HET LAND VAN DEN GROOTEN MOGOL

In de schemering van den morgen van den twaalfden November startten wij

uit Ambala, na een hartelijk afscheid van onze Engelsche gastheeren.

Het was helder, windstil weer, en al spoedig verdween de typische

Engelsche kerktoren van Ambala aan den horizon. Ambala was het

Noordelijkste punt geweest van den grooten boog, dien wij door

Britsch-Indië moesten beschrijven. Pal Zuid koersten wij langs de

spoorlijn naar Delhi. Al spoedig zien wij links een kronkelende rivier;

het is een zijtak van den Ganges, de Jumna, die niet ver van Ambala uit

de bergen in de vlakte komt. Ver in het Noord-Oosten zien wij het

lichtpaarse silhouet van de reusachtige ketens van de Himalaya.

Wij volgen de spoorlijn, die door de vruchtbare vlakte loopt, waar hier

en daar kleine stadjes zich in veel groen verschuilen.

Het duurt niet lang of het schitterend panorama op Delhi, de hoofdstad

van Britsch-Indië, breidt zich voor ons uit. Delhi is een zeer oude

stad, die twintig eeuwen vóór Christus bestaan moet hebben en in het

oude Indische Epos, het Mahabharata, wordt genoemd onder den naam

Indraprastha. De tegenwoordige stad bestaat uit verschillende wijken,

in zeer uiteenloopende periodes gebouwd, die vanuit de lucht duidelijk

te onderscheiden zijn. Zoo zegt men wel, dat er zeven Delhi’s zijn. Een

Fransche reiziger, die de heele stad had bekeken, en wiens oordeel over

het nieuwe Delhi werd gevraagd, antwoordde: „Het is prachtig, en het

zal een even mooie ruïne vormen, als de zes oude.”

Van het Noorden af komende, vlogen wij eerst over een moderne Engelsche

buitenwijk, waar de kazernes en kampen zijn, en waar het

gouvernementsgebouw als een machtig, wit marmeren hoefijzer dicht bij

de oevers van de Jumna onder ons lag. Tusschen het groen van de parken

schitteren overal witte buitenverblijven. Dan komt, meer naar het

Zuiden, de binnenstad, het zoogenaamde Shahjahanabad, in een

kwart-cirkel dichter opéén gebouwd en door een vestingwal omgeven.

Wij maken een luchtfoto van de Jama Masjid, de moskee, in het midden

van de zeventiende eeuw door Shah Jehan gebouwd. Evenals vele van die

Indische gebouwen, die niet met daken, maar met koepels zijn gedekt,

maakt deze moskee vanuit de lucht een mooien indruk. Te midden van

groote grasvelden ligt de voorhof, een regelmatig vierkant, door een

sierlijke arcade omgeven en op de hoeken afgezet met paviljoens,

waarvan de witte koepeltjes schitteren in het heldere zonlicht. Een

groote, hooge poort geeft in het midden van de arcade toegang tot den

voorhof. Wij zien neer op het kleine blauwe watervlak van een

vierkanten vijver, en de geheele achterzijde van het voorplein wordt

ingenomen door de imposante façade van de moskee. Een groote koepel

welft zich boven de wit-marmeren spitsboog van de hooge hoofddeur.

Links en rechts flankeeren twee kleinere koepels den grooten, en langs

den heelen voorgevel leiden open galerijen naar de twee minaretten,

die, hoog en slank, met hun drie omgangen boven de geheele omgeving

uitsteken, en de hoeken van het fraaie, symmetrische gebouw op waardige

wijze sluiten.

In het middenpunt van den kwartcirkel, die de binnenstad omsluit, ligt

aan den oever van de Jumna het fort, de oude burcht, eveneens door Shah

Jehan gebouwd. Een hooge, gekanteelde muur van rooden steen omvat het

oude fort, dat een stadje op zich zelf vormt. Naast moderne kazernes en

tusschen de mooie tuinen staan er nog de oude paleizen van den Shah.

Ten Zuiden van de binnenstad ligt het oude Delhi, Firozabad; links en

rechts herinneren oude gebouwen en ruïnes aan het grijze verleden. Aan

onze linkerhand liggen de bouwvallen van de Firoz Shahs Kotila, de oude

citadel van het Delhi van de veertiende eeuw. Nog verder naar het

Zuiden zien wij een typisch, oud, achthoekig gebouw, gedekt met een

witten marmeren koepel, het graf van Humayun, door den beroemden

grooten Mogol Akbar, den keizer van Indië, ter eere van zijn vader

opgericht.

Een twaalftal kilometers ten Zuiden van Delhi zien wij een groote

omwalling, met borstweringen en bastions, die de bouwvallen van een

stokoude moskee omsluit. Het zijn de resten van de burcht Lalkot, het

oudste, wat er van Delhi over is. Deze oude stad werd omstreeks 1050

door den vorst Anang Pal gesticht, en de moskee, waarop wij neerzien,

werd in 1300 op de plaats van een nog ouderen Hindoe-tempel voltooid.

Het inwendige ligt in puin, maar veel van de koepels en muren en

gaanderijen kunnen wij, rustig op een paar honderd meter er boven

zwevende, nog onderscheiden.

In Delhi is geen escadrille van de Royal Air Force, maar er is een

behoorlijk noodlandingsterrein.

Langs de spoorlijn en een evenwijdig daarmee loopend kanaal gaan wij

weer verder naar het Zuiden. Het is goed vliegweer en de motor loopt

uitstekend. Toch zullen wij heden en in het vervolg geen étappes meer

combineeren, want in de eerste plaats worden zij daarvoor nu te lang en

in de tweede plaats zullen wij, nu wij meer naar het Zuiden gaan

koersen, volgens de statistiek een minder gunstigen wind vinden.

Een uurtje nadat wij Delhi zijn gepasseerd, vinden wij aan den oever

van de Jumna een groote, dicht-ineengebouwde stad, Muttra. Het is een

oude stad, die jaarlijks door talrijke Hindoe-pelgrims wordt bezocht.

Zij vereeren in Muttra de geboorteplaats van den held Krischna, die

later tot God werd verheven. De Krischna-cultus is een van de vormen

van het Vischnoeïsme, dat op zijn beurt een van de drie hoofdtakken

vormt, waarin de Hindoe-godsdienst uiteenloopt.

De étappe van dezen dag was een van de meest interessante van de heele

reis. Wij vliegen dwars door het gebied, dat het rijkste is aan

monumenten van oude Indische bouwkunst en aan herinneringen van de

machtige vorsten, die hier in vroegere eeuwen hebben geheerscht.

Niet ver voorbij Muttra, als wij Agra naderen, zien wij in de vlakte

van de Jumna een park, rijk aan mooie grasvelden en zwaar geboomte. Een

muur, in een groot vierkant gebouwd, sluit het park af. Midden in de

vier zijden staan poorten, waarvan de eene, blijkbaar de voornaamste,

groot is als een moskee en bekroond met koepeltjes en vier hooge,

marmeren minaretten. Midden in het groote park ligt een vierkant

gebouw, meerdere verdiepingen hoog, de onderste van rooden steen, de

bovenste van marmer. De onderste verdieping is het grootste en de

daaropvolgende worden trapsgewijze kleiner. Elke verdieping is een

zuiver vierkant met een open galerij in het rond. Vier groote marmeren

poorten geven toegang tot het gebouw. De vierde verdieping, de

kleinste, bestaat uit een wit-marmeren open galerij, met vier koepels

op de hoeken, die een soort open pleintje omvat.

Wij vragen ons met eenige verbazing af, wat dit gebouw wel zijn kan.

Het heeft enorme afmetingen, maar te oordeelen naar de inrichting kan

het geen paleis zijn, en ook heeft het niet den vorm van de ons nu

langzamerhand welbekende moskee. Naderhand blijkt ons, dat dit

imposante bouwwerk het mausoleum is van den grooten Mogol Akbar, den

beroemden keizer van Hindostan. Hij kwam in 1556 aan de regeering. Zijn

gebied omvatte oorspronkelijk slechts een klein gedeelte van Punjab,

maar door veroveringen wist hij het uit te breiden, totdat hij regeerde

over de heele vlakte van den Indus tot diep in de bergen van Kashmir in

het Noorden, en over de vlakte van den Ganges Oostwaarts, tot aan de

golf van Bengalen en de bergen van Achter-Indië. Zoo was het rijk,

waarover deze machtige mogol heerschte te vergelijken in oppervlakte

met het Romeinsche keizerrijk in zijn bloeitijd. Niet alleen als

veroveraar was Akbar groot, maar ook door werken des vredes maakte hij

zich beroemd. Hij stierf in 1605 en werd bijgezet in de enorme tombe,

waar wij thans overheen zweven. Eenige oogenblikken later bereiken wij

de oude stad Agra aan de Jumna, de residentie van den Groot-Mogol, over

wiens graf wij zoo juist gevlogen zijn. Zijn eigenlijke naam is

Jelala-ud-din Mohammed, en Akbar, de Groote, was zijn bijnaam. Hij is

de stichter van de tegenwoordige stad aan den rechter oever van de

Jumna. Vóór hem lag de stad aan de andere zijde van de rivier. Het

paleis van den keizer lag aan den oever van de Jumna bij het

tegenwoordige fort. Dit laatste, een groote halve cirkel, omgeven door

een hoogen steenen muur met zware ronde bastions op de hoeken, omvat,

behalve de moderne kazerne’s, nog veel van de oude gebouwen van het

paleis van den keizer. Ofschoon deze uit een oogpunt van bouwkunst zeer

belangrijk schijnen te zijn, maken zij, vanuit de lucht gezien, weinig

indruk op ons. Het is eigenaardig, dat sommige gebouwen vanuit het

vliegtuig een mooieren indruk maken dan van den grond gezien, terwijl

andere van boven af beschouwd veel van hun bekoring verliezen. Gevels,

die men gewoonlijk van beneden af bekijkt, en met hun profiel tegen de

lucht ziet afsteken, ziet men vanuit het vliegtuig onder een heel

anderen hoek. Allerlei détails gaan vanuit de hoogte gezien verloren.

De groote vlakken van daken, die men van den grond af bijna niet ziet,

ontsieren voor den waarnemer in de lucht menig bouwwerk. Daarentegen

maken een mooi, symmetrisch grondplan, schitterende koepels, scherpe

kleur-contrasten en de ligging te midden van een fraaie omgeving het

juist bij vele Indische bouwwerken tot een waar genot, om er van boven

af op neer te zien.

Dikwijls vraagt men, of vanuit het vliegtuig nog veel te zien is van de

voorwerpen op den grond. In de verkeersvliegerij vliegen wij over het

algemeen niet hoog. Een hoogte van 300 of 400 meter is normaal. Op onze

Indië-vlucht zakten wij dikwijls tot 100 à 150 meter, wanneer er iets

belangrijks te zien was, of wanneer er luchtfoto’s gemaakt moesten

worden. Van die hoogte af kan men menschen op den grond nog duidelijk

genoeg zien, om bij voorbeeld de kleur van de kleeding te kunnen

onderscheiden. Van gebouwen gaan alleen de kleinere détails, zooals

beeldhouwwerken en mozaïken, voor het oog verloren. Ieder, die wel eens

van de verschillende platvormen van den Eiffeltoren op Parijs heeft

nedergezien, weet, hoe mooi bij helder weer het uitzicht van een hoogte

van 2 à 300 meter op de omringende gebouwen van de wereldstad is, en

kan zich voorstellen, hoeveel er voor den oplettenden waarnemer in het

vliegtuig van een overeenkomstige hoogte af te genieten valt. De

snelheid, waarmede het vliegtuig zich voortbeweegt, hindert de

waarneming slechts weinig, aangezien juist door de hoogte het landschap

zich schijnbaar langzaam onder het toestel door beweegt.

Een leelijk modern spoorweg-station scheidt het oude fort van Agra van

de daartegenover liggende moskee, de Jama Mashid, in de eerste helft

van de zeventiende eeuw gebouwd. Het is, zooals de meeste van die

moskeeën of Mashids, waar wij hier in Indië over heen vliegen, weer een

mooi, regelmatig, met koepels gedekt gebouw. De ruime voorhof met het

vierkante vijvertje in het midden, ontbreekt ook hier niet.

Reeds lang voordat wij onze vlucht begonnen, had ik mij er op verheugd

de Taj Mahal vanuit de lucht te bewonderen, die bij Agra een weinig

stroomafwaarts aan den oever van de Jumna ligt.

In het begin van de zeventiende eeuw heerschte over Agra de keizer Shah

Jehan. Hij was een machtig vorst, die vele vrouwen had, maar zijn hart

hing aan de keizerin Arjmand Banu, bijgenaamd Mumtaz-i-Mahal, „trots

van het paleis”. Jehan huwde in 1615 met deze Perzische prinses, die

hem veertien kinderen schonk, doch helaas bij de geboorte van het

laatste in het kraambed stierf. Voor zij den laatsten adem uitblies,

vroeg zij aan haren Heer, een graf voor haar te bouwen, dat het

schoonste op aarde zijn zou. De keizer voldeed aan haren wensch en van

1630 tot 1648 werd er gebouwd aan de Taj Mahal.

Het lot wendde zich tegen Shah Jehan. Zijn zoon Aurangzeb kwam tegen

zijn vader in opstand, verstootte hem van den troon en hield den ouden

keizer zeven jaren lang gevangen in het fort van Agra. Voordat de

keizer stierf vroeg hij als laatste gunst, nog éénmaal een blik te

mogen werpen op het graf van zijn vrouw. Uit den diepen kerker droeg

men hem naar een van de torens van het fort, van waar zijn brekend oog

in de verte aan den oever van de rivier de marmeren koepels van het

graf zag schemeren. Zoo stierf Shah Jehan en in de diepe crypt van de

Taj Mahal rust de vorst naast zijn geliefde Mumtaz-i-Mahal.

De bijzonderheden van de kostelijke mozaïken, die de wanden van den

tempel bedekken, van het fijne marmeren kantwerk, dat de vensterbogen

afsluit, gaan voor ons verloren, maar des te beter kunnen wij de

regelmatige harmonische vormen van het geheel bewonderen. Als een blank

en schitterend juweel op een donker groen fluweelen kleed ligt het graf

te midden van een sprookjesachtig park. Op een vierkant marmeren

terras, aan den oever van de Jumna, verrijst het hoofdgebouw. Groote,

in spitsbogen eindigende poort- en vensternissen, breken de regelmatige

muurvlakken. Een groote koepel met vier kleinere er omheen schitteren

in het felle zonlicht. Rondom den tempel op de vier hoeken van het

terras staan vier hooge, elegante minaretten, als vier zwijgende

wachters om het graf. Al dat blanke marmer steekt scherp af tegen het

park met zijn regelmatige vijvers en zijn donker groen geboomte. Een

rechthoekige muur omsluit het geheel en een indrukwekkend poortgebouw

vormt den toegang. Symmetrisch links en rechts van het hoofdgebouw

liggen een moskee en een verblijfplaats voor de geloovigen, die een

pelgrimstocht naar het graf maken. De breede stroom van de Jumna en de

vlakke oever aan den overkant leveren een rustigen, waardigen

achtergrond.

Slechts kort kunnen wij boven den Taj Mahal cirkelen. Wij maken een

paar luchtfoto’s en dan vliegen wij weer verder over de vlakke oevers

van de Jumna, die sterk kronkelend onder ons loopt, telkens de wateren

van breede zijtakken in zich opneemt, en meer en meer de hoofdrivier,

den heiligen Ganges, nadert.

Een honderdtal kilometers stroomafwaarts van Agra verlaten wij de Jumna

en volgen verder den spoorweg, om zoo de stad Cawnpore aan den Ganges

te bereiken. Deze stad heeft, gelijk de meeste steden in de omgeving,

een rol gespeeld in de dagen van den Indischen opstand in 1857, toen

het garnizoen zich aan de opstandelingen moest overgeven, en geheel

werd uitgemoord, terwijl vrouwen en kinderen als gevangenen werden

weggevoerd. Het kleine garnizoen had zich te verdedigen tegen een

overmachtigen vijand. Het moest ten slotte zich overgeven, doch wist de

voorwaarde te bedingen, dat het met behoud van zijn wapenen en een

kleinen voorraad munitie op booten langs de rivier de stad zou mogen

verlaten. Toen de bezetting met de vele vrouwen en kinderen in de

booten was gegaan, klonk echter een hoornsignaal; de Indische

bootslieden zochten een goed heenkomen aan den wal, en de vijandelijke

Sepoys openden verraderlijk een moorddadig vuur. De booten vlogen in

brand, en velen van hen, die niet door de verraderlijke kogels waren

getroffen, vonden een ellendigen dood in de vlammen en den

verstikkenden rook.

Ten Zuiden van de stad liggen groote kazernes, en hier zagen wij ook

een mooi, ruim grasveld, dat als noodlandingsterrein dienst doet.

Den Ganges volgende vonden wij bij de samenvloeiing van deze rivier met

de Jumna de stad Allahabad, ons doel voor dien dag. Wij landden er op

een groot exercitie-terrein. De Engelsche commandant was gewaarschuwd

en had gezorgd voor een wacht van inlandsche bereden politie. Het waren

flinke, goed gedrilde kerels, met eigenaardige puntige mutsen op, maar

overigens geheel Europeesch geuniformeerd. Hun kleine paardjes zagen er

pittig en wel-verzorgd uit.

Een vertegenwoordiger van de Asiatic Petroleum Company wachtte ons op.

Hij had gezorgd voor een langen witten wimpel om de windrichting aan te

geven, en benzine en olie werden ons gebracht op een kar, met een paar

mooie, witte ossen bespannen. Overigens was er weinig belangstelling

van Europeesche zijde op het terrein, dat ver buiten de stad lag.

Wij waren tamelijk vroeg in den middag geland, zoodat Van den Broeke

ruimschoots tijd had om vóór het invallen van de duisternis den motor

na te zien, terwijl Poelman en ik de tanks vulden.

Tegen den avond reden wij naar de stad. Er was daar geen afdeeling van

de Royal Air Force, maar wij vonden gastvrijheid bij een

infanterie-regiment, „The Queens”. Wij aten dien avond bij de

officieren van dat regiment in hun typische ouderwetsche roode

avond-uniformen. Een enkele Indische officier, zeer donker getint, zat

mede aan. Over het algemeen vonden wij in deze omgeving een minder

vlotten en prettigen geest dan bij de vliegerij, ofschoon ook hier de

menschen alles deden om ons te helpen.

Den volgenden morgen gingen wij heel vroeg al weer per auto naar het

veld. Het was zeer frisch weer en in onze dunne khaki-pakjes hadden wij

het bepaald koud. Onderweg zagen wij een man, die blijkbaar in het veld

overnacht had. Hij sliep gerust op een bamboe-bedje, en om de kilheid

van den nacht te weren, stookte hij midden onder zijn bed een lekker

kolenvuurtje.

De start van het groote, gladde veld verliep gemakkelijk, en al spoedig

zaten wij weer in de lucht. Wij vlogen over de stad en over het oude

fort, waar een exercitie-veld bij was, dat vroeger als vliegveld werd

gebruikt. Hier is Ross Smith op zijn vlucht naar Australië geland, en

de Argentijnsche wereldvlieger Zanni brak er een wiel van zijn toestel

door den slechten toestand van het terrein. Het nieuwe veld, waar wij

landden, is veel beter.

Wij volgen de spoorlijn, die evenwijdig aan den Ganges naar Benares

loopt. Dicht opeengepakt ligt de oude, heilige stad voor onze oogen op

den hellenden oever van den Ganges en terwijl wij rustig, laag over de

rivier vliegen, hebben wij gelegenheid, de vele merkwaardige gebouwen

te bewonderen.

De geschiedenis van Benares verliest zich in een grijs verleden, maar

zeker is het, dat het zes eeuwen vóór Christus reeds een bloeiende stad

was. Vijf eeuwen vóór onze jaartelling kwam Boeddha er, om na een

langen tijd van meditatie den grondslag te leggen voor zijn nieuwen

godsdienst. Een van de reliefs van den Baraboedoer op Java stelt hem

voor, predikende onder een boom, waar een hertje bij staat. Dit is een

herinnering aan de eerste prediking in het hertenwoud bij Benares.

Naderhand drong de Islam tot hier door, en van uit de lucht zien wij de

minaretten van de moskeeën boven de dichte huizenzee van de stad

uitsteken. De steile oever van den Ganges is dicht bebouwd, en de

zoogenaamde gouden Tempel, aan Siva als Heer van het Heelal gewijd,

verheft hier zijn vergulde spitsen ten hemel. Breede steenen trappen,

de zoogenaamde ghats, leiden overal de geloovige pelgrims van den

hoogen oever naar het heilige water van de rivier. Aan den voet van die

trappen verrichten zij de ritueele wasschingen in het vuile bruine

water, en op de onderste treden worden de lijken op een open

brandstapel verbrand, nadat zij eerst eenigen tijd met de voeten in het

heilige water gelegen hebben. Vanuit het vliegtuig zien wij het volk op

de ghats als mieren door elkaar krioelen, terwijl de groote parasols

van de kooplui er als heel kleine paddestoeltjes tusschen staan.

Bij Benares verlaten wij den Ganges om verder den spoorweg te volgen,

die naar Calcutta leidt. Wij vliegen eerst nog een eindweegs door de

breede, lage vlakte van den Ganges, en steken een van zijn zijrivieren

over, de Son. De rivier stroomt tusschen vlakke, zandige oevers en

breede zandbanken liggen in het midden van den stroom. Wij kijken hier

evenals bij den Ganges uit naar krokodillen, die naar men zegt, zich

gaarne op dergelijke zandbanken in de zon liggen te koesteren, maar tot

onze spijt kunnen wij er geen één van die monsters ontdekken, ofschoon

zij in deze streek zeer talrijk moeten zijn. De spoorlijn voert ons

langs het stadje Gaya, waar Hindoesche pelgrims in grooten getale heen

plegen te trekken, om den indruk van een voetstap van Vischnoe in een

rotsblok te vereeren.

Dan komen wij in laag heuvelterrein, een uitlooper van de heuvels en

bergen van Centraal-Indië, en aan den anderen kant van die heuvels

vinden wij een riviertje, dat ons den weg wijst naar Calcutta.

Al spoedig ligt de groote stad, die niet minder dan een millioen

inwoners bevat, voor ons. Een breede rivier, de Westelijkste van de

vele mondingen, waarmede de Ganges hier in de golf van Bengalen

uitstroomt, loopt er langs, en tallooze groote stoombooten liggen vóór

de stad voor anker. Wij besluiten eerst even een kijkje te nemen boven

de stad. Eerst vliegen wij over het Zuidelijk gedeelte, waar de groote

„maidan” dadelijk opvalt. Het is een reusachtige grasvlakte met mooie

renbanen en parken. Deze maidan is door vroegere vliegers dikwijls

gebruikt als landingsterrein, maar tegenwoordig heeft de politie hier

bezwaar tegen, zoodat wij zullen moeten landen op het Dum-dum-vliegveld

ten Noorden van de stad.

Midden op de maidan staat het Victoria Memorial, een schitterend,

wit-marmeren gebouw, opgericht ter herinnering aan de regeering van

koningin Victoria, en geopend door den prins van Wales tijdens zijn

reis door Indië.

Rondom de maidan liggen de Engelsche wijken, waar de vele witte

landhuizen zich verschuilen in het donkere groen van de tuinen.

Dan gaan wij naar het Noorden en vliegen dwars over de binnenstad, waar

de Indische wijken en de kantoren zijn. De hooge huizen zijn er in

nauwe straten dicht opeen gebouwd, en het geheel maakt een warmen,

vuilen indruk, en wij verwonderen ons in deze streek, waar de hitte des

zomers ondraaglijk kan zijn, een zoo Westersch gebouwde stad te vinden.

Ofschoon wij een goede detailkaart bij ons hebben, kost het ons eenige

moeite het vliegterrein te vinden; op de plaats, die de kaart aangeeft,

ligt wel een klein veldje, maar het ziet er voor het vliegveld van een

zoo groote stad nog al onwaarschijnlijk uit. Een witte cirkel in het

gras beduidt ons echter, dat het toch heusch de bedoeling is, dat wij

daar landen. Wij komen voorzichtig en zoo langzaam mogelijk naar

beneden, na het terreintje en de omringende hindernissen vanuit de

lucht zorgvuldig verkend te hebben. De landing lukt goed, en zooals het

meer gaat, valt het terrein nogal mee, als wij op den grond staan.

Wij hebben meermalen opgemerkt, dat wij in de tropen geneigd waren, de

afmetingen van vliegvelden te klein te schatten. Ik weet niet, wat de

oorzaak hiervan is. Het kan zijn, dat wij onbewust de afmetingen van de

velden vergelijken met de boomen in de buurt, en dat de grootere hoogte

van het geboomte in Indië, vergeleken bij dat in Holland, ons zoo

parten speelt. Ook is het mogelijk, dat de toestand van de atmosfeer

invloed heeft op de schatting, maar dit verklaart de zaak niet geheel,

daar een min of meer nevelige lucht ook in Indië voorkomt.

Op het vliegveld vonden wij verschillende Hollanders, waaronder den

waarnemend-consul en, niet te vergeten, iemand van de bank, die ons

geld bracht.

Hangars waren er niet; alleen was er een oud, half in elkaar gezakt

afdakje, waaronder de wrakken van een paar kleine vliegtuigjes lagen te

vermolmen. Engelsche infanterie uit een naburige kazerne leverde een

wacht en bracht ons benzine en olie.

Dadelijk gingen wij aan het werk om het toestel te verzorgen. Het werd

al donker, toen Van den Broeke nog aan den motor bezig was. Bij het

schijnsel van een paar automobiel-lantaarns werd de laatste hand aan

het toestel gelegd, en eindelijk reden wij in het duister van een

heerlijken tropischen nacht naar de ver-afgelegen stad. Wij begonnen nu

te voelen, dat Indië naderde. In den dichten jungle van de

Ganges-delta, die het vliegveld aan één zijde begrensde, klonk het

luide gehuil van jakhalzen; fel-blauwe lichtjes van vuurvliegjes

dansten in de struiken langs den weg. Bij het schijnsel van een fakkel

kwam ons een Indische begrafenis tegemoet. Het lijk, in doeken

gewikkeld, werd eenvoudig door een paar groote zwarte kerels op twee

bamboe-stokken op de schouders gedragen.

Zoo naderen wij langzamerhand de stad. Links en rechts begint het

gezellige drukke gedoe van tallooze Indische winkeltjes, geheel open

van voren, en met walmende pitjes schilderachtig verlicht. Hier en daar

loopen mooie, witte runderen rustig te midden van het drukke verkeer,

of wel zij liggen te slapen op de trottoirs. De Indiërs beschouwen deze

dieren als heilig, en niemand denkt eraan, ze weg te jagen.

’s Avonds een groot diner met de Hollandsche kolonie. Het doet ons

vreemd aan, na dagen van vliegen plotseling ons zelf terug te vinden in

een groote, helverlichte feestzaal, waar dansmuziek ruischt en de vele

avondtoiletten van dames tusschen de zwarte Europeesche kleeding van de

heeren afsteken.

Door de lucht naar Indië · 第 23 / 38 题