HET OPONTHOUD IN BULGARIJE

Het katterige gevoel, dat ons bekroop, toen wij bij ons beschadigde

toestel op dat weilandje in Bulgarije stonden, valt moeilijk te

beschrijven. Nog slechts drie dagen was ons feestelijk vertrek uit

Amsterdam achter den rug; wij waren Europa nog niet uit, en nu al

dreigde deze tegenslag den tocht voor langen tijd te onderbreken, zoo

niet voortzetting geheel onmogelijk te maken.

Wij konden niet anders doen, dan de zaken nemen, zooals ze waren. Een

menigte Bulgaarsche boeren, vermengd met Turken, waren spoedig ter

plaatse, bleken veel belang in het geval te stellen en hielden er lange

beschouwingen over in een taaltje, dat voor ons volkomen onbegrijpelijk

was. Iedere poging om ons in een Westersche taal verstaanbaar te maken

mislukte aanvankelijk, maar eindelijk waren wij zoover, dat een boer,

met wien wij met heel veel moeite een paar woorden Fransch konden

wisselen, ons duidelijk maakte, dat hij den schoolmeester uit het

naburige gehucht Saladinovo zou laten halen. Wij wachtten lang en

inmiddels namen een paar soldaten op zeer gewillige wijze de wacht over

het toestel op zich, en hielden de al te belangstellende bevolking een

beetje op een afstand.

Eindelijk verscheen een bleeke jongeling op het terrein. Het bleek nog

niet de schoolmeester, maar diens zoon, de hulponderwijzer, te zijn.

Hij verstond inderdaad een weinig Duitsch, doch toen ik hem duidelijk

maakte, dat ik graag allereerst naar de dichtstbijzijnde telefoon

wilde, schrok hij van deze ingewikkelde opdracht zóó, dat hij weer

ijlings de vlucht nam om zijn vader te halen. Na weer een langen tijd

van wachten kwam deze eindelijk zelf op het terrein. Het bleek een

geschikte man te zijn, die vrij dragelijk Duitsch sprak, maar als de

meeste Bulgaren een beetje moeilijk in beweging te zetten was.

Na eenige plichtplegingen van voorstellen, handjes schudden en

uitvoerige informatiën naar onzen welstand, begon ik opnieuw naar de

telefoon te vragen. Hij luisterde aandachtig en peinzend toe en

vertelde ons, dat de eenige telefoon in het dorp zich op twintig

minuten afstand in een wachthuisje aan de spoorlijn bevond. Bovendien

zouden wij deze niet mogen gebruiken, aangezien hij alleen voor

dienstgesprekken bestemd was. Ik trachtte hem duidelijk te maken, dat

vliegtuig-ongevallen in alle beschaafde landen op alle telefoon- en

telegraaflijnen den voorrang hadden. Hij krabbelde langen tijd peinzend

in zijn baardje, maar eindelijk kreeg ik hem in de gewenschte richting

in beweging, met al de snelheid van een politie-agent in een rustige

wijk.

Op onze wandeling naar den telefoonpost, kreeg ik een indruk van het

gehuchtje Saladinovo. Het zag er niet hoopvol uit; een heel klein

kerkje, een schooltje en eenige boerderijen. Hier en daar een hond, die

ons nijdig aanblafte, eenige troepen ganzen, een paar kalkoenen en

eenige innig verbaasde Bulgaarsche boertjes.

Langs een wrakke, houten brug over de Maritza bereikten wij de

spoorlijn. Wij vonden er een klein wachthuisje, in twee hokjes

verdeeld. Het ééne diende als wachtlokaal voor eenige manschappen van

een soort Bulgaarsche gendarmerie; dit bleken zeer geschikte menschen,

die ons later voor de bewaking van het toestel zeer goede diensten

hebben bewezen. In het andere hokje werd de bewuste telefoon, een

voorwereldlijk toestel ter grootte van een brievenbus met aan alle

kanten handels, schellen, draden en deurtjes, als een kostbaar

heiligdom bewaard. Een Bulgaarsche soldaat zat er bij op wacht.

Mijn brave schoolmeester begon het geval in den breede uit te leggen.

De soldaat luisterde belangstellend toe. Om zijn goede gezindheid te

toonen, reikte hij mij een teug water uit een groote steenen kruik. Het

gebruik van het telefoonapparaat bleek inderdaad streng verboden; er

zat een loodje op, en de wachter dorst de verantwoordelijkheid niet op

zich te nemen, dit te verbreken.

Ik was ten einde raad en besloot tot drastische maatregelen mijn

toevlucht te nemen. Ik nam den schoolmeester met een zoet lijntje mee

naar buiten, en begon een enthousiaste beschouwing over het heerlijke

weer en de schoonheden van het Bulgaarsche landschap, en toen de man

hierover in een diepe mijmering verzonk, glipte ik weer naar binnen.

Bulgaarsch geld had ik nog niet, maar om in alle gevallen geholpen te

zijn hadden wij een kleinen voorraad gouden Engelsche ponden in den

zak. Ik laat een goudstuk in mijn hand glinsteren. Het resultaat is

onverwacht; de soldaat trekt een reusachtig mes, ik verbleek en denk,

dat de man tot parate executie wil overgaan wegens poging tot omkooping

van een ambtenaar bij de uitoefening van zijn plicht. De bedoeling

blijkt echter zeer onschuldig te zijn; met één haal van het mes vliegt

het loodje van de telefoon af, en de lijn is vrij.

De schoolmeester wordt uit zijn mijmeringen gewekt en naar binnen

gehaald. Langen tijd hoor ik het geklik van contacten, gerinkel van

allerlei bellen en een eindeloozen beurtzang, door den meester en den

soldaat uitgevoerd voor het onwillige toestel. Het blijkt heel

moeilijk, verbinding te krijgen met het op 25 Kilometer afstand gelegen

Philippopel. Onze telefoon schijnt slechts verbinding te geven met het

eerstvolgende stationnetje; de chef aldaar moet het heele verhaal

opnemen en doorgeven naar de stad.

Na langen, langen tijd heb ik geen ander resultaat, dan dat mij het

strikte bevel bereikt, bij het toestel te blijven, totdat de prefect

van Philippopel in hoogst eigen persoon onze papieren zal hebben

gecontroleerd.

Als een gebroken man strompel ik in het donker naar het vliegtuig

terug, met de overtuiging, dat het eenvoudiger is, van Amsterdam naar

Saladinovo te vliegen, dan van Saladinovo naar Philippopel te

telefoneeren.

Als ik bij het vliegtuig terug kom, vind ik Poelman en Van den Broeke,

die rustig wachten te midden van eenige vriendelijke Bulgaarsche

boeren, die uit eigen beweging een groote flesch landwijn, water,

brood, eigengemaakte kaas en een zeer welkom petroleumlampje hebben

gebracht. Met behulp van de conserven en een kooktoestelletje, dat wij

aan boord hadden, maken wij een lekker Hollandsch maaltje klaar en wij

wachten rustig op de dingen, die komen zullen. Eindelijk, om een uur of

half negen, duiken uit het duister een drietal als heer vermomde

personen op, waarvan één de bewuste Prefect van het district

Philippopel blijkt te zijn. Wij vertoonen hem onze papieren, welke hij

met de meeste belangstelling bekijkt; aangezien hij er niets van

begrijpt, vindt hij ook geen aanleiding er verder aanmerking op te

maken. Dan verzoek ik hem, zooals gebruikelijk is als eerst-aanwezende

autoriteit, het journaal van het vliegtuig voor gezien te teekenen. Dit

wordt den goeden man te machtig en hij weigert halsstarrig in een

dergelijke geheimzinnige en gevaarlijke transactie te treden.

Hij staat op het punt weer in het duister van den Bulgaarschen nacht te

verdwijnen, maar wij pakken hem aan zijn jasje en smeeken hem, ons mee

te nemen naar „de” stad. Dit wordt ons geweigerd, want het blijkt, dat

hij op een motorlorrie langs de spoorlijn hier gekomen is met zijn

beide handlangers, en dit voertuig is niet sterk genoeg om zes personen

te vervoeren. Zoo moet hij ons dan aan ons lot overlaten; alleen

belooft hij ons, den Hollandschen consul te waarschuwen, onze

telegrammen te verzenden en zoo spoedig mogelijk een auto te sturen. De

auto kwam niet en de telegrammen gingen pas den volgenden dag weg.

Groot was ons leedvermaak, toen wij achteraf hoorden, dat de

motorlorrie op den terugtocht bezweken was, en dat de Prefect te voet

in het holle van den nacht zijne residentie had moeten bereiken.

Wij troosten ons zoo goed wij kunnen en zetten ons om het kampvuur, in

casu het petroleumlampje. Het is gelukkig goed weer; een heldere maan

verlicht de vlakte van de Maritza en de toppen van het

Rhodopo-gebergte. De soldaten, die het toestel bewaken, en een paar

herders houden ons gezelschap en het geheel lijkt meer op een groepje

roovers, bivakkeerende in de bergen van den Balkan, dan op een

expeditie, die propaganda maakt voor luchtverkeer in- en met Indië. Wij

leeren den Bulgaren de heerlijkheden kennen van onze Hollandsche

sigaren en zuurkool met spek en zij toonen hun erkentelijkheid, door

ons op een doedelzak typische Bulgaarsche wijzen voor te spelen, eene

eindelooze afwisseling van eentonige melancholieke melodieën en woeste,

barbaarsche krijgsmuziek. Een Bulgaar verklaarde ons later, hierin de

afspiegeling te zien van de ziel van het volk, dat door de eeuwen heen

na lange periodes van onderdrukking telkens weer opstandig in verzet

kwam, om dan weer opnieuw onder vreemde overheersching te geraken en in

lijdelijke berusting te verzinken.

Toen het eindelijk koud en laat werd en wij er zeker van konden zijn,

dat er dien nacht geen auto meer zou komen om ons te verlossen, gingen

wij ter ruste in de cabine van ons toestel. Ofschoon wij menigmaal hoog

hadden opgegeven over de ruime en comfortabele cabine van ons moderne

verkeersvliegtuig, vielen ruimte en comfort in deze omstandigheden niet

mee. Poelman en ik zochten een plaatsje op het kille, sterk

overhellende aluminium-vloertje en Van den Broeke zagen wij bij het

zwakke schijnsel van het petroleumlampje als een reusachtige

plafond-engel in zijn hangmatje boven ons hoofd bengelen. Ik begon hem

zachtjes in slaap te wiegelen, maar dit lokte een hevig protest uit van

Poelman, die voorzag, dat de touwen door deze beweging zouden breken.

Een dergelijke ramp zou ontegenzeggelijk den ontijdigen dood van de

lager gelegen leden der bemanning met zich gesleept hebben.

Wij sliepen dien nacht maar matig en in den vroegen morgen werden wij

stijf en koud wakker.

Den heelen morgen wachtten wij nog tevergeefs op de beloofde auto.

Eindelijk, tegen den middag komt een man uit het naburige plaatsje

Tatar Pazardzjik ons zijn Ford-wagentje aanbieden. Hij had nog een

helper bij zich en wij zaten juist uit te rekenen, hoe wij vijf man en

onze bagage in dit vehikel zouden kunnen vervoeren, toen eindelijk ook

de Hollandsche consul uit Philippopel, de Heer Caltchoff met een

Russischen chauffeur, eveneens in een Fordje, kwam opdagen. Zoo waren

wij dan eindelijk voorloopig geholpen. Een en ander, dat wij niet

direct noodig hadden, werd door den schoolmeester in bewaring genomen;

ons zelf en onze bagage laadden wij in de twee Fordjes, het toestel

lieten wij voorloopig verankerd onder de hoede van de soldaten en wij

aanvaardden den tocht naar de stad. Het werd een ware doodenrit. De

Russische chauffeur, die vroeger zelf bij de vliegerij geweest was,

vond blijkbaar, dat alles, wat met Luchtvaart in verband staat, snel

moet gebeuren, en de andere chauffeur wilde niet achter blijven. Gelijk

klipgeitjes sprongen de beide Fordjes over de kuilen en bulten van den

weg, zoodat wij het ééne oogenblik tegen de kap geslingerd werden, en

het volgende oogenblik bijna door de banken zakten.

Eindelijk bereikten wij behouden de stad, waar ons eerste werk was, het

verzenden van een uitvoerig telegram en een schriftelijk rapport van de

schade naar Holland. Verder trachtten wij telefonische verbinding te

krijgen met den Hollandschen Consul in de hoofdstad Sofia, Jonkheer De

Brauw, hetgeen ons in den middag ook gelukte. De Heer De Brauw bleek

reeds voorloopig door de autoriteiten te Philippopel te zijn ingelicht.

Hij had reeds telegrammen naar Holland verzonden en getracht, ons per

telefoon te bereiken en heeft gedurende ons geheele verblijf zeer veel

belangstelling in onze moeilijkheden getoond, en ons op de meest vlotte

en afdoende wijze in allerlei omstandigheden geholpen, waarvoor wij hem

niet dankbaar genoeg kunnen zijn. Wij verzochten hem, zoo mogelijk een

technicus van den Bulgaarschen vliegdienst te Sofia naar ons toe te

sturen, om met hem de mogelijkheden van herstelling te bespreken.

Wij konden dien dag verder niets meer doen, en ons restte slechts, een

hotel op te zoeken, en het ons zoo gemakkelijk mogelijk te maken.

De volgende dag, 5 October, was een Zondag, en terwijl wij ’s morgens

een beetje in het stadspark liepen te wandelen, hoorden wij een motor

boven ons hoofd, en zagen wij een klein militair vliegtuig uit de

richting van Sofia naderen. Het landde in de buurt van de stad op een

exercitie-veld en het bleek, dat de twee inzittenden een militair

vlieger en de chef van den technischen dienst van het vliegveld bij

Sofia waren. De Bulgaarsche Regeering had zoo op zeer vlotte wijze aan

ons verzoek om hulp voldaan en stelde bereidwillig al de haar ten

dienste staande middelen ter beschikking, om het toestel te herstellen

of te vervoeren.

Dien middag gingen wij allen samen per auto naar het toestel, om te

onderzoeken, wat er gedaan kon worden. De Bulgaarsche technicus zag de

zaak nogal somber in. Reparatie ter plaatse achtte hij niet mogelijk,

en bovendien vreesde hij, dat de strenge Bulgaarsche winter met heftige

stormen en hevige sneeuwvlagen spoedig zou invallen, waardoor het

toestel nog meer te lijden zou krijgen en het werk onmogelijk zou

worden. Hij deelde ons verder mede, dat op het vliegveld bij Sofia alle

noodige middelen voor reparatie aanwezig waren, maar de vraag was, hoe

wij dat onbehouden bakbeest van een F VII daarheen zouden krijgen.

Ofschoon de spoorlijn op korten afstand langs het toestel liep, achtte

de technicus vervoer per spoor bezwaarlijk en adviseerde hij den

grooten romp met ossen over een afstand van 120 Kilometer over den weg

naar Sofia te sleepen. Wij hadden hier echter een zwaar hoofd in en

naderhand, toen wij dien zeer slechten weg, die zich door het gebergte

kronkelt, per auto hebben afgelegd, zijn wij in onze overtuiging

versterkt, dat transport op deze wijze niet mogelijk was.

’s Avonds keerden wij naar de stad terug en zonden wij een telegram

naar Holland, om het advies van den Bulgaarschen technicus mede te

deelen.

Onze stemming was vrij somber. Wij hadden, ook in verband met den

naderenden winter, geen hoop, dat het toestel ter plaatse hersteld zou

kunnen worden. Het transport van het toestel zonder ernstige verdere

beschadiging achtten wij uitgesloten. Wij wisten, dat in Holland een

ander geschikt toestel op het oogenblik niet voorhanden was; de

regentijd in Indië zou niet lang meer uitblijven, en zoo vreesden wij

ernstig, dat de eenige overgebleven mogelijkheid was, de vlucht

voorloopig te staken en het volgend voorjaar in April van Amsterdam uit

opnieuw te beginnen. Aldus werd aan het comité gemeld.

Den volgenden dag is het voor ons alweer gedwongen rust. Ik schrijf een

langen brief aan het comité en de Consul Caltchoff vertoont ons de

merkwaardigheden van Philippopel. Het is een brave dikke Bulgaar, die

het heel goed met ons meent, ons eindeloos veel kopjes lekkere zwarte

Turksche koffie laat slurpen, maar die helaas in zaken niet bijzonder

vlug is. Een wandeling met hem van zijn huis naar het telegraaf-bureau,

een afstand van hoogstens een kilometer, duurt minstens een uur, omdat

de goede man het noodig vindt, ons als laatste actualiteit aan al zijn

vrienden en kennissen voor te stellen. Die voorstellerij heeft ons de

eerste dagen van ons verblijf vergald. Een dag of wat later, toen ik

heusch ergen haast had, stelde hij me plotseling weer voor aan den

Bisschop van Philippopel, een eerwaardige Pope met een langen grijzen

baard. Nu werd het mij te machtig en ik maakte hem duidelijk, dat ik

uit eerbied voor de religie voor ditmaal de ceremonie nog had

ondergaan, maar dat ik in het vervolg met niemand meer wenschte kennis

te maken. De man vatte de zaak nog al goed op en naderhand konden wij

tenminste rustig met hem over straat loopen. Intusschen had hij een

tweede bezwaar, namelijk, dat in twee verschillende straten van de stad

twee huisjes, die hij bezig was te laten bouwen, hem als de polen van

een magneet aantrokken. Zoodra hij buiten de deur van zijn huis kwam,

placht hij zich met een noodlottige zekerheid in de richting van een

van die bouwwerkjes in beweging te zetten, ook al hadden wij hem juist

aan het ander einde van de stad noodig. Hij kwam dan niet tot staan,

voordat hij met liefde nederblikte op de fundamenten van de toekomstige

verzameling hokjes en krotjes, die hij trots „mes constructions”

noemde. Urenlang hebben wij met ons drieën belangstelling voor dit

gedoe getoond, omdat het nu eenmaal onmogelijk was iets van den man

gedaan te krijgen, zonder aan deze passie te offeren. Overigens meende

hij het best en was hij niet ongeschikt.

Den zevenden October krijgen wij gelukkig een prettig bericht uit

Holland. Het comité telegrafeert ons, dat het, ook voor de verzekering,

experts zal zenden, om te zien wat er gedaan kan worden. Wij winnen

inlichtingen in omtrent den treinenloop en het blijkt, dat het in ieder

geval een dag of vijf zal duren, voordat er iemand uit Holland hier kan

zijn; maar wij hebben nu tenminste de zekerheid, dat er iets gebeurt en

dat wij spoedig nader contact met Holland zullen hebben. Wij trachtten

dien dag den Heer De Brauw nog op te bellen, maar de telefoonverbinding

met Sofia is den geheelen dag defect. Philippopel, dat ten slotte nog

120 000 inwoners telt, en het geheele district daaromheen zijn met de

hoofdstad Sofia slechts door één enkel telefoonlijntje verbonden, dat

alle particuliere, militaire, en regeeringsgesprekken moet verwerken.

Geen wonder, dat het ding wel eens warm loopt en een dagje vrijaf

neemt.

Die heele telefoondienst in Bulgarije bleek trouwens een

bezienswaardigheid op zich zelf te zijn. Eens op een dag, dat ik weer

met den Heer De Brauw wilde spreken, begon ik ’s morgens om negen uur

de verbinding dringend aan te vragen door bemiddeling van onzen Consul

Caltchoff. Toen gingen wij rustig zitten afwachten, wat er gebeuren zou

en dronken Turksche koffie. Zoo nu en dan ging er iemand naar de

telefoon om de verbinding opnieuw aan te vragen. De Heer Caltchoff was

een fanatiek postzegelverzamelaar; hij had eenige duizenden zegels alle

door elkander liggen en wij zetten ons aan het werk om ze uit te

zoeken. Toen alles geordend was, weer Turksche koffie en nog steeds

geen verbinding. In afwachting worden wij voor de lunch uitgenoodigd.

Na afloop weer Turksche koffie en nog geen verbinding. Dan als

tijdverdrijf eenige spelletjes trictrac en weer Turksche koffie. Ik

raak zoo langzamerhand in het eerste stadium van volslagen

krankzinnigheid en probeer in contact te komen met het klachten-bureau.

Dit blijkt in het Bulgaarsch „controlla” te heeten, bediend te worden

door een snibbige juffrouw en niet den minsten invloed op den gang van

zaken te hebben. Dan stel ik den consul voor, met ons tweeën naar den

Directeur van den telefoondienst te gaan en gewapend met al mijn mooie

aanbevelingsbrieven de hulp van dezen magnaat in te roepen. De consul

heeft hier eerst een beetje bezwaar tegen, omdat hij den directeur niet

kent, nooit Turksche koffie met hem gedronken heeft en dus geen zaken

met den man kan doen; maar ten slotte weet ik hem toch over te halen.

Wij gaan naar het postkantoor en vinden in een klein bovenkamertje den

Directeur-Generaal van Posterijen, Telegrafie en Telefonie. De man

spreekt niet één Westersche taal. De onderhandelingen worden weer

ingeleid met Turksche koffie; dan grijpt de directeur naar zijn eigen

telefoontoestel en krijgt geen antwoord. Hij wipt echter even naar het

aangrenzende hokje, de telefooncentrale, en eindelijk om een uur of

half vijf krijg ik de gewenschte verbinding. Dan moet ik een

ongelooflijk bedrag aan lewa’s betalen. Ik toon mij hierover een beetje

verbaasd, doch als reden van den hoogen prijs word ik herinnerd aan het

feit, dat het gesprek dringend is geweest! Toen ik weer eens moest

telefoneeren, wandelde ik maar dadelijk naar den directeur; ik kreeg de

verbinding terstond en betaalde bijna niets. Dat was, zooals de

directeur mij goedig verklaarde, om het weer goed te maken voor den

vorigen keer.

Met den Bulgaarschen telegraafdienst deed ik soortgelijke ervaringen

op. De beambten verstonden zoo goed als geen Fransch, Duitsch of

Engelsch, en met mijn perskaart kon ik dan ook weinig beginnen. Eens

moest ik een lang telegram naar Batavia sturen, dat nog al duur zou

worden, en ik had mij in mijn hoofd gezet, ditmaal nu toch eens niet

meer te betalen, dan ik verplicht was. Ik trachtte eerst de

onderhandelingen te openen door het loketje, doch toen het zoo niet

wilde vlotten, liep ik kalm om en stapte het bureau zelf binnen. De

telegrafist vond dit blijkbaar heelemaal niet gek en schoof het loket

voor den neus van de wachtende file dicht. Ik maakte het mij

gemakkelijk, nam een stoel en begon mijn bedoeling te verklaren. Ergens

uit een van de donkere hoeken van het postkantoor werd iemand gehaald,

die Fransch sprak. Ik moest ten slotte zelf de reglementen raadplegen;

met behulp van de kaart moest ik den menschen uitleggen, langs welke

lijnen het telegram zou moeten gaan, wat „Indes Néerlandaises”

beteekende, waar Java en Batavia liggen; ik rekende zelf den prijs uit

en na anderhalf uur zwoegen kreeg ik mijn zin. Met een hartelijken

handdruk nam ik afscheid van de telegrafisten; het loketje ging weer

open en de wachtende menigte kon verder worden geholpen.

Die eerste dagen in Philippopel brachten wij in afwachting door. De

stad vormde juist niet een bijzonder prettig verblijf. Zij ligt niet

ver van de Turksche grens en stond vroeger onder Turksche heerschappij.

In 1878, na den Russisch-Turkschen oorlog, kwam zij hiervan vrij, maar

nog heden is een belangrijk deel van de bevolking Turksch. Er zijn nog

vele Turksche oudheden; in het centrum der stad rijst de Minaret van de

groote Moskee omhoog, en overal in de stad vindt men nog de minaretten

van kleinere, deels vervallen moskeeën, die aan het stadsbeeld een

eigenaardig profiel geven. Groote huizen, waar vroeger de rijke

Turksche kooplieden woonden, werden ons getoond; zij zijn tegenwoordig

jammerlijk in verval en de mooi beschilderde zalen, waar eertijds de

harem van een rijken Pasha huisde, worden nu als tabakspakhuis

gebruikt.

De stad is heel oud en heette in den tijd van de Romeinen Trimontium,

naar de heuvels waarop zij is gebouwd. In een klein museum worden nog

vele Romeinsche oudheden bewaard en de fundamenten van de huisjes, die

onze consul aan het bouwen is, zijn hecht gegrondvest op een zwaren

ouden Romeinschen muur.

Ofschoon de stad tegenwoordig een tamelijk belangrijk centrum vormt,

vooral voor den tabakshandel, maakt zij een armelijken indruk en

bestrating is slechts in enkele straten aanwezig.

Een bezwaar is verder, dat de waterleiding slechts een capaciteit heeft

voor 40 000 inwoners, terwijl de stad er thans 120 000 telt. Wij

maakten ons dan ook den eersten dag in het hotel hopeloos belachelijk

door om een bad te vragen. Men vond het eigenlijk al lichtelijk

overdreven, dat wij voor twee man ’s morgens meer dan één kannetje

water noodig hadden. Wij waren dan ook zeer gelukkig, toen wij in een

van de oudste wijken van de stad een Turksch bad ontdekten. Het was een

typisch oud gebouw. Langs de wanden van een groote voorhal stonden

rustbanken, waar men zich ontkleedde; dan kreeg men houten sandalen om

naar de badkamers te wandelen. Deze bestonden uit een reeks hooge

steenen gewelven zonder ramen, doch met een gat in den hoogsten top. De

steenen banken staan in de rondte; uit oude bronzen kranen stroomt het

warme water uit de muren en een heete damp hangt onder de gewelven. Een

oude Turk met een grooten snor zeept ons zorgzaam van boven tot onder

af en wij voelen ons heerlijk opgefrischt. Helaas blijkt ons naderhand,

dat onze kleeren in dien tusschentijd niet vrij zijn gebleven van

springende bezoekertjes.

De consul liet ons de groote moskee van binnen zien. Wij mochten niet

in de moskee zelf, maar alleen in de voorgalerij, waar de geloovigen

zich de voeten wieschen. Van hieruit konden wij het gebouw overzien,

dat overigens weinig belangrijks opleverde. Vóór aan de moskee is een

soort van houten voorgebouw gemaakt, dat dienst doet als Turksche club.

Wij maakten er met een gezelligen ouden Turk kennis. Zoowel hier in

Philippopel als later in Angora kregen wij trouwens van de Turken een

prettigen, gemoedelijken indruk.

Zoo brachten wij dan de eerste dagen in Philippopel door met de stad

een beetje te bekijken en wij wisselden eenige telegrammen met Holland.

Wij kregen nader bericht, dat de Heer Guilonard, chef van den

Technischen dienst der K. L. M., als vertegenwoordiger van het comité

en tevens van de verzekering bij ons zou komen. Wij zagen met verlangen

zijn komst tegemoet.

Den tienden October gingen wij per auto nog eens naar het toestel

kijken, om ons te overtuigen, of de wacht behoorlijk zijn zaken deed en

of het toestel niet geleden had van weer en wind. Wij vonden de wacht

trouw op haar post; twee soldaten woonden er in een klein tentje,

warmden in een kuiltje in den grond hun eten op, en werden slechts om

de week afgelost. Ofschoon het de laatste dagen een beetje geregend had

en de dauw het toestel des nachts zeer vochtig maakte, terwijl de warme

zon des middags hout en linnen weer deed uitdrogen, bleek het toestel

toch weinig of niets van het weer te hebben geleden. Met behulp van de

krick, die wij bij ons hadden, vijzelden wij het toestel aan den

rechterkant een weinig op, zoodat de punt van den vleugel vrij kwam van

den grond. Den motor dekten wij nog een weinig beter af met zeilen.

Uit de telegrammen hadden wij opgemaakt, dat Guilonard den twaalfden

October zou kunnen aankomen, en wij besloten hem tot Sofia tegemoet te

reizen, om dan daar meteen het vliegveld en de reparatie-werkplaatsen

te kunnen bekijken, en met de Bulgaarsche autoriteiten te kunnen

spreken.

Met ons drieën togen wij den elfden October in den morgen naar Sofia.

Het was een afstand van slechts 120 kilometer, maar de trein deed er

niet minder dan zes uur over, en dit was dan nog de express. Een

hondje, dat blijkbaar iets tegen ons heeft, ziet dan ook gemakkelijk

kans, al keffende een goed eind met den trein mee te loopen. Op reis

werden wij eindeloos doorgezaagd door een Bulgaarschen persman. Er was

op dat moment hoegenaamd niets nieuws te vertellen, aangezien alles wat

er gebeurd was, al lang naar Holland was geseind; maar toch slaagde de

goede oude heer er in tot zijn groote voldoening op een heel klein

schrijfmachinetje een heel lang verhaal in elkaar te zetten.

Aan het station te Sofia vonden wij tot onze vreugde den Heer De Brauw.

Sofia bleek gelukkig een heel wat meer bewoonbare stad dan Philippopel,

zoodat het reisje daarheen, na een week van vervelend wachten, een

prettige afwisseling voor ons vormde. Wij bezochten er onder andere de

mooie kathedraal, die later helaas door een bom werd vernield.

Den twaalfden October gingen wij naar het station om Guilonard af te

wachten; maar hij kwam helaas niet, zoodat wij onverrichterzake

terugkeerden, en den dag grootendeels in ons hotel doorbrachten, waar

het gelukkig nog al uit te houden was. Den volgenden dag kwam Guilonard

des morgens per Orient Express aan, en onze stemming steeg aanzienlijk,

toen wij daar in onze ballingschap een bekend gezicht uit de

Hollandsche vliegerij terugzagen. Bovendien bevestigde hij ons hetgeen

wij ook al uit kranten, brieven en telegrammen hadden gemerkt;

namelijk, dat juist onze tegenslag in Holland en in Indië een geweldig

enthousiasme voor de zaak had gewekt, en dat het comité vast voornemens

was de vlucht in ieder geval te laten doorgaan, hetzij nu, hetzij het

volgend voorjaar, dat „Het Leven” een motor beschikbaar had gesteld, en

dat veel geld uit Holland en vooral uit Indië binnenkwam.

Nog denzelfden dag bracht onze consul ons in aanraking met den Kolonel

Krasteff, commandant der Bulgaarsche Luchtvaart, en gingen wij met hem

naar het vliegveld Bojouriste.

De Bulgaren zijn door het vredesverdrag aan strenge beperkingen

gebonden ten opzichte van hunne bewapening en dus ook van de

luchtvaart. Aan vliegtuigen hebben zij dan ook alleen, wat de Franschen

wel zoo goed willen zijn af te staan, en dat is niet veel bijzonders:

een klein aantal Caudron-vliegtuigen van een verouderd type. De

Bulgaren zijn echter vast van plan hun vliegdienst flink te

organiseeren, zoodra zij er de kans toe krijgen; uit den oorlog hebben

zij nog overgehouden een zeer goed en ruim vliegveld bij Bojouriste,

met flinke ruime hangars van Duitschen oorsprong; de verschillende

benoodigde gebouwen zijn aanwezig en vooral de reparatie-werkplaats is

zeer goed ingericht, zoodat alle in de vliegerij voorkomende hout- en

metaalbewerkingen er kunnen worden uitgevoerd.

De commandant van het vliegveld was buitengewoon welwillend, en bood

ons alle hulpmiddelen en het noodige personeel voor vervoer of herstel

van het vliegtuig aan; ’s avonds vroeg hij ons ten eten, en nam hij ons

mee naar de opera, die buitengewoon goed was.

Den volgenden dag zouden wij naar Philippopel gaan en om Guilonard in

de gelegenheid te stellen onderweg meteen het toestel te inspecteeren,

en zoodoende geen tijd te verliezen, besloten wij ditmaal de reis per

auto te doen. Het was een schitterende tocht. Steil kronkelde de weg

door de bergen. Wij kregen echter wel de overtuiging, dat transport van

het toestel langs dezen weg onmogelijk was, en wij waren dankbaar, dat

de noodlanding niet in dit gevaarlijke terrein had plaats gehad.

Langs allerlei landweggetjes vonden wij niet zonder moeite het toestel,

en de inspectie begon.

Het resultaat was gunstiger, dan wij hadden durven hopen. Guilonard nam

de schade zorgvuldig op en kwam tot de slotsom, dat het toestel alleen

zou kunnen worden getransporteerd, door het in stukken van tien meter

te zagen, maar dat het wel mogelijk zou zijn, het toestel op het

terrein zelf te repareeren. Er zouden dan een nieuwe motor en een nieuw

landinggestel, benevens eenige mécano’s uit Holland moeten komen. Het

was wel mogelijk, van een naburig terrein met eenige voorzorgen weer te

starten en Guilonard stelde mij voor, het toestel dan weer naar

Amsterdam terug te vliegen, om van daar uit de vlucht het volgend

voorjaar opnieuw te beginnen.

Guilonard schatte den benoodigden tijd voor de reparatie, wanneer in

Holland vlug werd begonnen met het gereed maken van den motor en het

landinggestel op ongeveer één maand en zoo zouden wij dus in de eerste

helft van November weer gereed kunnen zijn voor den start en als de

vlucht verder vlot verliep, begin December in Indië kunnen aankomen.

Dan zou de regentijd wel is waar al begonnen zijn, maar nog niet zijn

grootste hevigheid hebben bereikt. Bovendien was Ross Smith indertijd

midden in den regenmoesson dwars door Indië gevlogen. Daarom stelde ik

voor, wanneer de reparatie inderdaad binnen een maand zou afloopen, den

tocht voort te zetten. Onder algemeen enthousiasme werd besloten, het

comité in dezen zin te adviseeren, en in opgewekte stemming gingen wij

naar Philippopel terug. Denzelfden avond ging er een lang telegram naar

Holland om het comité van de bevindingen van Guilonard op de hoogte te

stellen.

Ons eerste werk was den volgenden dag, een contract te maken met een

chauffeur om ons in het vervolg geregeld naar het toestel en weer terug

te rijden. De consul Caltchoff bezorgde er ons een buitengewoon goeden,

een Italiaan, Dragoni genaamd. Deze was vroeger zelf mécanicien

geweest, bleek een waar factotum te zijn en heeft ons verder

onschatbare diensten bewezen. Wij kwamen overeen, dat hij ons iederen

dag voor een redelijken prijs naar het toestel zou rijden, daar ter

beschikking zou blijven, zoolang wij aan het werk waren, en ons ’s

avonds weer naar de stad terug zou rijden. Die Dragoni is ten slotte

een ware vriend in den nood voor ons geworden. Hij was eigenaar van een

zwaren Gräff-und-Stifft-wagen, dien hij indertijd van een Turkschen

generaal had gekocht en waarmede hij ware kunststukjes uithaalde op de

miserable Bulgaarsche landwegen. Het bleek een energieke kerel te zijn,

die ons ook bij het werk aan het toestel flink heeft geholpen. Hij had

een typische manier om met de Bulgaren om te springen, en als zij hem

ergerden door hun laksheid, was zijn vocabularium onbeperkt. In den

wagen had hij steeds een rijzweepje bij zich, om voerlieden, die niet

vlug genoeg uitweken, in het voorbijgaan de regels van den weg te

leeren.

Wij besloten dadelijk te beginnen, het toestel zoo ver mogelijk voor de

reparatie gereed te maken. Met hulp van Dragoni scharrelden wij in de

stad de noodige materialen op, als daar zijn: een paar lange palen om

een bok van te maken, waarmede wij den motor konden lichten; de noodige

takels, touwen, houtblokken, een paar dommekrachten enz. Ten deele in

de auto, ten deele op een kar werd alles naar het toestel vervoerd en

onder leiding van Guilonard werd er de eerstvolgende dagen hard

gewerkt. Wij bouwden een grooten bok en nadat Van den Broeke den motor

had gedemonteerd, werd deze uit het toestel geheschen, dat vooraf met

de dommekrachten horizontaal gezet en op houtblokken en een leeg

benzinevat gesteund was. Het toestel werd zoo zorgvuldig mogelijk aan

palen in den grond verankerd om het tegen storm te vrijwaren. Bij nader

onderzoek bleek ons nu, dat de motor zoo sterk oververhit was geweest,

dat de aluminium zuigers ten deele gesmolten waren, en het metaal in de

uitlaatpijpen terechtgekomen was. Uit de oliezeef haalde Van den Broeke

een ware haché van stukjes zuiger, gebroken zuigerveeren enz. Het

gebroken landinggestel werd gedémonteerd en het bleek een lastig

werkje, de houten blokken, waar het toestel tijdelijk op rustte, zoo te

plaatsen, dat zij bij de herstelling van het landinggestel niet in den

weg zaten. Met een paar ladders en eenige planken, die wij van een

wagenmaker in Saladinovo leenden, bouwden wij een steigertje om de

vleugelreparatie mogelijk te maken. Aan het vliegveld bij Sofia vroegen

wij een autogeen-laschapparaat te leen; dit was achteraf niet noodig,

omdat wij er nog vlugger een kregen uit het naburige stadje Tatar

Pazardzjik.

Den achttienden October was dit voorbereidende werk gereed en konden

wij een telegram naar Holland zenden om te melden, dat het toestel

klaar stond voor de reparatie en denzelfden avond kregen wij onder

algemeene vreugde het bericht, dat den 22sten of 23sten October drie

man van de Fokker-fabriek met den nieuwen motor en het verdere

materiaal uit Holland zouden vertrekken.

De eerstvolgende dagen rest ons nu weer niets dan wachten en hopen, dat

de hulp-expeditie een voorspoedige reis zal hebben en dat de winter nog

een poosje zal uitblijven. De Bulgaren meenen inderdaad te kunnen

voorspellen, dat het zomerweer nog wel eenigen tijd zal aanhouden.

De verjaardag van Van Weerden Poelman wordt den 21sten October zoo

feestelijk gevierd, als naar omstandigheden mogelijk is. ’s Middags

drinken wij Sliwowitch, een soort van Bulgaarschen pruimen-brandewijn.

Het is niet heel lekker, maar er wordt ansjovis bij gegeven, die zoo

zout is, dat men wel gedwongen wordt, te drinken.

Daar wij voor den nieuwen motor olie noodig zouden hebben, heb ik naar

Constantinopel geseind, castrol hierheen te zenden. Naderhand blijkt,

dat hiermede onze voorraad in Constantinopel uitgeput is, en daar het

wenschelijk zal zijn de olie in den nieuwen motor in het begin dikwijls

te ververschen, besluiten wij, de castrol in reserve te houden en van

Philippopel te starten met zuivere ricinus-olie. Voor ons vertrek kocht

ik daarom nog vijftig Liter ricinus-olie bij een apotheker; de motor

heeft er naderhand uitstekend op geloopen, maar ik weet niet, wat de

gevolgen van dezen maatregel zijn geweest voor de volksgezondheid in

Bulgarije.

Uit een telegram, dat wij den 24sten October ontvingen, meenden wij te

mogen afleiden, dat onze hulp-expeditie dien avond om negen uur tien in

Philippopel kon aankomen. Wij maakten het plan, nog denzelfden avond de

materialen op wagens te laden, om ze den volgenden morgen vroeg naar

het veld te rijden, en dan dadelijk aan het werk te tijgen. Hiertoe was

echter noodig, dat de douane den motor enz. dadelijk vrij gaf en ’s

middags togen wij allen samen met den consul Caltchoff naar het station

om die zaak voor te bereiden.

De douane-ambtenaar bleek echter een echt bureaucraatje te zijn. Wel is

waar had de Bulgaarsche regeering aan onzen consul De Brauw alle

mogelijke faciliteiten toegezegd, maar de douane-man beweerde geen

orders te hebben gekregen, en weigerde halsstarrig zijn medewerking.

Wij lieten ons echter niet uit het veld slaan en praatten als Brugmans.

In een dichte rij stonden wij om het bureau geschaard, waar het

mannetje zich angstig achter verschool en vooral de gestalte van Van

den Broeke scheen hem zoo te imponeeren, dat hij op een schelletje

drukte en hiermede alles, wat iets met de douane te maken had, te hulp

riep. Intusschen praatten wij net zoo lang over „Regierungssache” en

andere gewichtigheden en zwaaiden wij zoo hevig met de mooiste

aanbevelingsbrieven voor zijn neus, dat hij eindelijk toegaf en

beloofde tegen storting van 50 Pond sterling als garantie de zaak te

zullen vrijgeven. Het ergste van alles vond hij blijkbaar, dat hij nu

zelf ’s avonds om negen uur op het station moest zijn, terwijl zijn

dienst om zes uur behoorde af te loopen.

Dien avond waren wij allen op tijd op het perron; de bewuste trein

stoomde binnen, maar van onze vrienden uit Holland was geen spoor te

ontdekken, en onder de hoonende blikken van de douane-menschen konden

wij weer verdwijnen.

Wij verwachtten onze helpers nu vier en twintig uur later, maar den

volgenden morgen, toen wij nog rustig lagen te slapen, kregen wij het

bericht, dat één van de Hollanders was aangekomen. Het bleek te zijn

Dömen, een lasscher van de Fokker-fabriek. Hij vertelde een tamelijk

somber verhaal. Brassen, Dietrich en hij zelf, alle drie van de

Fokker-fabriek, waren samen uit Amsterdam vertrokken met het noodige

materiaal. Onder vele zorgen voor den motor, die een paar maal moest

worden overgeladen, bereikten zij de grens tusschen Hongarije en

Servië. Hier hield de pascontrôle bij vergissing den pas van Brassen

achter, zoodat deze in het eerstvolgende Servische station op dit

document moest blijven wachten. De twee anderen gingen door en laadden

den motor over in Belgrado. In Zaribrod, het Servische grensstation aan

de Bulgaarsche grens maakten de Servische autoriteiten bezwaar, den

motor door te laten naar Bulgarije, aangezien de Entente-bepalingen het

gebruik van motoren van dit vermogen aan Bulgarije verbieden en den

invoer van vliegtuigmateriaal aan bijzondere vergunningen binden. Zoo

moest de arme Dietrich met het materiaal hier achter blijven en ten

slotte had Dömen in zijn eentje de reis moeten voortzetten.

Wij waren niet weinig terneergeslagen. Wanneer de Serven formeele

bezwaren gingen maken, was onmogelijk te voorspellen, hoeveel

bureaucratische rompslomp er noodig zou zijn en hoeveel tijd er

verloopen zou, voordat wij ons materiaal hadden.

Wij stelden ons, niet zonder moeite, met den consul te Sofia in

verbinding. De Heer De Brauw bleek intusschen al voor ons aan het werk

te zijn getogen. Hij had in Sofia den bewusten trein opgewacht, en toen

hij de menschen niet vond, van den conducteur vernomen, wat er gaande

was. Onmiddellijk had hij zich met den consul te Belgrado in verbinding

gesteld. Wij zelf telegrafeerden naar Holland, en het Departement van

Buitenlandsche Zaken aldaar stelde zich met de regeering te Belgrado in

contact.

In afwachting van de dingen, die komen zouden, gingen wij den volgenden

dag, een Zondag, weer naar het toestel kijken. De laatste vijf dagen

had het vrijwel onophoudelijk geregend, doch het vliegtuig bleek

gelukkig practisch niet geleden te hebben. De weg er heen was echter in

een modderpoel herschapen, waar de auto zich nauwelijks doorheen kon

werken.

Den morgen van den zeven en twintigsten October kwam tot onze

uitbundige vreugde al het materiaal, te weten: de motor, het

landinggestel en het wiel, de aileron en het materiaal voor de

vleugel-herstelling te Philippopel aan. Dragoni kwam ons ’s morgens

vroeg in een staat van hevige opwinding het bericht op onze kamer

brengen. Toen wij aan het station kwamen, vonden wij ook Dietrich daar,

terwijl Brassen dadelijk doorgegaan was naar Saladinovo. De brave

Dragoni had de voerlieden al gewaarschuwd en wij konden dadelijk met

het opladen beginnen. De wegen waren te slecht om den motor op een

vrachtauto te vervoeren, en zoo zagen wij ons genoodzaakt, hem op een

ossenwagen te laden. Ik hield mijn hart vast, dat dit wrakke voertuig

onder den zwaren last zou bezwijken. Guilonard en Dragoni tobben erg

met de Bulgaarsche werklui aan het station, die allen door elkaar

schreeuwen, hevig gesticuleeren, en een zeldzaam gebrek aan

samenwerking en handigheid ten toon spreiden.

Ik loop even de stad in om een telegram weg te sturen en plotseling

ratelt tot mijn groote verbazing een Citroën-vrachtwagentje op

rupswielen langs mij heen, van hetzelfde type, als waarmede indertijd

de beroemde tocht door de Sahara is gemaakt. Het is vrijwel het eenige

vervoermiddel, dat een zwaren last als onze motor over de slechte

Bulgaarsche wegen kan vervoeren, zonder gevaar te loopen, in de modder

weg te zakken. Ik loop het wagentje dan ook dadelijk achterna; een

poosje verlies ik het uit het oog en dan vind ik het weer terug in een

zijstraatje, voor een kantoor. Ik stap naar binnen en vraag aan den

man, die daar de baas schijnt te zijn, of ik het vehikel huren kan. Het

duurt lang, voor hij mij begrijpt, en als hij zoover is, antwoordt hij,

dat hij niets met het geval te maken heeft. Na eenig zoeken slaag ik er

ten slotte in, den eigenaar te vinden en deze blijkt bereid, het

wagentje, dat pas nieuw is en dien dag zijn entrée in Philippopel had

gemaakt, voor een zacht prijsje een paar dagen af te staan. Ik ga

dadelijk naast den chauffeur zitten en heel trotsch komen wij er mee

bij het station, tot verbazing van de anderen. De ossenwagen krijgt

zijn congé en de motor wordt op de Citroën geladen, die hem veilig en

wel naar het toestel brengt. ’s Middags wordt al het materiaal bij het

toestel afgeladen.

De auto van Dragoni had het den volgenden morgen zwaar te

verantwoorden; de chauffeur en zeven passagiers moeten ermede over de

slechte Bulgaarsche wegen naar het toestel worden vervoerd. De wagen

houdt het echter gelukkig uit en Dragoni vertoont schitterende

staaltjes van rijkunst. Als de wegen steeds slechter worden, zal het

vervoer op deze wijze wel eenige bezwaren gaan opleveren; maar ik voel

er weinig voor, nog een auto er bij te nemen, omdat het duur is, en ik

bovendien de Bulgaarsche chauffeurs op die slechte wegen niet erg

vertrouw.

Dadelijk wordt een aanvang gemaakt met de reparatie van het

landinggestel en den vleugel. Reeds dienzelfden dag wordt de nieuwe

motor in het toestel geheschen, en de groote radiateur er weer voor

geplaatst. Daar het laschapparaat, dat wij uit Sofia hebben laten

komen, er nog steeds niet is, gaat Guilonard er een halen uit Tatar

Pazardzjik.

Aangezien onze auto heden twee maal een lekke band kreeg, besluiten

wij, de lading een beetje te verminderen; Poelman en ik zullen morgen

in Philippopel blijven, en morgenavond zullen Brassen en Dömen bij den

schoolmeester in Saladinovo blijven overnachten. Op den terugweg

passeeren wij dien avond groote troepen Nomaden, die te midden van

hunne kudden in hun zwarte wollen tenten langs den weg kampeeren. De

volgende dagen vinden wij ze in Philippopel, waar zij op de markt

dekens en andere artikelen, die zij van de wol van hunne schapen hebben

geweven, aan den man trachten te brengen. Onze Consul Caltchoff bracht

mij later in aanraking met een paar van hun hoofdlieden, die dikwijls

een aanzienlijk kapitaal bezitten in den vorm van schapen en kleine

paardjes. Het is een eigenaardig volkje. Zij belijden den Christelijken

godsdienst en spreken een eigen taaltje, terwijl zij zich bovendien in

bijna alle talen van den Balkan kunnen uitdrukken. In den zomer leven

zij in groote troepen hoog in de eenzame bergen, waar zij hunne schapen

weiden. Tegen den winter trekken zij naar de dalen, om aan de kusten

van de Aegeïsche zee het koude jaargetijde door te brengen. Zij leven

geheel van hunne schapen en de verkoop van de wol is hun eenige bron

van inkomsten. De vrouwen hebben boven den neuswortel een klein kruisje

getatoueerd. Het volkje ziet er in hunne donkere, wollen kleeding, met

bonte randen afgezet en met lange rijen metalen knoopen van allerlei

herkomst versierd, schilderachtig uit en de koppen zijn door wind en

zon verweerd, maar dikwijls niet leelijk. Het schijnt, dat deze nomaden

het overblijfsel zijn van een volkje, dat in een van de vele oorlogen

op den Balkan van huis en hof werd verjaagd. Zij klaagden zeer over de

harde tijden. De wol bracht weinig op en zelfs deze kinderen van de

bergen werden door de belastingen geplaagd. Voor ieder schaap, dat zij

laten weiden, moeten zij eenige lewa’s aan den fiscus offeren.

Bovendien worden zij door roovers lastig gevallen.

Het is namelijk in den Balkan zelfs in de onmiddellijke omgeving van de

groote steden nog lang niet veilig. De verarming, door den oorlog

ontstaan, heeft de zaak verergerd. Politie en soldaten kunnen de

uitgestrekte gebieden, waarin de eenzame bergen den roovers tallooze

veilige schuilplaatsen bieden, onmogelijk afdoende controleeren, en,

wat erger is, zijn dikwijls zelf mede in het complot. Een typisch

staaltje hiervan is het volgende: Een paar touristen wilden een langen

autotocht door de bergen maken, hetgeen hun in verband met de roovers

werd afgeraden. Ze gingen echter toch. Ergens hoog in de bergen werden

zij door den Burgemeester van een naburig plaatsje, die eenige

gewapende mannen bij zich had, aangehouden en hun passen werden

onderzocht. Zij konden bovendien goede aanbevelingsbrieven van de

regeering toonen en zijn Edelachtbare gaf zijn hooge toestemming om

verder te rijden. Toen zij weer in de stad kwamen, vertelden zij, dat

zij nergens roovers hadden gezien, doch alleen den bewusten

burgemeester hadden ontmoet, die zich blijkbaar zeer plichtsgetrouw op

de hoogte hield van alles, wat er in zijn gemeente voorviel. Groot was

echter de ontgoocheling van onze brave touristen, toen men hun

uitlegde, dat die gewapende mannen juist de roovers waren geweest, die

blijkbaar in samenwerking met het dorpshoofd hun bedrijf uitoefenden,

doch waarschijnlijk in dit geval in verband met de aanbevelingsbrieven

van de reizigers het zaakje niet veilig genoeg hadden gevonden. Een

dergelijke verbroedering van autoriteiten en ongunstige elementen

schijnt niet zeldzaam te zijn, en door de algemeene armoede en de lage

tractementen sterk te worden bevorderd. Zoo ziet men, waar het drukken

van ambtenaarssalarissen toe leidt! Vooral de tabakshandelaars, die

dikwijls met veel contanten in den zak het platteland op moeten om de

boeren te betalen, hebben van beroovingen te lijden, en kort vóór dat

wij onze noodlanding maakten, waren een paar van deze heeren op den

weg, die van ons toestel naar Philippopel liep, grondig uitgeschud.

Geen wonder dan ook, dat de chauffeurs er een sterken afkeer van

hebben, na zonsondergang buiten de steden te rijden, en als zij het

bepaald doen moeten, zooveel mogelijk de lichten dooven.

Dien 28sten October, den eersten dag van het herstellingswerk, schoten

wij goed op. ’s Avonds kwam de heer Alsem, een filmoperateur uit den

Haag, onze kleine Hollandsche kolonie versterken, die nu acht man

telde. In het kleine Philippopelsche hotelletje begonnen wij zoo

langzamerhand een ware terreur te vormen. Wij waren de beste klanten,

maar de Bulgaren vonden ons ongeloofelijk veeleischend. Wij wilden

allemaal goede kamers hebben; de productie in de keuken kon de vraag

bijna niet bij houden; iederen avond kwamen wij, van onder tot boven

met modder bedekt van het veld terug en wij hadden de naar Bulgaarsche

opvatting nog al overdreven gewoonte, om weer schoon aan tafel te

komen, zoodat de kamermeisjes ongekende hoeveelheden waschwater naar

boven moesten slepen. Wij maakten moeilijkheden, als ons linnen nog

vuiler uit de wasch kwam, dan het er in was gegaan; wij waren

ontevreden, wanneer de gaten in de lakens zoo groot waren, dat wij er

’s nachts doorheen schoten; kortom, wij waren de lastigste gasten van

het hotel, en de arme hotelier slaakte tegenover den Heer Caltchoff de

verzuchting: „Nog vijf van die Hollanders van jou, en ik moet mijn

hotel sluiten.”

Den volgenden dag bleven Poelman en ik volgens afspraak in de stad, om

de auto niet te zwaar te belasten, en wij besteedden onzen tijd met het

rondleiden van den filmoperateur door de stad. Plovdiv, zooals de

Bulgaren Philippopel noemen, biedt met zijn oude wijkjes en zijn mooie

panorama’s vanaf de heuvels menig schilderachtig plekje voor de film.

De anderen gingen weer allen naar het toestel; het werk schoot goed op

en welvoldaan kwamen zij ’s avonds weer terug, behalve Brassen en

Dömen, die volgens afspraak bij den schoolmeester van Saladinovo bleven

logeeren.

De dertigste October was een minder aangename dag. Zware regens maakten

den weg naar het veld bijna onbruikbaar, zoodat wij telkens allen

moesten uitstappen om de zware auto met moeite uit de modder te

bevrijden. Het terrein zelf was in een modderpoel herschapen, hetgeen

het werk zeer bemoeilijkte, en vooral het lasschen van het

landinggestel in regen en wind was een waar kunststukje. Bovendien

bleken sommige deelen van het landinggestel, evenals de nieuwe

extra-radiateur, niet dadelijk te passen, hetgeen het werk vertraagde.

Tot onzen spijt moesten wij besluiten, niet, zooals wij eerst gehoopt

hadden, den eersten November te starten, maar ons vertrek tot den

tweeden November uit te stellen.

De wegen waren nu zoo langzamerhand zóó slecht geworden, dat wij

moesten besluiten, den volgenden dag niet per auto, maar met den trein

naar het vliegtuig te gaan, hetgeen ook alweer tijdverlies meebracht.

Een en dertig October vorderde het werk gelukkig goed en werd het weer

tegen den middag beter. Dien dag sloeg ik de noodige benzine en

ricinus-olie in, en wij hadden goede hoop, dat wij inderdaad den

tweeden November zouden kunnen vertrekken.

Onder een prachtigen blauwen hemel rijden wij den eersten November naar

het toestel. Gelukkig zijn de wegen dien dag zooveel beter, dat wij er

weer per auto kunnen komen. De eerste sneeuw bedekt de toppen van den

Balkan en den Rhodopo. Dien dag schiet de reparatie goed op en mede

door het mooie weer zijn allen in de beste stemming. Er waait een

zwakke Westen-wind; dicht bij het vliegtuig is een lang, smal stukje

grasland, dat in de richting Oost-West loopt en dat voor den start wel

te gebruiken schijnt. Aan den Westkant staan even buiten het veldje

hooge boomen, die den start in die richting moeilijk maken. Aan den

Oostkant ligt het terreintje vrij, zoodat een start in die richting het

veiligste is. Als de wind niet draait, zullen wij dan weliswaar moeten

starten met wind in den rug, maar dit achten wij een minder bezwaar dan

de start naar de boomen toe. De lengte van het terrein is niet

buitengewoon. Onze F VII heeft, vooral met zwakken wind in den rug,

zeker 300 Meter voor den aanloop noodig. De langste gladde startbaan,

die wij op het terrein kunnen vinden, bedraagt 320 Meter. Dan volgen

een paar diepe kuilen, en daarachter loopt een dijkje van bijna een

Meter hoogte. Het zal dus een beetje op het kantje af zijn, maar een

andere keuze hebben wij niet.

Tusschen het vliegtuig en ons geïmproviseerde vliegveld is het terrein

erg hobbelig, en ik huur een dozijntje Bulgaarsche landarbeiders om

dien weg in zoo verre te nivelleeren, dat wij het toestel er over heen

kunnen rijden.

Onderhand leggen de mécano’s de laatste hand aan het vliegtuig, en in

den namiddag was dit tot onze groote vreugde gereed. Voorzichtig werden

de blokken er onderuit gehaald. De motor werd aangeslagen en bleek het

uitstekend te doen. Moeilijk kan ik U onze vreugde en onzen trots

beschrijven, toen wij daar onze goede F VII weer netjes op eigen beenen

zagen staan, van een goeden nieuwen motor voorzien en klaar om den

volgenden dag de reis naar het verre Oosten te vervolgen. ’s Avonds

bood de Heer De Brauw, die zelf was gekomen om bij ons vertrek

tegenwoordig te zijn, ons een afscheidsdinertje aan, dat in de meest

opgewekte stemming werd genoten. Daarna zat ik nog tot drie uur in den

nacht te werken aan kasboek, rapporten, en opgaven voor de verzekering,

mopperende over al die administratie, die zelfs ons, vliegers, niet

wordt bespaard en daarna kroop ik dankbaar nog voor eenige uren onder

de wol, en droomde ik van palmboomen en warmen zonneschijn.

Door de lucht naar Indië · 第 13 / 38 题