DE LANGSTE ÉTAPPE

Karachi was het eerste van die lange reeks vliegvelden, die de

Engelschen ten dienste van de Royal Air Force in het stroomgebied van

den Indus en den Ganges hebben aangelegd. De militaire vliegtuigen

komen per schip uit Engeland te Karachi, worden daar gemonteerd en

vliegen dan naar de vliegvelden in het binnenland, om gebruikt te

worden bij de verdediging van de Noordelijke grenzen van Voor-Indië

tegen de vijandelijke stammen van Afghanistan en Tibet.

Het vliegveld bij Karachi is dan ook ruim en goed. In de pers heeft een

wonderlijk verhaal de ronde gedaan, als zou dat vliegveld onvoldoende

zijn gebleken, zoodat wij noodgedwongen ergens op een weg zijn geland,

en daarna langs dien weg naar de hangars zijn getaxied. Het mankeert er

nog maar aan, dat men er bij vertelde, dat wij waren bekeurd, omdat de

goede F VII niet van een hoorn of claxon was voorzien. Waar dit verhaal

vandaan gekomen is, is ons steeds een raadsel gebleven. Het vliegveld

was ruim en in uitstekenden staat en de landing leverde geenerlei

moeilijkheid op. Wij vonden groote steenen hangars, zoodat de brave F

VII voor het eerst sedert Baghdad weer eens niet dakloos was. De

Engelschen waren hier, evenals overal elders, buitengewoon behulpzaam

en gastvrij. In Perzië was de „primer-leiding” gebroken; wij hadden een

reserve leidinkje gemonteerd; de Engelsche mécano’s te Karachi maakten

er een nieuw voor ons, zoodat wij nu weer een in reserve hadden. Het

was het leidinkje, waardoor men een weinig benzine in de cylinders kan

spuiten, om het aanslaan van den motor te vergemakkelijken.

Spoedig na de landing viel de duisternis in, en daar het vliegveld

nogal ver van de stad gelegen was, maakten wij gebruik van de

gastvrijheid, die de Royal Air Force ons vriendelijk aanbood en wij

sliepen dien nacht in de tenten van het vliegveld.

De Engelschen hadden bij deze en dergelijke gelegenheden steeds een

bijzonder prettige, sportieve manier, om hun gastvrijheid te bewijzen.

Zij begrepen, dat wij weinig behoefte hadden aan praten en feestvieren,

maar des te meer aan goede technische hulp en veel rust, en op vlotte

en van-zelf-sprekende manier kwamen zij ons hierin tegemoet.

Wij hadden het plan gesmeed, den volgenden dag weer eens flink op te

schieten, de landing bij Multan over te slaan, en zoo mogelijk

rechtstreeks door te vliegen naar Ambala. Wij kwamen nu in het terrein,

waar de vele goede vliegvelden ruimschoots gelegenheid voor

tusschenlandingen boden, en waar wij dus iets meer riskeeren konden. In

Angora hadden wij een dag verloren; door de landingen bij Basra en

Charbar over te slaan, hadden wij weer twee dagen gewonnen. Wanneer wij

nu na Karachi weer een dubbele étappe konden maken, waren wij totaal

twee dagen op ons reisplan vooruit, hetgeen ons de noodige speling gaf

voor eventueelen lateren tegenslag.

Den morgen van den tienden November stonden wij en ons toestel dan ook

al in de duisternis op het veld, en zoodra het voldoende begon te

schemeren, startten wij, tegelijk met een paar „Bristol” verkenners die

naar Khanpur moesten, en tot zoover met ons mee zouden vliegen.

Ofschoon wij onze route voor dien dag langs de rivier den Indus en de

spoorlijnen hadden geprojecteerd, besloten wij in verband met het

heldere weer sommige gedeelten recht toe, recht aan op het compas te

vliegen, om tijd te besparen. Zoo gingen wij dan, dadelijk na den start

recht naar het Noord-Oosten, dwars over de uitloopers van de bergen van

Baluchistan, waar de morgennevelen als dotten witte watten tusschen

hingen. Wij voelden ons geweldig slaperig. Een kwartier na den start

verschijnt rechts voor ons de zon als een vlammende roode bol boven den

horizon, en het duurt niet lang, of zij heeft de nevelen verjaagd. Het

is windstil, prachtig helder weer.

De lage heuvels maken plaats voor de vlakte, en wij kruisen den Indus,

die breed en kronkelend tusschen zijn moerassige, met rijstvelden

bedekte oevers loopt. Nadat wij ons op de kronkels van de rivier en den

daarlangs loopenden spoorweg nauwkeurig georiënteerd hadden, gingen wij

weer op het compas verder naar het Noord-Oosten. Al spoedig kruisen wij

weer een spoorlijn, de North-Western Railway, die Karachi met het

Noorden van Britsch-Indië verbindt, en waarlangs verschillende

vliegvelden liggen. We gaan op het compas verder en volgen ongeveer de

scheidingslijn tusschen de vlakte van den Indus en de Thar of Indische

woestijn. Links van ons ligt de breede vlakte, die door de rivier en

zijn zijtakken wordt besproeid. In den regentijd is de stroom acht

kilometer breed, zoodat hij de vlakte van Punjab wijd en zijd onder

water zet, waardoor het land vruchtbaar wordt en geschikt voor den bouw

van rijst, katoen, thee, granen en andere producten. Het land maakt,

van de lucht uit gezien, met zijn weiden en bouwlanden en zijn vele

palmen en andere boomen een mooien, frisschen indruk en levert een

scherpe tegenstelling met de dorre terreinen, waar wij de vorige dagen

overgevlogen zijn.

Die overstroomingen van den Indus vormen een factor, waarmede ter dege

rekening gehouden dient te worden bij het organiseeren van vluchten of

vliegdiensten in deze streek. Kort vóórdat wij aankwamen, had de Indus,

geheel tegen de algemeene verwachting in, de vlakte van Punjab onder

water gezet. Gewoonlijk treden deze overstroomingen in den zomer op,

maar dit jaar was het onverwachts in October gebeurd. Macmillan en

Blake kwamen bij hun poging om een vlucht om de wereld te maken,

negentien Juli in Karachi, en Blake klaagt in het boek, dat hij over

deze vlucht schreef, over het feit, dat verschillende vliegvelden ten

deele onder water stonden. Zij waren dan ook gedwongen, een omweg te

maken door het Noord-Westen via Quetta. Wanneer men in den regentijd in

deze streek moet vliegen, is het dan ook bepaald noodzakelijk, zich

onmiddellijk vóór iedere étappe op de hoogte te stellen van den

toestand van de terreinen, terwijl het wenschelijk is, een vliegtuig te

gebruiken, dat lange étappe’s maken kan, zoodat men zoo noodig de

minder goede vliegvelden over kan slaan. Verder is het noodig, het

toestel uit te rusten met groote wielen en breede banden, waardoor het

minder gauw in de modder wegzakt. Het zelfde geldt trouwens voor het

vliegen met een landvliegtuig gedurende den regenmoesson op Java. Er

zijn tegenwoordig luchtbanden voor vliegtuigen in den handel, die een

verbreed loopvlak hebben met het oog op landingen op modderige

terreinen.

In verband met deze overstroomingen zou het wellicht aanbeveling

verdienen voor een geregelde luchtlijn, de route niet te kiezen door de

vlakte van den Indus, maar van Karachi in rechte lijn naar Agra, via

Jodhpur. Ook hier zou men steeds een spoorweg kunnen volgen. Wij kozen

deze route niet, omdat wij dan over de Indische woestijn zouden moeten

vliegen, waar op het oogenblik geen vliegvelden zijn. Er is echter

technisch geen enkel bezwaar tegen, eenige vliegvelden aan te leggen

bij de plaatsen, die aan den spoorweg Karachi–Hyderabad–Jodhpur–Agra

liggen. Het is alleen de vraag, of hier tegen geen politieke bezwaren

zouden bestaan. De landen langs Indus en Ganges (Sind, Punjab,

Vereenigde Provinciën en Bengalen) staan rechtstreeks onder Engelsch

gezag, terwijl daarentegen Rajputana, het land waar de Indische

woestijn in ligt, een afhankelijke Indische staat is.

Onze route voert ons vrijwel langs de grens van die beide gebieden, en

aan onze rechterhand hebben wij een wijd uitzicht over de Indische

woestijn. Het is een wijde zandvlakte, met hier en daar wat struikjes

er in, en het ziet er naar uit, of er wel gelegenheid is, een

noodlanding te maken.

Ongeveer vier uur hebben wij op het compas gevlogen, als wij de

spoorlijn weer terug vinden, die wij verder zullen volgen. Wij

berekenen, dat wij 135,6 kilometer per uur hebben afgelegd. Wij

schieten dus goed op, en hebben blijkbaar wind mee. Dit klopt met de

meteorologische statistieken. In het algemeen kwamen deze statistieken

aardig overeen met onze ervaringen gedurende onze vlucht, en wij hebben

van dit deel van onze voorbereidingen veel pleizier gehad.

De vliegtuigen van de Royal Air Force, die in Karachi tegelijk met ons

waren gestart, hadden wij al spoedig uit het oog verloren;

waarschijnlijk zijn zij niet op het compas gevlogen, maar hebben zij de

spoorlijn gevolgd. Eenigen tijd later, bij het stadje Khanpur, zien wij

er een van terug. Het maakt even een bocht langs ons heen om afscheid

te nemen, en landt dan op het vliegveld bij die stad.

Ruim vijf uur na ons vertrek uit Karachi bereiken wij de stad

Bahawalpur aan de rivier Sutlej, een zijtak van den Indus. De spoorlijn

splitst zich hier in een tak, die naar het Noorden, naar Multan voert,

en een anderen tak, die Oostwaarts naar Ambala gaat. Wij besluiten,

Multan links te laten liggen en zonder tusschenlanding naar Ambala door

te vliegen. Bahawalpur is vanuit de lucht gezien een mooi Indisch

stadje, tusschen veel groen aan de rivier gelegen. Oost van de stad

zien wij in een groot park een schitterend wit gebouw met vier torens

op de hoeken, het paleis van den Nabob, een van de schatrijke Indische

vorsten, die in deze streek heerschen. Er zijn groote ondergrondsche

kamers in, waar de temperatuur op zeventig graden blijft, wanneer het

in de bovengrondsche zalen honderd tot honderd en tien graden is.

Om zooveel mogelijk te profiteeren van den gunstigen wind, gaan wij wat

hooger vliegen, op ongeveer 800 meter. Het is zeer rustig en helder

weer. Langzaam glijdt de vlakte onder ons voort, en het uitzicht vanuit

ons toestel omvat een groot gedeelte van den Punjab links en van de

woestijn rechts. Telkens en telkens ontmoeten wij groote gieren, die

statig, zonder een vleugelslag, hoog in de wijde lucht zweven.

Er bestaan eenige angstwekkende verhalen over vliegers, die in de lucht

door roofvogels werden aangevallen. Vooralsnog kan ik hier niet veel

geloof aan hechten, want zoowel de arenden van den Taurus, als de vele

gieren, die wij in Britsch-Indië tegen kwamen, toonden steeds een

volkomen gebrek aan belangstelling voor het vliegtuig. De gieren waren

alleen in zooverre lastig, dat wij moesten oppassen, er niet mee in

botsing te komen. Ze waren blijkbaar zoo zeker van hun veiligheid hoog

in de lucht, dat zij, wanneer wij ze inhaalden, rustig vóór het toestel

uit bleven zweven, en eerst op het laatste oogenblik een zwenking

maakten om uit den weg te komen. Men zegt, dat dagroofvogels wel een

zeer scherpen blik, maar een zwak gehoor hebben; doch het is moeilijk

aan te nemen, dat zij het luide geraas van den motor niet konden

hooren. De snelheid, waarmee de gieren door de lucht zweefden, was

aanzienlijk minder dan die van ons toestel. Wij kwamen ze veelal tegen

op een hoogte van 800 tot 1000 meter. Het is niet aan te nemen, dat de

vogels uit louter liefhebberij op deze hoogte zweven. Er zijn dus twee

veronderstellingen mogelijk. Of zij zochten deze hoogte op om, evenals

wij, van den wind te profiteeren; dit zou kloppen met de omstandigheid,

dat zij op dit traject meestal in de zelfde richting vlogen als het

vliegtuig, en zou wijzen op een merkwaardig instinct om gebruik te

maken van den toestand van den dampkring. Of wel, de vogels zweefden

hier rond om op buit te loeren; hierop wijst het feit, dat wij ook

gieren tegenkwamen, die tegen den wind in vlogen. Dit wijst echter weer

op een gezichtsscherpte, die aan het ongelooflijke grenst, want voor

den mensch zijn van een hoogte van ongeveer duizend meter zelfs

menschen en groote dieren op den grond niet meer te onderscheiden, laat

staan de kleinere dieren, waar de roofvogels op loeren.

Steeds de spoorlijn volgende, gaan wij verder Oostwaarts. Wij maken een

foto van Patiala, een typisch Indische stad, hoofdstad van den

gelijknamigen staat, een van de rijkste en dichtst-bevolkte van Punjab.

Een groot oud fort ligt midden in de stad.

Dan duurt het niet lang meer, of wij bereiken Ambala, ons doel voor

dien dag.

De stad is verdeeld in een oud, Indisch gedeelte en in een nieuwe, op

eenigen afstand gelegen, Engelsche wijk, het zoogenaamde Cantonment,

waar niet alleen de Engelsche bezetting hare kazernes en

exercitie-terreinen heeft, maar waar ook alle andere Engelsche

ambtenaren hun mooie villa’s aan schaduwrijke lanen hebben liggen. Het

maakt een eigenaardigen indruk, hier in het hart van Indië de spits van

een fraaie kerk in Engelsch-gothischen stijl boven de donkere boomen te

zien uitsteken.

Vlak bij het cantonment liggen naast elkander twee groote, mooie

exercitie-velden. Aan de groote hangars herkennen wij één er van als

het vliegveld. Wij cirkelen er een keertje omheen, zetten den motor af

en zweven het ruime terrein binnen. Juist op dat oogenblik vliegt een

groote kraai dwars door de schroef, ploft boven ons hoofd tegen den

vleugel en verdwijnt weer in de ruimte. Gelukkig draaide de schroef

heel langzaam, zoodat er geen schade door werd aangericht aan het

toestel, maar waarschijnlijk is het arme dier er zelf minder goed

afgekomen.

Juist acht uren, nadat wij Karachi hebben verlaten, komen de zware

wielen van de F VII in aanraking met het veld van Ambala. Wij hebben de

1200 kilometer afgelegd met een gemiddelde snelheid van 150 kilometer

per uur. Aangezien wij aan het begin van deze étappe een gemiddelde van

slechts 135 kilometer maakten, moeten wij gedurende de laatste uren,

toen wij hoog vlogen, zeer hard zijn opgeschoten, hetgeen er op wijst,

dat de wind op grootere hoogte aanzienlijk sterker was dan op den

grond. Wij voelden ons zeer voldaan over onze vorderingen gedurende de

laatste dagen. Twee etmalen geleden zaten wij nog bij de Perzische

golf, en nu zijn wij in het hartje van Voor-Indië; op die manier krijgt

men ten minste het gevoel, dat men opschiet.

Onze motor had bij den start in Karachi een blazend geluid laten

hooren, dat wees op lekke kleppen. Aangezien Ambala het laatste

vliegveld is, voorzien van behoorlijke hangars en werkplaatsen, dat wij

voorloopig zullen aandoen, besluiten wij het er verder niet op te

wagen, maar hier den motor grondig na te zien en een nieuwen cylinder,

waarvan wij er twee in reserve bij ons hebben, te monteeren.

Daar dit eenigen tijd zal vorderen, zullen wij hier een dag rust nemen,

en eerst overmorgen, den twaalfden, vertrekken.

De Engelsche vliegers waren als naar gewoonte weer zeer geschikt. Zij

stelden dadelijk op mijn verzoek twee goede mécano’s tot onze

beschikking om Van den Broeke te helpen. Toen zij hoorden, dat wij den

volgenden dag niet zouden vliegen, en dus konden uitslapen, hielp er

verder niets aan, en moesten wij mee naar de club, waar wij geducht

werden gefeest. Het officiersverblijf, waar wij dien nacht sliepen,

ligt te midden van een schitterend park vol palmen en andere boomen en

exotische bloemen. Het groote, koele hoofdgebouw bevat de eet- en

recreatiezalen, en de officieren wonen in comfortabele bungalows

daaromheen, schilderachtig verscholen tusschen het groen van het park.

In een van die bungalows genoten wij gastvrijheid van een

kapitein-vlieger.

Er was dien avond juist een oefening in nachtvliegen. De vliegtuigen,

hiervoor gebruikt, waren de bekende „Bristol-fighters”. Voor de

verlichting van het veld bezigde men de oude, beproefde methode van een

reeks benzinevuren, waarlangs geland werd. De oefening, waaraan een

groot aantal vliegtuigen deelnam, slaagde uitstekend, en het maakte een

prettigen indruk, dat de commandant, een oud-oorlogsvlieger, die aan

het front een oog verloren had, zelf hard mee deed.

Wij hadden tot dusver gevlogen in onze Europeesche colbertjes, die voor

dit klimaat rijkelijk warm begonnen te worden. Wij besloten daarom den

dag rust in Ambala te gebruiken voor een volledig „Changement de

décor”. De Engelschen droegen hier meestal eenvoudig khaki shirts met

korte linnen broekjes, en sportkousen. Deze kleeding is koel, wordt

niet gauw vuil en geeft een minimum aan complicaties, aangezien alle

losse knoopjes, losse boorden, dassen, onderkleeding enz. er eenvoudig

niet bij voorkomen. ’s Morgens kwam dus een Indische kleermaker

opdagen, die de maat nam met een zorg, alsof het voor een avondcostuum

was, en nog dienzelfden dag was onze tropen-uitrusting, aangevuld met

een zonnehelm, gereed.

Het was dien dag elf November, „Armistice-Day”, de dag, waarop de

sluiting van den wapenstilstand wordt gevierd, en wij werden

uitgenoodigd, naar de parade van de Royal Air Force te komen kijken. In

den morgen wandelden wij naar de Parade-ground. Het was heerlijk weer

en de wandeling door het mooie cantonment was op zich zelf de moeite

waard. Kleine, zilvergrijze eekhoorntjes klimmen in de stammen van de

groote boomen, die den weg beschaduwen. Tallooze roofvogels, een soort

groote kiekendieven, zitten links en rechts van den weg, even weinig

schuw als Hollandsche musschen. Voor een van de kazerne’s maakt een

aapje aan een ketting menschelijke gebaren tegen ons. Overal links en

rechts groote, mooie sportvelden. Op één er van is een troep Sikhs druk

en ernstig aan het voetballen. Het is een wonderlijk gezicht, die

groote gestalten met hun zwarte, in twee punten gescheiden baarden, met

bloote armen en beenen in roode sportpakjes te zien rondhollen.

De parade verloopt keurig. De troep bestaat uit mécano’s van de Royal

Air Force, eigenlijk gewone burgerwerklieden, die maar zelden aan

militaire exercitie’s hoeven deel te nemen, maar zij paradeeren even

correct als de beste beroepssoldaten. Van uit een van de kazernes

klinkt een hoornsignaal, de troep presenteert het geweer, de officieren

salueeren en een minuut lang heerscht stilte op het veld. Het is de

plechtige „one minute’s silence”, waarin het heele Britsche Imperium

zijn dooden uit den grooten oorlog herdenkt.

Na de parade gaan wij een beetje winkelen, en met een paar officieren

brengen wij een bezoek bij een gepensioneerden kolonel, een

allergezelligsten man, die de heele wereld heeft bereisd en wiens

groote huis, in een prachtig park gelegen, vol jachttropheeën en andere

merkwaardigheden uit verschillende werelddeelen, hangt. Wij werden

bediend door een plechtigen Indiër en zijn zoontje, een ventje van een

jaar of vijf, dat nauwelijks boven de tafel uit kon kijken, doch reeds

in een keurige liverei gestoken was, en zijn taak zeer ernstig opnam.

Op last van zijn baas zei het jochie lange, Engelsche verzen, waar hij

zelf geen woord van begreep, geïllustreerd met passende gebaren, zonder

fouten uit het hoofd op. Het was een merkwaardig staaltje van het

vermogen van den Indiër om dingen machinaal uit het hoofd te leeren.

Onder het genot van de noodige koele dranken en van de gezellige

verhalen van den ouden kolonel Appelbee verdwijnt de ietwat sombere

parade-stemming al spoedig.

In den namiddag stond de F VII weer geheel klaar om den volgenden dag

te vertrekken. De motor was grondig nagezien, een van de cylinders was

verwisseld, en de onderbreker van een magneet, die een defect

vertoonde, was hersteld.

’s Middags schreven wij een paar brieven en rapporten, en daarna gingen

wij eten met de officieren. Het was treffend om te zien, hoe zich in de

jonge Royal Air Force gedurende de weinige jaren van haar bestaan reeds

een krachtige militaire traditie heeft ontwikkeld. De tafel was

versierd met de zilveren tropheeën van het regiment, en de officieren

er omheen maakten in hun correcte, schilderachtige avond-uniform een

ouderwetsch militairen indruk. Aan het eind van den maaltijd werd de

gebruikelijke dronk ingesteld op den Koning, den „King-Emperor” zooals

het hier in Indië heet, en daarna dronk de tafelpraeses op „Her

Gracious Majesty The Queen of Holland; God bless Her!”

’s Avonds gingen wij allen samen naar een groot gecostumeerd bal, dat

ter eere van den wapenstilstand in de onderofficierscantine gegeven

werd. Het strijkje van de onderofficieren speelde toen wij binnen

kwamen het Wilhelmus.

Door de lucht naar Indië · 第 21 / 38 题