den huidigen dag nog niet, dat wij van den grond

gekomen zijn. De renbaan was veel te klein voor een zoo groote en

zwaarbeladen machine als de Vimy. Het toestel had nauwelijks zijn

vliegsnelheid bereikt, toen een hek voor ons opdook. De Vimy kwam er

juist overheen, maar recht vooruit waren boomen en gebouwen. Ik

handelde instinctmatig. Het landinggestel schuurde over een boomtop, en

het gevaar was voorbij. Het was in een oogenblik gebeurd, maar wanneer

het toestel slechts één voet lager was geweest, zou een ramp ons zijn

overkomen.”

Deze sombere beschrijving van Ross Smith gaf ons weinig hoop voor dat

vliegveldje van Rangoon, maar er was niets aan te doen; andere

vliegvelden in de buurt waren er niet, en zoo zouden wij moeten zien,

hoe wij ons redden. Wanneer wij het geluk zouden hebben van een flinken

wind mee, zouden wij kunnen trachten, Bangkok in één étappe te

bereiken, zonder landing te Rangoon. De afstand was echter ruim

veertien honderd kilometer, zoodat het zeer de vraag was, of dat zou

lukken.

In den vroegen morgen startten wij zonder moeite uit Akyab. Wij staken

de mooie baai over, die uitstekend geschikt zou zijn voor

watervliegtuigen, en vlogen over de vele eilanden, om een grooten inham

van de kust over te slaan. Na een paar uur bereikten wij den vasten wal

weer. Het gebergte, de Arakan-Yoma, loopt hier evenwijdig aan de kust.

Ter hoogte van Akyab bereikt de keten een hoogte van ongeveer 2500

meter. Naar het Zuiden worden de bergen geleidelijk lager, om bij kaap

Negrais in zee te eindigen. Wij staken de bergen over, na eerst de kust

een tijdlang Zuidwaarts te hebben gevolgd, op een plaats, waar zij

ongeveer acht honderd meter hoog waren. Het was een schitterend, woest

en onbewoond land, en de onnauwkeurigheid van onze kaart, die slechts

één eenvoudigen keten aangaf, daar, waar wij een samengesteld bergland

vonden, bewees, hoe weinig bekend het terrein nog was. De steile

hellingen, waar wij menigmaal dicht langs vlogen, waren met donkere

oerwouden bedekt. Hoog als kerktorens rezen de woudreuzen boven het

dichte onderhout omhoog, dat geen plekje van den bodem zichtbaar liet.

Olifanten, tijgers en rhinocerossen huizen hier in grooten getale. Eene

noodlanding in een dergelijk terrein is door de steile bergwanden en de

geweldige boomen op zich zelf al zeer gevaarlijk, maar bovendien zou de

bemanning, als zij van de landing zelf goed afkwam, hulpeloos aan de

gevaren van de onmetelijke oerwouden zijn overgeleverd.

Toen wij den bergrug over waren, kwamen wij in de uitgestrekte vlakte

van de Irrawaddy-rivier, bedekt met uitgestrekte rijstvelden. Wij

vinden een spoorweg, waaraan wij ons nauwkeurig kunnen oriënteeren, en

den afgelegden afstand nagaan. Het blijkt, dat wij slechts 111,5

kilometer per uur hebben afgelegd. Wij hebben dus blijkbaar nog al

sterken tegenwind gehad, zoodat er wel niets van komen zal om Bangkok

heden te bereiken. Boven de bergen hebben wij hoog moeten vliegen, en

wij besluiten in de vlakte lager te gaan, om te probeeren, of de wind

daar gunstiger is.

Wij scheren vlak over de rijstvelden en de palmboomen heen, zeer tot

verbazing van de inwoners, die uit hun huisjes loopen als zij het

gesnor van den motor hooren.

Wij kruisen weer een spoorweg en berekenen opnieuw onze snelheid. Deze

blijkt hier in de vlakte 113 kilometer per uur te zijn geweest, dus

niet noemenswaardig méér, dan toen wij hoog boven de bergen vlogen. Op

die manier kunnen wij Bangkok onmogelijk halen, zoowel omdat onze

benzine niet toereikend zou zijn, alsook omdat wij niet vóór het donker

het vliegveld zouden kunnen bereiken. Zoo besluiten wij dan, in Rangoon

te landen.

Wij bogen een weinig naar het Zuiden af, en al spoedig wees de hooge

spits van de pagode, die midden in de stad ligt, ons den weg. Het

duurde niet lang, of wij keken neer op de renbaan. Van te voren waren

wij gewaarschuwd, dat er ’s middags rennen zouden worden gehouden, en

dat wij dus bij voorkeur ’s morgens moesten komen. Wij waren ruim

bijtijds, en de baan was vrij, maar de afmetingen van het terrein en

vooral de omringende hindernissen vielen erg tegen. De lengte-as van de

baan liep in de richting Noord-Zuid, zoodat wij in die richting zouden

moeten landen. De Zuidkant van de baan werd echter afgesloten door

hooge boomen, een kerk en andere gebouwen. Aan den Noordkant lag een

park, eveneens met hoog geboomte en op eenigen afstand daar achter

verrees op een heuvel de spits van de pagode, waarvan de poort door een

paar reusachtige, grimmige steenen leeuwen werd bewaakt, die ons den

toegang tot hun stad schenen te willen verbieden.

Wij cirkelden een paar keer om het veld heen, en keken elkaar eens aan.

De toestand was niet hoopvol. Wij zouden waarschijnlijk wel kunnen

landen zonder ongelukken te maken, maar het was de vraag, of wij ooit

weer uit dit terrein zouden kunnen starten. Wij keken rond in de buurt

van de stad, of er niet een ander terrein te zien was, maar wij konden

niets vinden. Eindelijk besloten wij, de landing maar te wagen, en wij

gleden naar beneden. Toen wij echter een meter of vijf boven den grond

waren gekomen, zagen wij pas goed, hoe hoog de boomen tegenover ons

waren; de start met ons zwaar beladen toestel tegen die hindernis in

zou volkomen hopeloos zijn. Wij hadden geen tijd te verliezen; we

zetten den motor weer aan, die gelukkig dadelijk goed pakte, het

toestel scheerde vlak over de boomen heen, en een oogenblik later zaten

wij weer veilig en hoog in de lucht.

Wij bleven even boven de stad cirkelen, om te overleggen wat wij doen

zouden. Goede raad was duur. Hier te landen zou gekkenwerk zijn;

Bangkok was onbereikbaar; het eenige terrein in de buurt was een

noodlandingsterreintje bij Moulmein, een stadje, op ongeveer 170

kilometer afstand aan de kust gelegen. Wij wisten, dat het terreintje

bij Moulmein ook klein was, maar het was mogelijk, dat het minder

ingesloten lag, zoodat wij daar zouden kunnen landen. Wij zetten dus

koers in die richting.

Wij waren echter op die landing bij Moulmein niet erg gesteld. Als ook

dat terrein te veel ingesloten zou blijken, zou het nog moeilijker

zijn, een oplossing te vinden. Ik reken alles nog eens nauwkeurig na,

en kom tot de conclusie, dat het mogelijk is, wanneer de wind zoo

blijft, terug te vliegen naar ons punt van uitgang van dien dag, Akyab;

daar zijn wij in ieder geval zeker van een behoorlijk terrein. Als wij

eenmaal daar zijn, staan ons twee mogelijkheden open: wij kunnen

wachten op een gunstigen wind om naar Bangkok te vliegen; daar is

echter in dezen tijd van het jaar niet veel kans op. Beter zal het

daarom zijn, een extra-benzinetank in het toestel te bouwen. Wij kunnen

daartoe gebruik maken van onderdeelen van Mac Larens oude toestel. Het

vliegveld in Akyab is groot genoeg om er met een beetje extra-gewicht

te starten. Prettig is het niet, want wij zullen zoo meerdere dagen

verliezen, vooral ook, omdat wij een nieuwen voorraad benzine in Akyab

zullen moeten laten komen, en dat kan in verband met de afgelegen

ligging van het plaatsje een heelen tijd duren. Het is echter de

veiligste weg, en daarom besluiten wij, naar Akyab terug te vliegen.

In de buurt van Rangoon keken wij echter nog eens goed uit naar een

terrein en tot onze groote verrassing kregen wij plotseling een weinig

ten Noorden van de stad een nieuwe renbaan in het oog, die nog in

aanleg was. Wij vlogen een paar keer om de baan heen en bekeken het

terrein van een geringe hoogte af zorgvuldig. De groote, ovale baan

zelf was niet bruikbaar voor een landing, omdat de hekjes en andere

hindernissen voor de rennen die baan versperden. Het middenterrein zag

er goed uit, doch de ruimte was zeer beperkt, doordat er een spoorlijn

voor den aanvoer van materialen schuin overheen liep. De omgeving was

behoorlijk vrij van boomen en andere hindernissen. Na eenig overleg

besloten wij de landing te wagen. Zeer langzaam kwamen wij het terrein

binnen zweven; vlak bij den rand van het middenterrein raakten de

wielen den grond. Wij zetten den motor geheel af, doch het terrein was

hard en glad als een billardlaken, zoodat het toestel ver uitrolde.

Vlak voor het spoorlijntje en een daarbij staand loodsje stond de F VII

stil. Wij waren zonder schade uit onze onaangename en min of meer

gevaarlijke situatie gered en slaakten een zucht van verlichting.

Niemand had op onze landing op dat terrein gerekend; de menschen, die

op het vliegveld in de stad ons voorbij hadden zien vliegen, moesten

den indruk gekregen hebben, dat wij verder gegaan waren. Er was dan ook

niet alleen geen politie, maar ook niet één Europeaan op de nieuwe

renbaan.

In minder dan geen tijd was de F VII omringd met een dichte drom

Indiërs, die geen van allen Engelsch spraken; zij waren niet

kwaadwillig, maar drongen hinderlijk op en wilden alles bekijken en

bevoelen. In afwachting, dat er iemand komen zou, om ons te helpen,

verdeelden wij ons met ons drieën rondom de F VII, om de bevolking

zooveel mogelijk op een afstand te houden. Gelukkig zagen wij spoedig

in de verte iemand in Europeesche kleeding aankomen; het bleek een zeer

beschaafde en welwillende Britsch-Indiër te zijn, die dadelijk een paar

opzichters tot onze beschikking stelde om het toestel te bewaken.

Terwijl Poelman en Van den Broeke bij het toestel de wacht bleven

houden, ging ik met onzen helper mee naar zijn huis. Daar kon ik

telefoneeren om politie-bewaking en een auto. Wij gingen naar de stad,

nadat de politie onder leiding van een Engelschen hoofd-commissaris bij

het toestel was geplaatst. Die hoofd-commissaris had een zeer

practische manier om met de bevolking om te springen. Het was een

klein, nijdig mannetje met een grooten bril, die in de eerste

oogenblikken alleen tegenover honderden groote zwarte kerels stond. Als

een nijdig hondje beschreef hij een paar cirkels om het toestel, hier

en daar de noodige stompen uitdeelende, en dadelijk was een kring om

het toestel vrij gemaakt. Toen kreeg hij in de gaten, dat ik een rietje

in mijn hand had, en met dit instrument gewapend, maakte hij nog eens

een rondje; wie niet vlug en eerbiedig achteruit week, kreeg een

flinken tik op de bloote bruine beenen, en zoo was de zaak spoedig

geregeld.

Juist toen wij zoover waren, kwam een détachement Indische politie in

keurige orde opmarcheeren. Het waren groote, flinke kerels met gebaarde

gezichten, nette Europeesche uniform en een hoogen tulband. Zij

betrokken de wacht bij het toestel, en terwijl Poelman en Van den

Broeke achterbleven om een oogje in het zeil te houden, toog ik met den

hoofd-commissaris naar de stad om verdere maatregelen te nemen.

Onze consul had al gehoord, dat wij toch geland waren, en was op zijn

bureau gebleven, vermoedende, dat wij daar wel heen zouden komen. Hij

hielp ons buitengewoon vlot.

Allereerst werden de noodige telegrammen verzonden. Daarna togen wij op

weg om de militaire autoriteiten te vinden, die onze benzine en olie in

bewaring hadden, en om contact te zoeken met den aannemer van de

renbaan. Wij moesten namelijk om weer te kunnen starten de hindernissen

van de baan laten verwijderen. Het kostte een beetje moeite om de

menschen te pakken te krijgen, omdat het Zaterdagmiddag was, en half

Rangoon naar de wedrennen was getogen, die inmiddels waren begonnen.

Aangezien wij voor één en ander nogal wat tijd noodig hadden, besloten

wij den Zondag in Rangoon te blijven, en Maandagmorgen te vertrekken.

Met den consul ging ik naar het toestel terug om Poelman en Van den

Broeke op te pikken. Dezen hadden intusschen het toestel verankerd; het

was zeer warm op het veld, en onze brave Britsch-Indische vriend had de

noodige koele dranken laten aanrukken.

Den volgenden ochtend kwamen onze benzine en olie op het terrein, en

ook de aannemer van de renbaan was met de noodige werklieden aanwezig.

Wij vulden het toestel, en terwijl Van den Broeke den motor nakeek,

lieten wij de baan voor den start gereed maken. De hindernissen werden

weggenomen, en een paar greppeltjes werden dicht gegooid. Tegen den

middag stond de F VII klaar voor den start op den volgenden morgen, met

een mooie, lange, gladde baan vóór zich. Wij voelden ons zeer voldaan

over de gunstige oplossing van ons avontuurtje en hadden den namiddag

vrij om de stad een beetje te gaan bekijken en de noodige foto’s te

maken.

Rangoon bleek een buitengewoon mooie plaats te zijn met groote parken,

waar de huizen van de Engelschen, in Burmeeschen stijl opgetrokken,

tusschen het groen verscholen liggen, en waar men tusschen de hooge

palmen telkens mooie kijkjes op groote vijvers heeft. Wij hadden niet

veel tijd, en besteedden dezen vrijwel geheel aan de bezichtiging van

de beroemde Shwe-Dagon-pagode, die wij ook al vanuit de lucht hadden

bewonderd. Wij hadden daar echter toen weinig van genoten, omdat wij te

veel in de benauwdheid zaten.

Het is de schoonste en belangrijkste van alle Boeddhistische tempels in

Indo-China. Men beweert, dat hij relikwieën bevat van Gautama-Boeddha

en bovendien ook van de drie andere Boeddha’s, die vóór hem in de

wereld kwamen.

De pagode staat op eenen heuvel, waarop twee rechthoekige terrassen

zijn aangelegd, waarvan de zijden naar de vier windstreken zijn

gericht. Aan den voet van den heuvel moet men kousen en schoenen

uittrekken, en blootsvoets betreedt men door een mooie, met

houtsnijwerk versierde poort de breede, overdekte trap, die naar boven

leidt. Aan beide zijden zijn winkeltjes, waar men allerlei offergaven,

zooals bloemen, kaarsen, Boeddha-beeldjes en bont gekleurde prentjes

koopen kan. Twee groote steenen leeuwen bewaken den toegang. Het rijk

gebeeldhouwde teakhouten dak van de trap is versierd met voorstellingen

uit het leven van Boeddha.

Boven aan de trap geeft een poort toegang tot het bovenste terras, waar

de eigenlijke pagode op staat. Het is een massieve, klokvormige steenen

stoepa met een omtrek van 1355 voet en een hoogte van 370 voet, dat is

hooger dan de dom van Utrecht. Heel die reusachtige steenen kegel is

zwaar verguld en schittert in het felle zonlicht tegen den blauwen

hemel. De top is versierd in den vorm van een soort parasol, evenals

dit bij sommige tempels op Java voorkomt, en hieraan hangen tallooze

gouden en zilveren, met juweelen versierde klokjes.

Rondom den voet van de pagode staan vier tempeltjes, waarvan de poorten

en de hooge, spitse, uit vele verdiepingen bestaande daken rijk met

gepolychromeerd houtsnijwerk zijn versierd. Tallooze Boeddha-beelden,

groote en kleine, in verschillende houdingen en van allerlei materialen

gemaakt, staan in de rondte. Achter in het voornaamste van die vier

tempels glinstert het vergulde, levensgroote beeld van een zittenden

Boeddha. Het is eene nabootsing van een dergelijk beeld van echt goud,

dat in een gesloten vertrek aan het oog van de menigte wordt

onttrokken. Ontelbare walmende kaarsjes, bloemen en andere offers, door

vrome pelgrims gebracht, staan er om heen.

Tusschen die vier hoofdtempels ligt om den voet van de pagode een kring

kleinere tempeltjes en beelden van den Boeddha, van leeuwen en

olifanten. Ook de buitenrand van het groote terras wordt afgesloten

door een rij tempels, de nieuwere groot en rijk versierd, de oude

kleiner en eenvoudiger, maar ook eerwaardiger. In één er van bewonderen

wij de kostbare schrijn, waarin de relikwieën bewaard worden. Daar

naast staat de steen, waarop de voetstap van Boeddha is afgedrukt, en

die naar men zegt uit Ceylon gekomen is. Het is een zwaar granietblok,

waarin de ruwe omtrek van twee reusachtige voeten is uitgehouwen, en

onze Burmeesche gids legt ons in zijn gebroken Engelsch naïvelijk uit:

„Buddha very big man, very big feet!”.

Van voeten gesproken, die bloote-voeten-parade is de eenige

schaduwzijde van het bezoek aan de pagode. De steenen zijn hard en ruw

en vies en behalve bloemen worden ook eieren ten offer gebracht. Op een

gegeven moment voel ik op de marmeren vloer van een van de mooiste

tempels iets glibberigs, en ik sta midden in een rauw ei.

Dien Zondagavond genoten wij van een gezellig diner met de Hollandsche

kolonie.

In den vroegen morgen van Maandag 17 November vertrokken wij uit

Rangoon. De start van de lange, smalle renbaan leverde geen

moeilijkheden op. Het was mooi, rustig weer. Nog eenmaal zagen wij van

uit de lucht op de pagode neer en op het renbaantje in de stad, dat ons

zulke benauwde oogenblikken had bezorgd, en toen gingen wij op het

compas over de vlakke, groene rijstvelden naar de golf van Martaban.

Wij staken die over en volgden verder weer de heuvelachtige kust naar

het Zuiden. Na een paar uur vliegen bereikten wij Moulmein, het

plaatsje, waar wij nog een oogenblik hadden gedacht te landen. Het

bleek intusschen maar goed, dat wij op dit besluit teruggekomen waren,

want het noodlandingsterrein lag nogal ongunstig en helde naar één kant

sterk af.

Het stadje was heel mooi gelegen op eenigen afstand van de kust, aan

een breeden zeearm, die diep het land binnendrong, en een schitterende

landingsplaats voor watervliegtuigen zou vormen. Het schijnt de mooiste

stad van Burmah te zijn, en vormt een belangrijke uitvoerhaven voor

teakhout, rijst en rubber. Wij zagen dan ook vele schepen vóór de stad

ten anker liggen. Wij hadden gelegenheid een luchtfoto te maken van de

Kyaikthanlan-pagode, evenals die van Rangoon op een heuvel gebouwd. De

aanleg van de omringende tempels van deze pagode is minder regelmatig

dan te Rangoon, waardoor de indruk vanuit de lucht niet zoo mooi is.

Wij gaan weer verder de kust langs naar het Zuiden. Het landschap is

vrijwel het zelfde als in het begin van de vorige étappe. Achter een

smal strookje strand loopt de lage, met rijstvelden bedekte kust tien

tot twintig kilometer door; daar achter komen de bergen, met oerwouden

bedekt. Zij behooren tot dien langen keten, die zich door het geheele

Maleische schiereiland voortzet, evenwijdig aan de ketens van Arakan en

Sumatra. Hoe verder wij weer naar het Zuiden gaan, hoe dichter de

bergen de kust naderen, en het duurt niet lang, of zij verdringen de

smalle strook vlak land geheel. Wij kunnen niet recht op het compas

naar Bangkok gaan, omdat wij dan te lang boven onherbergzaam oerwoud en

over hooge gebergten zouden moeten vliegen. Wij gaan dus eerst zoo ver

Zuidwaarts langs de kust, tot wij aan een lager gedeelte van de bergen

komen, en daar buigen wij naar het Oosten af.

Bij Heinze Bay verlaten wij de kust. Tusschen twee bergen dringt een

smalle, vertakte zeearm hier diep in het woeste binnenland door. Bergen

en dichte oerbosschen sluiten de baai in. Een paar inlandsche huisjes

staan eenzaam temidden van de wouden. Blijkbaar wonen er visschers in,

want in het blauwe water van de baai staan groote rieten fuiken. Hier

en daar is wat bosch gekapt en een klein rijstveldje aangelegd.

Wij werpen een laatsten blik op de golf van Bengalen en buigen dan

geleidelijk meer naar het Zuid-Oosten af, om een dal te volgen, dat ons

naar een betrekkelijk laag gedeelte van de bergen voeren zal. Het

terrein is hier weer ongeveer het zelfde als in de bergen vóór Rangoon.

Dichte oerbosschen bedekken geheel den sterk geaccidenteerden bodem.

Bergstroompjes vinden met moeite, kronkelend een weg door de nauwe

dalen. In de bergen geen spoor van menschelijke bewoning.

Ross Smith heeft op deze zelfde plaats een van de gevaarlijkste

momenten van zijn tocht beleefd. Hij vloog in den winter, en de wolken

hingen laag op de gebergten, zoodat Smith niet over de hoogste ketens

heen kon komen, zonder gedeeltelijk door de wolken te vliegen. Gelukkig

troffen wij beter weer, zoodat wij zonder moeite, op ongeveer 1200

meter hoogte vliegende, onzen weg konden vervolgen.

Na ongeveer een uur waren wij over de ketens heen. Langzaam glooide het

terrein naar het Oosten af. De rotsen werden lager; de rivieren

verbreedden zich en stroomden minder snel. Langs de oevers stonden

bamboe-boschjes, die vanuit de lucht den indruk maakten van groote,

frischgroene varens.

De heuvels maakten plaats voor de uitgestrekte vlakte van Siam, geheel

met licht-groene rijstvelden bedekt. In de verte maakten die

rijstvelden den indruk van frissche weiden, maar wanneer wij loodrecht

naar beneden keken, zagen wij het water tusschen de rijstplantjes

schitteren.

Het duurde niet lang, of wij vonden een spoorweg, die pal naar het

Oosten, naar Bangkok, voerde. Wij volgden dien, en zagen in de verte

een hooge spits tegen den horizon afsteken. Een oogenblik dacht ik, dat

het Bangkok was, maar de afstand van de stad leek mij wel wat ver, om

de pagodes nu reeds te kunnen zien. Inderdaad bleek het dan ook een

pagode te zijn die een eindweegs Oost van Bangkok in de vlakte ligt.

Het was die van Nakon Pathom. Te midden van parken, poorten en

bijgebouwen rees de pagode op een breed basement als een groote

terra-cotta-kleurige klok omhoog. Boven op die klok was een soort

galerij, gekroond door een kegelvormige, steenen spits.

Spoedig daarna kregen wij Bangkok in het oog, aan de kronkelende rivier

de Menam gelegen. Het uitzicht op de stad was schitterend. Bangkok is

nog een zeer jonge stad. Het tegenwoordige vorstenhuis van Siam regeert

eerst sedert 1782; de stamhouder was een generaal Chao Phya Chakri,

die, nadat Siam een periode van eindelooze troebelen en oorlogen had

doorgemaakt, de macht in handen nam en het tegenwoordige Bangkok

stichtte. Ofschoon de stad dus nog zeer nieuw is, is zij rijk aan

schitterende bouwwerken. Vanuit ons toestel hadden wij een prachtig

uitzicht op de kronkelende rivier met de tallooze schepen en op de

tempels en paleizen aan de oevers. De vele pagode’s, en de hooge

tempels, die er bij staan, vormen de meest opvallende karaktertrek in

het beeld, dat Bangkok, „de tempelstad”, vanuit de lucht biedt.

Gelukkig kregen wij de kans, eenige luchtfoto’s te maken.

De Boeddhistische tempels in Siam bestaan over het algemeen uit drie

hoofddeelen. In de eerste plaats valt reeds vanuit de lucht een groot,

rechthoekig hoofdgebouw op, waarvan het spitse dak uit verschillende

deelen bestaat, die over elkander grijpen op dezelfde wijze als bij de

huizen der Bataks op Sumatra. Dit hooge dak, door tallooze slanke,

witte zuilen gedragen, dekt een groote hal, waar de geloovigen

samenkomen. Deze hal heeft een ingang naar het Oosten en bevat één of

meer beelden van Boeddha. Behalve dit hoofdgebouw is er soms nog een

tweede, vrijwel gelijkvormig gebouw, dat meer bestemd is voor

samenkomsten van leeken. Op sommige van de luchtfoto’s zijn die twee

groote hoofdgebouwen duidelijk te onderscheiden.

Rondom deze beide gebouwen, die de bot en de vihara genoemd worden,

liggen temidden van groene parken de kloostergebouwen, waarin de

monniken en pelgrims verblijf houden. De muur, die het geheel omsluit,

bevat bij de meeste tempels nog een stoepa, een hooge, klokvormige

spits, evenals wij die te Rangoon gezien hebben. Bij de oudere tempels

diende deze stoepa voor het bewaren van relikwieën.

Wie over deze tempels of wats en over verdere bijzonderheden van Siam

meer wil weten, leze het Siam-Nummer van het tijdschrift Inter-Ocean.

Het is interessant, de foto’s, die daarin voorkomen, te vergelijken met

de luchtfoto’s uit dit boek.

Behalve de vele tempels, bewonderden wij het koninklijk paleis en de

schitterende troonzaal, die door Italiaansche architecten gebouwd en in

1917 voltooid werd. De ligging van al die gebouwen in de omgeving van

de breede rivier, waaraan tallooze grootere en kleinere schepen het

noodige leven gaven, maakte het geheel tot een panorama om nooit te

vergeten. De rivier de Menam vormt met de vele kanalen, die Bangkok

doorsnijden, den voornaamsten verkeersweg, en hieraan heeft de stad den

naam „Venetië van het Oosten” te danken.

Toen wij genoeg luchtfoto’s genomen hadden, en genoeg genoten hadden

van het uitzicht op de stad, zetten wij koers naar het Noorden, naar

het vliegveld Don Muang. Wij hadden de noodige inlichtingen over dit

terrein ingewonnen, en wij wisten, dat het het voornaamste van Siam

was, ruim en goed geoutilleerd. Wat wij echter niet wisten was, dat het

vliegveld op laag en drassig terrein temidden van de rijstvelden ligt.

Tot onze teleurstelling zagen wij dan ook, dat van het groote vliegveld

het grootste gedeelte onder water stond en dus onbruikbaar was. Dicht

bij de hangars had men echter een bruikbaar gedeelte van drie honderd

bij honderdvijftig meter met witte merken aangegeven, en hier landden

wij zonder moeite.

Wij werden hartelijk ontvangen door de complete Hollandsche kolonie en

door den Commandant van den Siameeschen vliegdienst, generaal Phya

Chalemhakas.

Siam heeft aan zijn vliegdienst zeer veel zorg besteed, en juist met

het oog op onze plannen in Indië is het van belang, hieraan eenige

aandacht te wijden, waarbij ik weer verwijzen moet naar het reeds

genoemde nummer van Inter-Ocean, waarin een interessant artikel over

dit onderwerp voorkomt. Reeds in 1911 zag het Ministerie van Oorlog het

belang van de luchtvaart in, en het zond drie officieren naar Frankrijk

om te leeren vliegen. Het gaf hiermede een beschamend voorbeeld aan

sommige andere regeeringen. In 1913 keerden die drie Siameezen naar hun

land terug, na hun brevet als vlieger te hebben behaald. Zij namen

luchtvaart-materiaal mede, en de Siameesche luchtvaart-afdeeling werd

gesticht.

In 1918 verklaarde Siam den oorlog aan de Centralen en het zond eenige

vliegers naar het front. Na den oorlog besloot de regeering, de

luchtvaart dienstbaar te maken aan het verkeer, en de militaire

luchtvaart-afdeeling werd gereorganiseerd tot den Koninklijken

Luchtvaart Dienst. Deze dienst omvat nu zoowel de militaire- als de

burgerluchtvaart.

Men heeft ingezien, dat in verband met de geografische gesteldheid van

Siam de luchtvaart goede diensten kan bewijzen, en het is interessant

om te zien, hoe de argumenten, die daarbij naar voren zijn gebracht,

ten deele ook op onze Oost slaan.

Siam heeft een oppervlak van 503 000 vierkanten kilometer, dat is

ongeveer zoo groot als Frankrijk, en de bevolking telt 9 000 000

zielen. Groote terreinen liggen nog braak en zijn ten deele met

bosschen bedekt. De verkeersmiddelen zijn nog in staat van wording en

verbinden de deelen van het Rijk slechts onvoldoende. Groote gebieden

kunnen alleen te water of langs slechte karresporen bereikt worden.

Sedert 1920 is men begonnen met luchtpostdienst, en de eerste lijn,

tusschen de hoofdstad en Chandhaburi bracht de post over in iets meer

dan een uur, terwijl de stoomboot er vroeger twee dagen over deed. Een

tweede lijn werd georganiseerd tusschen Bangkok en Korat, en ook hier

deed het vliegtuig er ruim een uur over, terwijl de trein er tien uur

voor noodig had.

Naar aanleiding van de gunstige resultaten, met deze beide proeflijnen

verkregen, werden contracten gemaakt met de Posterijen, en

verschillende lijnen werden definitief georganiseerd, die thans aan het

postvervoer goede diensten bewijzen.

Behalve voor het vervoer van brieven komt het vliegtuig ten goede aan

het overbrengen van medici, patiënten en geneesmiddelen. Hiertoe worden

speciale ambulance-vliegtuigen gebruikt. Wanneer in de afgelegen

plaatsen in het binnenland epidemieën uitbraken, was het tot nu toe

moeilijk, personeel en materiaal ter bestrijding tijdig ter plaatse te

krijgen. Evenzoo was het dikwijls vrijwel ondoenlijk, ernstige

patiënten ter behandeling naar de hospitalen in de centra te vervoeren.

Het vliegtuig heeft hierin aanzienlijke verbetering gebracht. In 1921

brak in het Oosten van Siam in het departement Ubol een epidemie uit.

Doktoren en medicijnen werden telegrafisch aan Bangkok aangevraagd, en

bereikten de geteisterde streek na een reis van drie uur per vliegtuig.

Door hunne snelle aanwezigheid ter plaatse waren zij in staat, de

epidemie in de kiem te smoren en velen menschen het leven te redden.

Ook voor speciale vluchten op bestelling staan de vliegtuigen ter

beschikking, en hiervan wordt zoowel door Siameesche passagiers als

door buitenlandsche toeristen op groote schaal gebruik gemaakt.

De luchtfotografie wordt in Siam met succes toegepast voor topografie

en cadastraal werk. Evenals in Nederlandsch-Indië zijn in Siam

uitgestrekte terreinen nog onbekend, en slechts een vijfde gedeelte is

behoorlijk in kaart gebracht. De landverkenning gaat, in verband met de

moeilijke toegankelijkheid van het terrein, gepaard met enorme kosten

en moeiten, en de luchtfotografie levert het middel om vlug en goedkoop

de onbekende terreinen te exploreeren.

Dit kleine overzicht moge den lezer een indruk geven van de activiteit,

die Siam op luchtvaartgebied heeft getoond, en het is te hopen, dat

Nederlandsch-Indië aan Siam een voorbeeld nemen zal.

Op het vliegveld vonden wij, zooals te verwachten was, alles wat wij

noodig hadden. Alleen waren de hangars te klein voor onze F VII, daar

de Siameesche vliegdienst alleen met kleinere militaire toestellen

werkt.

Het wegennet is in de drassige vlakte van Siam zeer gebrekkig

ontwikkeld. Het verkeer gaat er voor een groot deel te water. Zelfs het

vliegveld, dat op ongeveer vijftien kilometer afstand van de stad ligt,

is niet langs den weg te bereiken. Wij gingen dan ook ’s avonds naar de

stad met den trein, die vlak langs het vliegveld loopt.

Helaas hadden wij ’s avonds geen tijd meer, om veel van de stad te

zien. Wij aten met de Hollandsche kolonie, den commandant van de

vliegdienst en een piepjong Siameesch admiraal, die zich verdienstelijk

maakte door het Wilhelmus op de piano te spelen.

Door de lucht naar Indië · 第 25 / 38 题