Het weer was tot onze spijt bij Aleppo niet helder genoeg om
luchtfoto’s te maken, en zoo gingen wij, na even een bocht boven de
stad beschreven te hebben, Noordwaarts naar het vliegveld, dat bij het
spoorwegstation Muslimië ligt. Bij dit station vonden wij den spoorweg
terug, die uit de Cilicische Poort met een boog om de Golf van
Alexandretta heen loopt en zich hier splitst in een tak, die Oostwaarts
over Mosoel naar Baghdad gaat en verder naar Basra bij de Perzische
Golf, en een anderen tak, die door Palestina loopt en verder door
Hedjas naar Medina en Mekka. Intusschen waren deze spoorlijnen vóór den
oorlog nog in aanleg, en zij zijn in den oorlog ten deele vernield. De
Franschen zijn echter in Syrië begonnen, de lijnen geleidelijk aan weer
te herstellen.
Onze landing bij Muslimië was de eerste in een warmer klimaat. Men had
ons dikwijls gewaarschuwd, dat in de warmte de toestellen de neiging
hebben sneller „door te zakken”, zoodat het noodig is de landing met de
noodige snelheid uit te voeren. Wij landden dan ook flink snel, doch
zoowel hier als later in Britsch- en Nederlandsch-Indië bleek ons, dat
de warmte op een toestel als het onze met dik vleugelprofiel bij de
landing practisch geen invloed heeft, zoodat wij later altijd normale,
en soms, op kleine vliegvelden, zelfs zeer langzame landingen maakten,
zonder dat hierdoor eenig gevaar ontstond. Het vliegveld bij Muslimië,
gelegen aan den rand van de woestijn tusschen Aleppo en den Euphraat,
is zeer ruim en vlak. Het meet niet minder dan 600 bij 800 meter en de
zandige bodem is hard en effen. Er zijn flinke groote tenthangars van
voldoende afmetingen om onze F VII op te nemen en wij vonden er een
draadloos station, dat de verbinding met Engelsch Mesopotamië kon
onderhouden.
De Franschen handhaven hun macht in het uitgestrekte Syrische gebied
grootendeels met behulp van vliegtuigen, en Aleppo is hun voornaamste
vliegveld, waar zij twee escadrille’s Bréguet-verkenners en vijftien à
twintig vliegers hebben. Eenige van deze Bréguet-vliegtuigen zijn als
ambulance-vliegtuig ingericht. De romp is van boven afgesloten en vormt
een kleine cabine, waarin ruimte is voor twee zieken op brancards en
één dokter. Syrië is een ongezond terrein, waar veel besmettelijke
ziekte voorkomt; het uiterste Fransche vliegveld Deir-el-Zor ligt niet
minder dan 400 kilometer Oost van Aleppo en is hiervan door een
woestijn gescheiden. Het transport van zieken door een dergelijk
uitgestrekt woestijngebied is zeer moeilijk en tijdroovend en in
ernstige gevallen onuitvoerbaar, en het leven van vele patiënten is
gered, doordat de ambulance-toestellen ze in weinige uren naar het
hospitaal in Aleppo konden overbrengen. Het transport gaat zonder
schokken, snel en hoog door de koele lucht en zoo hebben de patiënten
oneindig veel minder te lijden dan bij het langzame vervoer over de
slechte wegen door de snikheete woestijn. Voor zieken-transport over
langen afstand heeft het vliegtuig ook hier bewezen, het ideale
vervoermiddel te zijn.
De Fransche officieren bereidden ons een allerhartelijkste ontvangst.
Mécaniciens en hangarruimte werden tot onze beschikking gesteld en in
het officiersverblijf werden een paar kamers voor ons ingeruimd. Een
emmer water aan den zolder met een zinken teil er onder deed dienst als
bad-inrichting en gaf ons een welkome gelegenheid om het Syrische stof
van ons af te spoelen.
Onze benzine was aangekomen en er waren genoeg behulpzame handen om het
toestel te vullen. Onze olie was er niet, maar de Franschen hadden
ricinus-olie in voorraad, die zij welwillend tot onze beschikking
stelden. Wij kregen de noodige inlichtingen, kaarten en foto’s omtrent
de landingsterreinen op de route naar Baghdad en de Franschen deden
alles wat zij konden om onze vlucht door de woestijn van Syrië en langs
de eenzame oevers van den Euphraat zoo veilig mogelijk te maken. Het
Engelsche vliegveld bij Baghdad werd draadloos opgeroepen en om
weerberichten gevraagd. De route, die wij zouden nemen, werd zorgvuldig
afgesproken en het laatste Fransche station, Deir-el-Zor werd draadloos
op de hoogte gesteld. De commandant beloofde ons, dat hij, wanneer wij
niet binnen een bepaalden tijd boven Deir-el-Zor verschenen,
vliegtuigen zou uitzenden om ons in de woestijn op te zoeken.
’s Avonds verscheen de Hollandsche consul uit Aleppo, gevolgd door een
indrukwekkenden lakei, een dikken Turk met een groote snor, gekleed in
een prachtige fluweelen liverei, rijk met goud bestikt, en gewapend met
een lange, kromme sabel, een dolk en twee groote revolvers.
Na het eten hadden wij een gezellig feestje met onze Fransche kameraden
en kregen wij vele verhalen te hooren over Pelletier Doisy, die op zijn
vlucht Parijs–Tokio in Aleppo was geland, reeds twee dagen na zijn
vertrek uit Parijs.
Den morgen van den zesden November startten wij in de vroegte bij
helder, windstil en tamelijk koel weer. Op het compas vlogen wij naar
het Oosten dwars door de woestijn, die zich uitstrekt zoover het oog
reikt. Hier en daar zijn eenige zwakke terrein-golvingen en aan den
horizon in het Noorden verheffen zich een paar heuvelruggen, de eerste
voorloopers van de bergen van Kurdistan. Aan onze rechterhand ligt de
Jebbul Geul, een langgerekt zoutmeer. Bij vroegere plannen voor een
Holland–Indië vlucht met watervliegtuigen was dit meer gedacht als
noodlandingsgelegenheid op het landtraject tusschen de Middellandsche
Zee en den Euphraat.
Drie kwartier na ons vertrek uit Aleppo bereiken wij den Euphraat, niet
ver van het kleine stadje Meskene. De rivier verlaat hier de kale,
zandige heuvels en als een breed, bruin lint kronkelt hij zich tusschen
de uitgestrekte woestijnen van Mesopotamië en Syrië. De oevers van de
rivier zijn zeer vlak en vrijwel onbegroeid. Zij vormen een dal van
eenige kilometers breedte, ingesloten tusschen rotsachtige randen, en
daarachter beginnen aan weerszijden de troostelooze woestijnen. Weinig
talrijk, klein en armelijk zijn de plaatsjes, die langs de rivier
liggen. Hier en daar zoeken rondtrekkende herders voor hunne schapen
het weinige half-verdorde gras, dat vlak langs de oevers voorkomt.
Wij vliegen over Rakka, een oud, Arabisch stadje, dat thans vrijwel in
puin ligt. De bouwvallen van een wijden ringmuur met in het midden een
oude burcht herinneren aan vroegere grootheid. Buiten de muren ligt het
Fransche kampement en er is een vliegveld met een paar tenthangars.
Een enkele karavaan brengt wat afwisseling in het eentonige landschap.
’s Morgens zien wij ze langzaam voorttrekken door de eindelooze
zandvlakte, een ezeltje voorop en een lange rij kameelen, zwaar bepakt,
er achter aan. ’s Middags als het te warm wordt om in de brandende zon
verder te trekken, rusten de menschen in lange, lage, zwarte tenten,
terwijl de kameelen, onbeschut tegen de hitte, er om heen staan. Op
ons, Europeanen, maakt het een vreemden indruk, dat die Arabieren zich
beschermen tegen de zon in zwarte tenten en onder dikke, wollen
kleeren, maar eigenlijk is dit zeer begrijpelijk. Zelfs in
Nederlandsch-Indië is de temperatuur van de buitenlucht gemiddeld
aanzienlijk lager dan die van het menschelijk lichaam, maar hier in
Arabië zijn in de woestijn temperaturen van 120 tot 125 graden
Fahrenheit in de schaduw geen zeldzaamheid, zoodat het lichaam hier
twintig tot vijf en twintig graden Fahrenheit koeler is dan zijn
omgeving. Het is hier dus niet de vraag, hoe men de warmte uit het
lichaam gelegenheid geeft naar buiten af te vloeien, maar hoe men de
warmte van buiten verhindert, in het lichaam binnen te dringen. De
kleeding van de Arabieren speelt dus dezelfde rol als de wollen deken,
waarin wij een stuk ijs tegen de warmte beschermen. De Euphraat
kronkelt zich in wijde bochten door de vlakte en om tijd te sparen gaan
wij op het compas over een breede, lage heuvelrug heen en wij vinden de
rivier terug bij Deir-el-Zor, het laatste stadje van het Fransche
mandaat. Het uitzicht op het stadje van uit ons vliegtuig is
eigenaardig. De grijze huizen met hun platte daken liggen langs smalle,
regelmatige straatjes gebouwd. Aan de straatzijde zijn de huizen met
blinde muren afgesloten, maar van binnen komen zij met open galerijen
op binnenplaatsen uit. De platte daken met een muurtje er om heen
liggen te blakeren in de zon. Enkele koepeltjes en een minaret, die als
een fel-wit, dun stokje omhoog steekt, doen ons hier en daar de
moskeeën herkennen.
De rivier splitst zich hier in twee takken en vormt zoo een eilandje,
dat met een steenen brug met het stadje verbonden is. De bodem is hier
blijkbaar wat vochtiger en vruchtbaarder; tuinen en dadelpalmen
bedekken het eiland, en vormen een welkome afwisseling met het
eindelooze kale zand van de woestijnen. Ten Zuiden van de stad zien wij
het Fransche noodlandingsterrein liggen. Wij maken een bocht over het
vliegveldje om de Fransche bezetting gelegenheid te geven, ons op te
merken, en draadloos naar Aleppo af te melden. Dan gaat het weer verder
over de eindelooze vlakte naar het Zuid-Oosten en het duurt niet lang
of wij verlaten het Fransche mandaat van Syrië en bereiken Engelsch
Mesopotamië.
De vlucht over de woestijn is eentonig. Het terrein is vlak en biedt
overvloedig gelegenheid om ingeval van motorstoring het toestel
onbeschadigd te landen, maar het is de vraag of de bevolking overal te
vertrouwen is. Bovendien zijn de woestijnen zoo eenzaam en verlaten,
dat gebrek aan drinkwater en voedsel een ernstig gevaar vormen. De
Engelsche vliegers hebben meermalen noodlandingen moeten maken in deze
woestijnen. In dergelijke gevallen worden escadrille’s uitgezonden, om
het vliegtuig te zoeken. Het is voorgekomen dat het vliegtuig met zijn
bemanning spoorloos verdween. Ook heeft men wel het vliegtuig alleen in
de woestijn terug gevonden; de bemanning had blijkbaar getracht, te
voet de bewoonde wereld weer te bereiken, maar was in het eindelooze,
gloeiende zand door gebrek omgekomen. Juist vliegers loopen gevaar, in
dergelijke gevallen de afstanden te onderschatten. Van uit het
vliegtuig hebben zij een goed overzicht en de wijde woestijn lijkt dan
in de heldere atmosfeer kleiner dan hij is, en deze bedriegelijke
indruk wordt versterkt door de snelheid, waarmede het toestel zich
verplaatst. Wanneer de vlieger echter na weinige uren vliegens een
noodlanding maakt, is hij reeds honderden kilometers van het vliegveld
verwijderd en kan het zijn, dat hij op een plaats terecht komt, van
waar hij onmogelijk met eigen middelen de bewoonde wereld weer kan
bereiken. Het is dan ook dringend noodzakelijk, vóór het begin van een
vlucht nauwkeurig de route af te spreken, die men volgen zal en bij een
noodlanding het toestel niet te verlaten, aangezien dit zelf het beste
noodsein vormt om andere vliegers, die komen zoeken, de plaats van de
gestrande bemanning aan te duiden. Verder kan het gebruik van
draadlooze telegrafie het gevaar verminderen.
Om zooveel mogelijk binnen het bereik van de bewoonde wereld te zijn,
vlogen wij dan ook maar weinig op het compas, en volgden wij meestal de
rivier of het wagenspoor en de telegraaflijn, die er langs loopen. De
kronkelende stroom met zijn vuil-bruine water leverde ons niet veel
afwisseling. Naarmate wij verder stroomafwaarts gaan, begint zich langs
den oever meer plantengroei te vertoonen, maar veel is het nog steeds
niet en de weinige palmboschjes zijn nog zóó zeldzaam, dat zij ieder
afzonderlijk op de kaart zijn aangegeven. Hier en daar ligt een enkel
oud stadje, en daar, waar de weinige wegen, die eigenlijk niet meer
zijn dan karavaansporen, de rivier kruisen, zijn ponten. Enkele
stroomversnellingen en een paar half in puin gevallen bruggen
onderbreken op groote afstanden den eentonigen loop van den Euphraat.
Bij Ramadië merken wij voor het eerst iets van den Engelschen
vliegdienst; er is een klein noodlandingsterrein; wij zien eenige
Engelschen op het vliegveldje staan, die een lichtkogel afschieten om
onze aandacht te trekken. Wij beantwoorden hun sein met een groenen
lichtkogel, om ze te laten zien, dat wij het vliegveld ontdekt hebben,
maar verder willen vliegen. Het stadje ligt eenzaam aan den oever van
den Euphraat, niet ver van een half-opgedroogd zoutwater-meer, en een
gevoel van medelijden bekruipt ons, als wij denken aan de Engelsche
bezetting, die in deze negerij moet wonen; wij krijgen bijna de neiging
om te landen en ze zoo een verzetje te bezorgen.
Een eindje voorbij Ramadië verlaten wij den Euphraat, die ons dien dag
zoo lang als wegwijzer had gediend, en wij koersen op het compas
Oostwaarts, daar waar de vlakte tusschen Tigris en Euphraat het smalst
is. In de lucht komen wij een zestal Engelsche verkenningsvliegtuigen
tegen die ons, over een grooten afstand verspreid, tegemoet vliegen.
Het duurt niet lang, of wij kunnen de bocht van de Tigris
onderscheiden, waar Baghdad aan liggen moet, en al spoedig komt de oude
stad, die reeds in 762 werd gesticht en waar de beroemde Khalief Haroem
al Rasjid den schepter voerde, in zicht. Als een oase in de woestijn
ligt de stad te midden van de eenzame vlakte, een knooppunt van de
groote karavaanwegen naar Perzië en naar Mesopotamië. De groote
Arabische paleizen met hun sierlijke zuilen en lange galerijen
omsluiten in hun hoog-ommuurde binnenhoven schaduwrijke palmentuinen.
Als een zonderling anachronisme treffen ons de talrijke tennisvelden er
tusschen in, die ons aankondigen, dat de Engelschen hier de macht in
handen hebben. Het tennisveld is in de Britsche koloniën wat de
driekleur in de Oost is. Als de Engelschman zoover is, dat hij zijn
tennisveld kan aanleggen, voelt hij, dat zijn macht gevestigd is en
beschouwt hij zich „at home”.
Zonder moeite vinden wij een kilometer of tien ten Zuid-Oosten van de
stad bij de voorstad Hinaidi, aan een scherpe bocht van den Tigris het
schitterende vliegveld. De harde woestijngrond, met een soort droog mos
bedekt, biedt een goede gelegenheid voor den aanleg van een vliegveld
en de Royal Air Force heeft hiervan uitstekend partij getrokken. Het
terrein zelf is een groot vierkant van ongeveer twaalfhonderd meter
lang en breed; aan twee zijden staan de steenen hangars, die de
allergrootste vliegtuigen gemakkelijk herbergen. Een groot station voor
draadlooze telegrafie, goede ruime verblijven voor het personeel en
alles wat verder bij een eerste klas modern vliegveld behoort, zijn
aanwezig. De Engelschen hebben hier dan ook niet minder dan zes
squadrons van de Royal Air Force. Hierbij zijn vele groote,
twee-motorige bombardementsvliegtuigen en zoogenaamde „troop-carriers”.
Van hieruit beheerschen zij heel het uitgestrekte gebied van Irac. In
den oorlog hebben zij hier gevochten met troepen te voet, maar deze
hadden ontzettend veel te lijden van de warmte en het watergebrek in de
uitgestrekte woestijnen, zoodat meer menschen door uitputting, gebrek
en ziekte omkwamen dan door de wapenen van den vijand. Vandaar, dat de
Engelschen er na den oorlog toe overgingen, hun gezag uitsluitend met
vliegtuigen te handhaven. Wanneer ergens diep in Mesopotamië een
inlandsch vorst opstandig wordt, of een dorp geen belasting betaalt,
worden er een paar vliegtuigen heengezonden, met de noodige bommen aan
boord. Voor dit krachtige argument is de bevolking tot nu toe altijd
gezwicht. Eens kwam er een bom midden in een harem terecht, en dit werd
ernstig kwalijk genomen.
Er is wel eens geprotesteerd tegen deze hardhandige wijze van
uitoefening van het gezag; maar men vergete niet, dat juist het moreele
effect van de vliegtuigen sterk preventief werkt, waardoor eindelooze
strubbelingen voorkomen worden.
Groot was de belangstelling voor ons verkeersvliegtuig bij de landing;
in minder dan geen tijd stond een dichte drom Tommy’s om ons heen.
Tallooze camera’s werden op de F VII gericht. De commandant van de
escadrille, die ons en ons toestel zou herbergen, kwam op ons af en
bood ons gastvrijheid en alle noodige hulp aan. Bovendien bracht hij
ons dadelijk in de stemming door ons voor het eerst na langen tijd een
echte Engelsche sigaret te geven. Een maand lang hadden wij in
Philippopel uitsluitend Bulgaarsche sigaretten gerookt, die ons altijd
lieten denken aan een brand in een krantendrukkerij, en langzamerhand
een funesten invloed op onze kelen hadden uitgeoefend. Rappe handen
brachten het toestel onder dak, en Van den Broeke kreeg goede hulp bij
de verzorging ervan. Daarna gingen Poelman en ik naar de stad, om onze
telegrammen weg te brengen, onze opwachting te maken bij de hoogste
aanwezige militaire autoriteit en geld te halen. De Banken waren al
dicht en wij togen daarom naar de woning van den bank-directeur. Deze
troonde als Alladin in een paleis uit de „Duizend-en-één-Nacht”. In een
nauwe, stille straat vonden wij een onafzienbaren, hoogen, blinden
muur. Midden in die muur een klein poortje, zorgvuldig bewaakt door een
Arabier. Wij traden het geheimzinnige poortje binnen en bevonden ons in
een schemerachtigen tuin met onafzienbare rijen slanke palmen, die hoog
boven onze hoofden hun breede waaiers uitspreidden. Langs hooge steenen
trappen en lange galerijen werden wij gevoerd, en in een ruime, koele
zaal, vol zachte divans en kostelijke Perzische tapijten, vonden wij
den machtige, die ons verfrisschende dranken bood en zijn schatkamer
welwillend voor ons opende, zoodat wij met de zakken vol rupee’s naar
het vliegveld terugkeerden. Wij vernamen daar, dat de zes vliegtuigen,
die wij dien middag waren tegengekomen, uit waren gegaan, om een jongen
vlieger te zoeken, die juist een week geleden uit Engeland was gekomen,
en nu op zijn eerste vlucht blijkbaar een noodlanding had gemaakt; er
had eenige ongerustheid geheerscht, maar gelukkig had men hem
teruggevonden. Na een gezellig maal met de Engelsche vliegers, gingen
wij tijdig in het prettige frissche officiersverblijf onder de wol.
Den volgenden morgen waren wij vóór zonsopgang alweer bij de hand om
verder te gaan. Het was koel weer met weinig bewolking en een lichten,
gunstigen wind. Wat dat betreft hebben wij het in Mesopotamië en verder
steeds buitengewoon getroffen, want het kan er ongemanierd warm zijn.
De Engelsche soldaten, die gedurende den oorlog in hunne tenten soms
temperaturen van 125 graden Fahrenheit moesten verdragen, en bovendien
water per glas voor duur geld moesten koopen, hebben hiervan ontzettend
geleden.
Door de goede hulp van de Engelschen stond het toestel tijdig weer
buiten; wij kochten een voorraad reserve-bougie’s en waren gereed voor
de vlucht. Er stond voor dien dag een korte étappe op het program,
namelijk Baghdad–Basra, een afstand van 450 kilometer in vogelvlucht;
de daarop volgende étappe, Basra–Bushir bedroeg ongeveer evenveel; wij
hadden in Angora een dag verloren, dien wij graag wilden inhalen; de
wind was gunstig en zoo besloten wij, als het eenigszins mogelijk was,
niet in Basra te landen, maar door te vliegen naar Bushir. De start van
het mooie, groote veld leverde geen moeilijkheden op. Het terrein, waar
wij dien dag overvlogen, was in veel opzichten belangwekkend. Eerst
ging het op het compas pal naar het Zuiden over de kale vlakte van
Irac, waar woestijngrond en rietrijke moerassen elkander afwisselden.
Zoo verlieten wij den Tigris en wij bereikten den Euphraat weer bij het
historische punt, waar de aloude metropolis Babylon eens gestaan heeft.
Weinig is er vanuit de lucht nog slechts te zien van de eens zoo
beroemde stad, waarvan Nebucadnezar met trots zeide: „Is dit niet het
groote Babel, dat ik gebouwd heb?”. In den laatsten tijd, vooral sedert
de Duitschers in 1899 de opgravingen systematisch ter hand namen, is er
veel omtrent de stad aan het licht gebracht. De oude ringmuur, reeds
door Herodotus, niet geheel juist, beschreven en die bijna 40 kilometer
lang is, is geheel blootgelegd, en teekende zich vanuit het vliegtuig
duidelijk als een groote cirkel in de woestijn af. Die muur, 36 meter
hoog en 7 meter breed is zes en twintig eeuwen geleden door
Nebucadnezar gebouwd, en het gaf ons bijna een gevoel van
heiligschennis, om met ons nieuwerwetsche vliegtuig, nietig stipje aan
den wijden blauwen hemel, over die eerwaardige monumenten van een
verdwenen cultuur te vliegen. In de vlakte, die door den ringmuur
omsloten wordt, was vanuit de lucht een gedeelte zichtbaar, waar de
opgravingen ruwe, massieve steenklompen aan het licht hadden gebracht.
Het waren de resten van El Kasr, de hooge burcht van Nebucadnezar, en
van de tempels daar omheen. Gaarne waren wij wat lager gaan vliegen en
hadden wij er eenigen tijd boven gezweefd, om wat meer van de
bouwvallen te zien; maar wij wilden dezen dag eene dubbele étappe
vliegen en moesten dus verder. Helaas was het weer ook niet helder
genoeg, om een luchtfoto te maken. Bij Hilla, een typisch oud stadje
tusschen de palmen aan den Euphraat gelegen, verlaten wij de rivier en
op het compas gaat het langs een zoutmeer verder door de kale vlakte.
Hier en daar zijn ruïne’s en stokoude, versterkte Arabische plaatsjes.
Dan volgen wij verder een gedeeltelijk gekanaliseerden zijarm van den
Euphraat, die zich telkens in vele takken splitst en hier en daar
moerassen vormt, welke in dezen tijd van het jaar grootendeels droog
liggen. Wij vorderen goed, en zoo duurt het niet lang, of wij bereiken
Nasrie, waar de Engelschen een noodlandingsterrein hebben aangelegd.
Aan onze rechterhand rijst in de verte eenzaam een kleine heuvel uit de
woestijn omhoog en ook die kleine, schijnbaar onaanzienlijke heuvel is
weer een herinnering uit oer-oude tijden. Het is geen natuurlijke
heuvel, maar hij is geheel uit baksteen opgebouwd en vormt een
overblijfsel van den „Ziggurat”, het „Huis van den Berg”, de tempel van
de Maan van Ur der Chaldeeën, waar Abraham eenmaal woonde. Toen
indertijd de Sumeriërs uit de bergen naar de vlakte van Mesopotamië
trokken, misten zij daar de heuveltoppen, waarop zij gewoon waren hun
tempels te bouwen. Zoo kwamen zij er toe onder andere in Ur een
massieven kunstmatigen heuvel van 200 voet lang, 150 voet breed en 50
voet hoog uit baksteen te bouwen. De heuvel, waartoe breede steenen
trappen, die thans nog bestaan, toegang gaven, was vier verdiepingen
hoog. Iedere verdieping had hare symbolische beteekenis; de bovenste
verdieping, van warm rooden steen opgetrokken, diende als basement voor
den tempel van de Maan, een eenvoudig, rechthoekig gebouw van blauw
geglazuurden steen. Ook op andere plaatsen in Zuid-Babylonië hebben de
Sumeriërs dergelijke ziggurats gebouwd, onder andere in Babel zelf, en
men zegt, dat het verhaal van den toren van Babel op een dergelijken
tempelbouw slaat.
Het oude Mesopotamië, waar eens het Paradijs gelegen moet hebben, was
vroeger een vruchtbaar land. Babyloniërs brachten het water van Tigris
en Euphraat door middel van een uitgebreid kanalenstelsel over hun
akkers, en men beweert, dat ook thans nog eene systematische irrigatie
deze onherbergzame vlakten in vruchtbaar bouwland zoude kunnen
herscheppen.
Vier uur en zeven minuten, nadat wij Baghdad hebben verlaten, bereiken
wij het vliegveld Shaiba bij Basra, nadat wij een eindweegs den versten
uitlooper van den Baghdad-spoorweg hebben gevolgd. Tigris en Euphraat
stroomen hier samen en vereenigen zich tot den Shatt-al-Arab, een
breede rivier, die met verschillende mondingen door een moerassig,
kaal, steeds verder aanslibbend terrein zich uitstort in de Perzische
Golf. Het vliegveld bij Basra is minder belangrijk, dan dat bij
Baghdad, maar er is ruimte genoeg en eigenlijk kan men overal in de
omringende woestijn landen. Daar wij voldoende opgeschoten zijn,
besluiten wij ons voornemen uit te voeren en dadelijk door te gaan naar
Bushir. Wij cirkelen even over het terrein en schieten weer een groenen
lichtkogel af, om ons voornemen kenbaar te maken en ons draadloos af te
laten melden naar Baghdad. Dan veranderen wij onzen koers en vliegen
Oostwaarts naar Perzië.