ROTSEN, ZAND EN ZEE

De wijde, kale vlakte, uit het slib van den Shatt-al-Arab ontstaan,

biedt weinig houvast voor de oriëntatie, en zoo vliegen wij op het

compas naar het Oosten. De lucht is niet geheel onbewolkt, en hier en

daar hebben wij reeds enkele droppels regen gehad, maar toch duurt het

niet lang, of wij kunnen in de verte de eerste bergketens van Perzië

onderscheiden. Zij zijn de eerste voorboden van die lange bergenreeks,

die in Klein-Azië bij de gebergten van Kurdistan begint, vandaar naar

het Zuid-Oosten loopt en de vlakte van Mesopotamië begrenst, zich

voortzet langs de kust van de Perzische Golf en in Voor-Indië aansluit

bij de bergen van Belutschistan en Afghanistan. Die lange boog van

gebergten omgeeft de hoogvlakte van Perzië en vormt de barrière

tusschen die hoogvlakte en de Zuidelijke kust.

Wij vliegen door tot dicht bij den voet van de bergen en buigen dan af

naar het Zuid-Oosten, om langs de Perzische Golf onzen weg naar Bushir

te vervolgen. Rechts van ons ligt de kalme, blauwe zee. Hier en daar

aan den oever een armelijk visschersdorpje met wat kleine bootjes er

bij. Links liggen verschillende bergketens, de een achter den ander,

evenwijdig aan de kust. De voorste zijn een duizend meter hoog,

daarachter klimmen zij trapsgewijze op en de hoogste toppen verheffen

zich tot over drie duizend meter. Tusschen de bergen en de zee ligt een

vlakte van gemiddeld 20 kilometer breedte. Het terrein is kaal en

vertoont weinig plantengroei, en ofschoon het hier en daar wat

rotsachtig en met steenen bedekt is, biedt het toch nog tamelijk veel

gelegenheid voor een noodlanding. De vlucht is tamelijk eentonig, maar

wij zijn aan lange étappe’s gewoon geraakt; wij voelen ons in ons goede

vliegtuig thuis als in een woonschuit en de tijd gaat snel voorbij.

Door de gewoonte hebben wij zoo langzamerhand een geregelde

dag-indeeling gekregen. Poelman en ik wisselen elkander om het uur aan

het stuur af. Het eerste uur vlieg ik meestal zelf; dan komt Poelman

aan de beurt en ga ik in de cabine om, met de schrijfmachine op de

knieën, mijn brieven en rapporten te schrijven. In het begin kostte het

mij eenige moeite, rustig de zaak over te laten en mij in de cabine op

te sluiten; maar ook dat wende spoedig. Het derde uur ben ik weer aan

de beurt en als ik dan door het deurtje in de cabine kijk, zie ik

meestal Poelman en Van den Broeke met tevreden gezichten bezig aan de

lunch. Zoo nu en dan wordt mij een sandwich toegestoken, die ik aan het

stuur verorber. Het vierde uur ben ik weer vrij, en werp ik mij op het

overschot van den maaltijd, en zoo gaat het geregeld door. Zoo nu en

dan moet er gefotografeerd worden; het dagboek moet worden bijgehouden,

de kaarten geraadpleegd en de afgelegde afstanden gecontroleerd, en zoo

is er altijd weer wat te doen en gaat de tijd snel voorbij. Van den

Broeke heeft aan boord de vervelendste rol, omdat zijn werk pas na de

landing begint. Van tijd tot tijd bengelt hij, vredig duttende, in zijn

hangmatje.

Eindelijk komt Bushir in zicht. De stad ligt dicht-opééngebouwd op de

punt van een schiereiland, dat een mooie, groote baai omsluit. Voor

watervliegtuigen zou deze baai met zijn lage oevers een prachtige,

ruime landingsgelegenheid bieden. Er liggen eenige schepen voor anker,

en wij kunnen de verzoeking niet weerstaan om daar even laag over heen

te vliegen. Dan gaan wij over de stad heen en iets meer Oostwaarts

vinden wij het vliegveld.

Het vliegveld is ruim en goed; de harde bodem is grootendeels met kort

droog gras bedekt, en de landing levert geen moeilijkheid op. Wij

vinden een houten hangar, die echter niet groot is, zoodat de F VII er

slechts ten deele, schuin, in kan. Onze benzine en olie blijken te zijn

aangekomen. Op het terrein zijn eenige Engelschen aanwezig, benevens

eenige Perzische officieren, in Europeesch uniform met lage bontmutsen

op. Dezen controleeren onze papieren. Hierbij had een eigenaardige

plechtigheid plaats. Aan de regeeringen van de landen, waar wij over

zouden vliegen, was toestemming gevraagd, om een Kodak mee te nemen en

luchtfoto’s te maken. Niemand had hier eenig bezwaar tegen gemaakt. In

Bushir werd ons medegedeeld, dat wij geen foto’s mochten maken, en dat

onze camera verzegeld moest worden; hetgeen dan ook geschiedde;

tusschen Bushir en Bender-Abbas hebben wij dan ook geen foto’s gemaakt.

Het merkwaardige van het geval is, dat juist deze streek buitengewoon

dun bevolkt is, en dat er geen forten of militaire bezettingen zijn.

Het is ons dan ook nooit recht duidelijk geworden, welk bezwaar de

Perzische regeering er tegen had, dat wij deze kale vlakte en barre

rotsen fotografeerden, en het spreekt van zelf, dat wij later, dadelijk

na den start in Bender Abbas het loodje, waarmede de camera verzegeld

was, in de Perzische Golf deden verdwijnen.

Op het vliegveld in Bushir vonden wij een Franschen vlieger met zijnen

mécano. De eerste was door de Perzische regeering aangesteld, om aldaar

een cursus te geven tot opleiding van militaire vliegers. Hij had er

een les-toestel en een klein sport-toestelletje. De Fransche mécano

hielp nog een beetje bij het toestel. De Perzen plaatsten een wacht bij

het vliegtuig, maar aangezien de Engelschen ons waarschuwden, dat de

betrouwbaarheid daarvan misschien wel iets te wenschen over zou laten,

bleef Van den Broeke bij de hangar slapen, waar ook de Fransche

mécanicien verblijf hield. Ditmaal maakte hij geen gebruik van de

hangmat in de cabine, maar sliep in de open lucht. Dit wordt in Perzië

veel gedaan. Vooral des zomers slapen vele menschen op de platte daken

van de huizen, waar het des nachts prettig koel is. Het regent er des

zomers bijna nooit, en muskieten zijn er niet.

Wij moesten dien avond maatregelen nemen, om het noodige koelwater voor

den motor te krijgen. Een koelie werd uitgezonden naar den

naastbijzijnden put en moest hiervoor, heen en terug, een uur loopen.

Dien nacht brachten wij door bij de Engelschen. Zoowel hier in Bushir

als in Bender-Abbas nemen de Engelschen een eenigszins eigenaardige

positie in. In Bushir is de hoogste Engelsche autoriteit de „Resident”,

in Bender-Abbas de consul. Ofschoon zij zich in Perzisch gebied

bevinden, hebben deze beide autoriteiten ieder voor zich een door een

muur afgesloten terrein, waar zij practisch baas en koning zijn; hier

bevinden zich de woningen van de weinige Engelsche ambtenaren, en een

station voor draadlooze telegrafie, terwijl een vrij aanzienlijke

wacht, uit Britsch-Indische troepen bestaande, de zoogenaamde

„Residence Guard” voor de bewaking zorgt.

De Engelsche officieren van deze wacht geleidden ons in Bushir naar de

woning van den Resident, die evenals het vliegveld, een eind Oost van

de stad lag. Wij vonden er een zeer prettige gastvrijheid. De Resident

woonde in een reusachtig, typisch Perzisch huis met zware muren, lange

galerijen en enorme kamers. Mij werd een vertrek toegewezen ter grootte

van een flinke danszaal. Ongelukkigerwijze was de waschtafel aan het

ééne eind en de scheerspiegel aan het andere en telkens als ik mijn

kwastje even wilde natmaken moest ik ongeveer vijf minuten op en neer

loopen; ergens midden in de immense ruimte stond een bed, dat ik zonder

compas slechts met moeite terug vond. Een lange Britsch-Indische

bediende, die er met zijn grijzen baard en grooten tulband eerwaardig

uit zag als Mohammed zelf, dwaalde op bloote voeten onhoorbaar als een

gedienstige geest rond.

Den volgenden dag reden wij in de koelte van den ochtend weer naar het

veld. De weg er heen voerde door een kaal en zandig terrein, met hier

en daar wat lage palmen en dorre struiken. Het schijnt echter, dat ’s

winters, tijdens de vier maanden dat er wat regen valt, het terrein

zich dadelijk met gras bedekt, en de bevolking eenigen landbouw

uitoefent.

Dien morgen konden wij weer tijdig vertrekken ofschoon Van den Broeke

’s avonds niet heel lang aan het toestel had kunnen werken. Er was

namelijk wel een motor met dynamo aanwezig om stroom te leveren voor

electrisch licht, maar de installatie was defect. Gelukkig waren

vliegtuig en motor in goeden staat; de waterpomp had een beetje gelekt

door de pakking, maar dit bezwaar had Van den Broeke gemakkelijk kunnen

verhelpen. Verder waren in de reserve-benzinetank een paar

klinknageltjes lek, maar aangezien zij gedurende de vlucht boven het

benzine-niveau zaten, leverde dit geen bezwaar op.

Het terrein was ruim, en de start liep vlot van stapel. Het was mooi,

niet te warm weer en er woei een zwakke Noord-Westen wind. Aangezien

onze koers pal Oost was, hadden wij den wind dus schuin in den rug.

Toch besloten wij, dien dag geen landingsplaats over te slaan. De

eerstvolgende vliegvelden namelijk waren successievelijk Bender-Abbas,

Charbar en Karachi. Hiervan was het eerste tamelijk goed, het tweede

slecht en het derde zeer goed. Het was dus beter voor ons, dien dag

slechts tot Bender-Abbas te gaan, en dan den volgenden dag zoo mogelijk

Charbar over te slaan en dadelijk naar Karachi door te vliegen.

Zooals gezegd, waren vóór Bushir de bergen over het algemeen nog

tamelijk ver van de zee verwijderd gebleven, zoodat een breede, vlakke

kuststrook overbleef, die nog tamelijk veel gelegenheid voor

noodlanding overliet. Voorbij Bushir werd de toestand echter al spoedig

minder gunstig. Rotsketens van 500 tot 1000 meter hoogte loopen hier en

daar dicht langs de kust, en ook de lagere terreinen zijn meer en meer

met ruwe rotspunten bedekt, en ofschoon er wel vlakke, zandige

gedeelten overblijven, waar men zou kunnen landen, zijn er toch ook

groote stukken, waar de rotsen tot vlak aan zee doorloopen en waar een

noodlanding zeer zeker levensgevaarlijk zou zijn. Gelukkig loopt de

motor uitstekend en wij kunnen hem gemakkelijk op de juiste temperatuur

houden. Onze grondsnelheid is ruim 130 kilometer per uur, zoodat wij

goed vorderen.

Naarmate wij verder komen, wordt het terrein rotsachtiger. Hier en daar

is de heele kuststrook met lage, onregelmatige rotspunten van 20 tot 50

meter hoogte bedekt, die dicht opeen staan als de spijkers op de zool

van een berglaars. Men kan zich voorstellen, wat een noodlanding hier

beteekenen zou en met welk een belangstelling wij de instrumenten van

den motor in de gaten houden.

De eigenaardigste geologische formatie’s treffen ons oog. Men kan

duidelijk zien, dat de rotsen oorspronkelijk uit horizontale lagen zijn

samengesteld. Het maakt den indruk, dat de Perzische Golf is ontstaan,

doordat de bodem hier plotseling sterk naar beneden is gezonken, en het

schijnt, alsof de rotslagen bij deze beweging zijn afgeknapt, terwijl

de afgebroken stukken, scherp en kantig als glasscherven, half uit het

water opsteken. Op één plaats schijnt het, dat een groote top juist op

den rand van de breuk is blijven liggen, en daarna langs de helling

naar beneden is gegleden. De zware rotsmassa heeft bij haar val langs

de helling een breede baan glad geslepen en ligt nu als een klein

schiereilandje in het water van de Perzische Golf.

Dit grootsch, indrukwekkende landschap is slechts in twee tinten

gekleurd; het bruin-grijs van de rotsen links en het blauw van den

wijden hemelkoepel boven ons en van de onafzienbare watervlakte aan

onzen rechterhand. Zoo nu en dan wijken de bergketens weer een weinig

terug en maken zij plaats voor groote eenzame zandvlakten, waaruit hier

en daar rotsblokken opsteken, die fantastische vormen van burchten met

gekanteelde muren en hooge torens aannemen.

De kust maakt een groote uitspringende bocht. Wij steken die bocht af

en vliegen over een groot zoutmoeras, het Mihrakan. Ofschoon het moeras

in dezen tijd van het jaar droog ligt, is er eenige plantengroei. Langs

den rand staan palmboomen en liggen eenige dorpjes. Een rotsketen, met

kammen, scherp als messen, sluit het moeras af van de Perzische Golf.

Gedurende de laatste uren van deze étappe maakten wij 142½ kilometer

per uur.

Het vóórlaatste uur vóór de landing had Poelman gevlogen. Hij klaagde

er over, dat de ailerons zwaar liepen, en toen ik het stuur overnam

voor het laatste uur, bleken deze inderdaad bijna geheel vast te

zitten. Het is hier wellicht de plaats, de wijze, waarop een vliegtuig

wordt bestuurd, eenigszins te verklaren.

Aangezien een vliegend toestel zich geheel vrij in de lucht bevindt,

kan het om de drie assen van de ruimte draaien. Dit in tegenstelling

met bijvoorbeeld een auto, die zich alleen naar links of rechts kan

wenden, met andere woorden slechts om één as van de ruimte draaien kan.

Vandaar dat een auto genoeg heeft aan één stuur, doch dat een vliegtuig

er drie moet hebben. Die drie sturen nu zijn het richtingsroer, de

ailerons, en het hoogteroer. Het richtingsroer, achter aan den staart

van het vliegtuig bevestigd, werkt geheel als het roer van een boot;

het dient dus, om het vliegtuig naar links of rechts een bocht te doen

beschrijven, en het wordt door den vlieger bediend met behulp van een

paar pedalen. Om schommelingen van het vliegtuig om zijn lengte-as te

beheerschen, dienen de ailerons. Dit zijn twee op- en neerbewegende

vlakken achter aan de punten van den vleugel. Zij zijn zoo ingericht,

dat de rechter aileron naar boven gaat als de linker naar beneden gaat.

Wanneer nu bijvoorbeeld het vliegtuig naar links overhelt, en de

vlieger dus de linker vleugelpunt omhoog wil brengen, beweegt hij den

linker aileron naar beneden en den rechter aileron naar boven, waardoor

het toestel in den gewenschten stand wordt gebracht. De ailerons worden

bediend met behulp van een stuurwiel. Het hoogteroer bestaat uit een

horizontale twee-deelige klep aan den staart van het vliegtuig. Wanneer

deze klep naar boven wordt gedraaid, gaat de staart van het vliegtuig

naar beneden, en de neus naar boven, zoodat het toestel klimt. Wordt

het hoogteroer naar beneden gedraaid, dan gebeurt het omgekeerde. De

vlieger beweegt het hoogteroer, door het heele stuurwiel van de

ailerons met de stuurkolom, waar dit op bevestigd is, naar zich toe te

halen (voor het klimmen) of van zich af te drukken (voor het dalen).

Toen ons bleek, dat de ailerons zwaar liepen, trachtten wij de oorzaak

hiervan te vinden, maar wij konden geen fout ontdekken. Ik was daarom

bang, dat de aileron-kabels ergens in den vleugel beschadigd waren. Het

was gelukkig kalm weer, en in de lucht kan men dan het evenwicht van

het vliegtuig met het richtingsroer alleen voldoende beheerschen. Bij

de landing op het betrekkelijk kleine vliegveld te Bender-Abbas zouden

wij echter de ailerons bepaald tot onze beschikking moeten hebben, en

om ze daarvoor te sparen, gebruikte ik ze het laatste uur niet. Het

ging gelukkig goed, maar het was onaangenaam vliegen, vooral ook, omdat

wij niet zeker wisten, wat er eigenlijk aan de hand was.

Nadat wij het zoutmoeras waren gepasseerd, kwamen wij weer aan de kust,

en wij vonden een lang eiland, dat evenwijdig hiermede tot dicht bij

Bender-Abbas doorliep. Hiermede waren wij aan het einde van de

Perzische golf gekomen, die in het midden een breedte heeft van 200 tot

300 kilometer, doch zich hier in de buurt van Bender-Abbas vernauwt tot

ongeveer 90 kilometer. Dwars over het eiland heen zagen wij aan den

overkant van de golf een bergtop tot boven den horizon uitsteken. Het

was de Jabal-al-Harim, 2057 meter hoog, die op de punt van het

Afrikaansche schiereiland Oman ligt. Dit schiereiland vormt de grens

tusschen de Perzische golf in het Westen, en de Golf van Oman en de

Arabische Zee in het Oosten.

Het duurde nu niet lang meer, of wij kregen Bender-Abbas in zicht. Het

is een kleine stad van 5000 à 7000 inwoners, meest Arabieren. De stad

ligt op een laag, zandig gedeelte van de kust en heeft een ongezond

klimaat. De handel is er op het oogenblik meest in Engelsche handen,

maar vroeger zijn ook de Hollanders er geweest, en het schijnt, dat er

nog sporen van de Oost-Indische Compagnie te vinden zijn. Tegenwoordig

wordt de stad nog geregeld aangedaan door de kleinere vrachtbooten, die

de Perzische Golf bevaren, en zij voert tapijten, parels en dadels uit.

Oostelijk van de stad ligt, eenzaam te midden van het zand, het huis

van den Engelschen consul. Het is door een grooten ringmuur tegen

roovers beveiligd en wordt uitstekend bewaakt door zeventien man,

Britsch-Indische, inlandsche infanterie, onder een Indischen luitenant.

Het vliegveld behoort mede tot het Engelsche gebied, zoodat wij hier

van de Perzen zeer weinig merkten. Het terrein bleek groot genoeg, en

de bodem bestond uit hard, kaal zand. De Engelsche consul verwelkomde

ons bij de landing en stelde dadelijk zijn personeel tot onze

beschikking. Benzine en olie waren aangekomen, en er was een draadloos

station om onze berichten weg te zenden. Een inlandsche wacht werd bij

het toestel geplaatst; het waren flinke, goed gedrilde en keurig

uitgeruste soldaten, en vooral de Indische luitenant, een lange,

sportieve kerel op een pittig, welverzorgd paardje maakte een echt

militairen indruk.

In den namiddag kwam er plotseling een vrij hevige wind opzetten, en

wij vreesden, dat deze het begin was van een shamal, de beruchte

zandstorm, die heel Perzië en Mesopotamië teistert. De bewoners van de

streek verwachtten echter, dat het zoo’n vaart niet zou loopen, en

gelukkig bleken zij gelijk te hebben, want tegen den avond ging de wind

weer liggen. Dit was voor ons een aanzienlijke geruststelling, want het

toestel stond in de open lucht, zeer blootgesteld aan het stuifzand, en

bovendien was het in den mullen grond moeilijk voldoende te verankeren

om een flinken storm te doorstaan.

’s Middags maakte Van den Broeke het toestel in orde, en hierbij bleek,

dat de fout aan de ailerons gelukkig niet van ernstigen aard was. Het

stuurwiel van Poelman had zich eenigszins vastgevreten op de as,

hetgeen gemakkelijk te verhelpen was. Gebrek aan verlichtingsmiddelen

maakte ook hier weer het werk aan het toestel in den avond lastig. Dit

was voor ons een telkens terugkeerende moeilijkheid. Het zou dan ook in

het vervolg zeer veel aanbeveling verdienen, een kleinen accumulator in

het toestel mede te voeren, die overdag tijdens de vlucht door een

dynamo met luchtschroef zou kunnen worden geladen, en die ’s avonds

stroom zou kunnen leveren voor een looplampje, om aan den motor te

werken.

’s Avonds brachten wij een bezoek aan den douane-ambtenaar. Het was een

Belg. Ongeveer vijf en twintig jaar geleden wilde de Perzische

regeering namelijk de douane reorganiseeren. Daar verschillende groote

mogendheden trachtten, hun invloed in Perzië te versterken. noodigde de

regeering het neutrale België uit, douane-personeel voor deze

reorganisatie af te staan. Vandaar dat wij in Bushir en Bender Abbas

Belgische douane-beambten vonden. Die van Bender Abbas woonde,

ongetrouwd, heel in zijn eentje in een groot huis in de woestijn, bij

het Engelsche consulaat.

Wij aten ’s avonds bij den Engelschen consul. De man leidde hier in

zijn eenzame, hoog-ommuurde en wel-bewaakte huis in de woestijn, met

zijn vrouw, zijn dochter, een secretaris en eenig lager personeel een

weinig benijdenswaardig bestaan. Gedurende de zes zomer-maanden was het

zóó warm, dat zijn vrouw en zijn dochter het niet konden uithouden, en

in Karachi gingen wonen.

’s Avonds waren wij moe en slaperig. Het vliegen brengt, vooral als men

met twee vliegers is, die elkander kunnen aflossen, weinig

spier-vermoeienis mede, maar het geraas van den motor, de wind, en

vooral de spanning, die, zij het ook min of meer onbewust, voortdurend

aanwezig is, maken de vliegers na een lange vlucht suf en slaperig. Dit

uit zich op allerlei typische manieren. Vooral wanneer men pas uit het

toestel komt, is men weinig helder; de geest werkt langzamer, men is

slecht in staat, vragen te beantwoorden, vergeetachtig, en de

eenvoudigste zaken, zooals het uur van vertrek en van landing, kan men

zich moeilijk meer te binnen brengen. Het bleek dan ook bepaald

noodzakelijk, de verschillende bijzonderheden van de vlucht steeds

dadelijk in het dagboek aan te teekenen, aangezien wij veel er van

naderhand weer glad vergeten waren. Niet lang na de landing trad een

geweldige behoefte aan slaap op, die de dinertjes bij onze

verschillende gastheeren dikwijls tot een ware beproeving maakte. Het

eigenaardige is, dat ik den eersten tijd na de landing in Batavia

weinig behoefte aan slaap meer had, maar na een paar weken kwam die

weer boven en sliep ik, in strijd met de in Indië heerschende gewoonte,

een gat in iederen dag.

Dien avond gingen wij in Bender Abbas dan ook vroeg naar bed. Het was

prachtig weer en met ons drieën sleepten wij onze bedden naar buiten,

en wij overnachtten heerlijk in de koele, stille atmosfeer van de open

galerij rondom het huis.

Den volgenden dag waren wij alweer vroeg bij de hand, want wij wilden

trachten, de landing op het volgende vliegveld, Charbar, te vermijden.

Wij wisten namelijk, dat dit vliegveld niet zeer goed was, en bovendien

lokte een landing in dit kleine plaatsje, waar in het geheel geen

Engelschen woonden, en waar wij dus weinig zeker waren van goede hulp,

ons weinig aan. Wij wilden dus trachten, den afstand van 1180

kilometer, die ons van Karachi scheidde, zonder tusschenlanding af te

leggen. Gelukkig was de wind, evenals den vorigen dag, Noord-Westelijk,

dus schuin achter. Het was helder, tamelijk warm weer. Het vliegveldje

helde een weinig af naar het Zuiden, naar de kust, en om hiervan te

profiteeren, besloten wij met den zwakken wind in den rug te starten.

Ofschoon onze tanks geheel gevuld waren, en het toestel dus vol belast

was, verliep de start goed. Op een paar honderd meter van het vliegveld

liep langs de kust een telegraaflijn; wij kwamen hier zonder moeite

overheen, en na even een cirkel over het gastvrije Engelsche consulaat

te hebben beschreven, zetten wij koers naar het Oosten over den mond

van de rivier Shur, die een geschikte landingsplaats voor

watervliegtuigen vormt in het zeldzame geval, dat de zee hiervoor te

ruw mocht zijn.

De straat Hormuz, die de verbinding vormt tusschen de Perzische golf en

de Arabische zee, loopt in een boog naar het Noorden rondom het

schiereiland Oman heen. Bender Abbas ligt aan het noordelijkste

gedeelte van dien boog, in een breede, door hooge bergen omsloten

zandvlakte. Hier stroomen eenige riviertjes doorheen, die in den drogen

tijd slechts weinig water bevatten. Van Bender Abbas af buigt de kust

naar het Zuiden om in een kwart-cirkel, die de punt van het

schiereiland Oman tot middelpunt heeft, en eindigt bij Kaap Ras-al-Kuh.

Hier buigt de kust om en gaat vrijwel in rechte lijn naar het Oosten

tot dicht bij Karachi. Om tijd te sparen steken wij dien hoek van de

kust bij kaap Ras-al-Kuh af, en wij gaan over land naar het

Zuid-Oosten. Hiermede sparen wij een weinig tijd, maar ofschoon wij

door een tamelijk laag dal vliegen, blijkt het terrein zoo geweldig

rotsachtig, dat ik mij afvraag, of het voor de veiligheid niet beter

ware geweest, den kleinen omweg langs de kust te maken.

Gelukkig duurt het niet zeer lang meer, of wij bereiken de vlakkere

kuststrook weer, waar rotsen tot vijf honderd meter hoogte afwisselen

met zandvlakten, die eene noodlanding mogelijk maken.

Drie uren na den start blijkt ons, dat wij 360 kilometer hebben

afgelegd. Deze snelheid is voldoende, om Karachi in één étappe te

halen. De motor loopt gelukkig uitstekend en benzine hebben wij genoeg.

Vijf uur en een kwartier, nadat wij uit Bender Abbas zijn vertrokken,

bereiken wij Charbar. Het is een klein plaatsje, in een eenigszins

golvende zandvlakte gelegen aan een cirkelvormige baai van 20 kilometer

middellijn, die alweer een schitterende haven voor watervliegtuigen zou

vormen. In het algemeen kregen wij den indruk, dat de Perzische kust

van Bushir tot Karachi beter met watervliegtuigen dan met

landvliegtuigen te bestrijken zou zijn, wanneer men hier een geregelde

luchtlijn zou willen openen. Het land is door de vele rotsen dikwijls

gevaarlijk voor landvliegtuigen, terwijl daarentegen de meestal kalme

zee met zijn vele baaien een geschikte gelegenheid om neer te strijken

schijnt aan te bieden voor een behoorlijk zeewaardig watervliegtuig.

Wij berekenen, dat wij benzine genoeg hebben, om Karachi zonder

tusschenlanding te bereiken, en dat wij daar om vijf uur dertig

plaatselijken tijd, dus nog ruim vóór het donker, aan kunnen komen. Het

vliegveldje bij Charbar ziet er vanuit de lucht niet bijzonder gunstig

uit. Het ligt dicht bij de kust op eenigszins golvend, zandig terrein,

en is aangelegd in den vorm van een L met twee beenen van om en bij

vier honderd meter lengte. Het kleine stadje zelf maakt ook al geen erg

gastvrijen indruk, zoodat wij blij zijn, dat wij hier niet behoeven te

landen.

Honderd kilometer voorbij Charbar vinden wij alweer een grooten

zeeboezem, de Gwatar-baai. De bergen wijken hier dertig tot vijftig

kilometer van de kust terug, en door de breede, geheel kale en

eenigszins moerassige vlakte stroomt de Dasht-rivier langzaam naar de

baai. Hij vormt het afvoerkanaal van een langgerekt, smal meer, dat

hooger op tusschen de bergen ligt.

Een groote zwerm kleine, witte vogeltjes zweeft als een zilveren wolkje

over de breede monding van de rivier en in het ondiepe water aan den

oever staat een troep groote rose flamingo’s, die aan deze zoele kusten

den winter komen doorbrengen; angstig nemen zij de vlucht, als zij den

grooten, brommenden stalen vogel boven zich zien.

Het branden van de zon op het witte woestijnzand doet windhoozen

ontstaan, die soms op een zestal plaatsen tegelijk het droge zand als

een rookpluimpje tientallen meters doen opstijgen.

Wij naderen het kleine visschersdorpje Gwadar. De vlakke kust vormt een

landtong, die afgesloten wordt door een groote, dwars vóór de kust

liggende, tafelvormige rots. Op de punt van de landtong, tegen

zeewinden beschermd door de hooge rotsmassa, ligt het kleine plaatsje.

Visschersbootjes vinden aan weerszijden van de landtong een veilige

ankerplaats. Het dorpje, met zijn achterland van kale woestijnen, ligt

daar ongelooflijk eenzaam, en voor menigeen van die Perzische visschers

zal de heele levensgeschiedenis wel kunnen worden samengevat in de

woorden: „Gwadar zien, en dan sterven.”

Eigenaardig genoeg, ligt er een paar honderd kilometer verder een

dergelijk plaatsje, Ormara, geheel op dezelfde wijze, even eenzaam op

een volkomen gelijkvormig schiereiland.

Toen wij bij Ormara waren, was de wind zoover gekrompen, dat wij hem nu

uit het Zuid-Westen, dus schuin rechts achter hadden. De wind was nog

al wat aangewakkerd, en zoo kregen wij hier dan toch nog het

verschijnsel van den zandstorm te zien. Doordat de wind van de zee uit

schuin naar de kust woei, bleef de kuststrook echter gelukkig vrij,

zoodat wij daarlangs ongestoord onzen weg konden vervolgen.

Landinwaarts werd het zand echter tot een kilometer hoogte opgejaagd.

Het vormde een okergele wolk, die op sommige plaatsen den bodem vrijwel

aan het oog onttrok, en wij konden ons voorstellen, dat die wolk zeer

hinderlijk zou zijn geweest, als wij er dwars doorheen hadden moeten

vliegen. De wind was niet zeer sterk, en daardoor was het verschijnsel

lang niet op zijn hevigst. Andere vliegers echter, die in deze streken

werkelijk hevige zandstormen hebben doorgemaakt, klaagden er ernstig

over.

Sedert Constantinopel hebben wij nu over een afstand van ongeveer 3500

kilometer, gelijkstaande met dien tusschen Londen en Port Said, bijna

geen plantengroei gezien; die lange vluchten over eindelooze woestijnen

en barre rotsen beginnen op den duur eentonig te worden en drukkend te

werken, en wij verlangen er naar, de tropen met hun donkere wouden en

groene rijstvelden te zien.

Even vóór Gwadar zijn wij de grens van Perzië gepasseerd en in

Baluchistan gekomen, en hiermee hebben wij weer Engelsch gebied

bereikt. Nu ik maanden later in Amsterdam weer rustig op mijn kamer

zit, ontdek ik pas, dat wij bij Gwadar een klein gebied zijn

overgevlogen, dat eigenlijk behoort bij het zelfstandige rijk Oman, aan

den overkant van de zee op de Afrikaansche kust gelegen. Zoo heeft er

dan op onze rijk versierde paspoorten toch nog een visum ontbroken.

Gelukkig hebben wij in dat gebiedje geen noodlanding gemaakt, zoodat er

geen moeilijkheden uit voortgesproten zijn. Het zou trouwens

waarschijnlijk lastig zijn geweest, dat visum te krijgen, want ik

betwijfel, of zijne majesteit de vorst van Oman een diplomatieken

vertegenwoordiger in Nederland heeft!

Naarmate wij Karachi naderen, wordt de kuststrook weer rotsachtiger en

komen de bergen dichter bij de kust. Het zijn de uitloopers van de

gebergten van Baluchistan, rotsachtige, kale bergketens, die zich tot

over de drieduizend meter verheffen, en op hun beurt weer aansluiten

bij de nog hoogere gebergten van Afghanistan. In Indië gaat het

verhaal, dat na de schepping van de aarde een groote hoeveelheid

onbruikbaar materiaal overbleef. Dit werd op een hoop bijeengeveegd en

hieraan zou het onherbergzame bergland van Afghanistan zijn ontstaan te

danken hebben.

Eindelijk buigt de kust naar het Zuid-Oosten om, en wij bereiken het

eerste begin van het groote driehoekige schiereiland van Voor-Indië. De

lange vlucht over de dorre woestijnen ligt achter ons en wij blikken

neer op de groote havenstad Karachi, tusschen groen en boomen gelegen

bij de moerassige delta van den Indus. Zonder veel moeite vinden wij

het vliegveld, waar wij om vijf uur drie en veertig plaatselijken tijd

landen, slechts dertien minuten later dan wij onderweg hadden berekend.

Het is een groot voordeel voor ons, dat ons toestel in de cabine

gelegenheid biedt, rustig de kaarten te bestudeeren en de noodige

berekeningen te maken. Hierdoor toch hebben wij steeds de noodige

Zekerheid omtrent den afgelegden en den nog te vliegen afstand, de

toereikendheid van den benzine-voorraad enz., zoodat wij nooit bang

behoeven te zijn voor verrassingen. Vooral nu wij langzamerhand den

evenaar meer zullen naderen, is het van belang, bij de lange étappe’s

het uur van landing met eenige nauwkeurigheid te kunnen bepalen, want

de schemering duurt hier al kort, en gelegenheid voor noodlanding is er

weinig, zoodat wij bepaald vóór zonsondergang binnen moeten zijn.

Macmillan, die indertijd trachtte een vlucht om de wereld te maken,

heeft door deze oorzaak juist aan de Perzische kust benauwde

oogenblikken doorgemaakt, en is eens zelfs door de duisternis verrast,

zoodat hij tot eene noodlanding gedwongen werd.

Door de lucht naar Indië · 第 19 / 38 题