HET VERTREK EN DE VLUCHT TOT PHILIPPOPEL

Op den vroegen morgen van den eersten October was het een geweldige

drukte op het vliegveld Schiphol bij Amsterdam. Drommen

belangstellenden kwamen per auto of per boot. Het kleine hotelletje zat

tjokvol met vrienden en kennissen, die reeds den vorigen avond waren

aangekomen. Zij hadden zich in hoofdzaak onledig gehouden met het den

regenmaker, officieel bekend onder den titel Adjunct-Directeur van het

Meteorologisch Instituut, lastig te maken. Op deze autoriteit rustte de

hachelijke taak, uit de laatste weerberichten voorspellingen te wagen

omtrent het weer gedurende den eersten vliegdag. De H-NACC werd uit de

hangar gereden; persfotografen, reporters en filmmenschen liepen als

een troep stoute kinderen iedereen in den weg. Handjes werden gedrukt,

onze bagage werd in het toestel geladen en eindelijk zouden wij

vertrekken. Het uur van starten was op half negen bepaald, doch zooals

op dergelijke critische momenten gebruikelijk is, wil de de motor om

onnaspeurlijke redenen niet aanslaan. Eindelijk deed hij het en kwart

vóór negen zette de F VII zich in beweging om naar den overkant van het

veld te rijden en te starten. Wij gaven den motor vol gas en langzaam

begon het toestel te rollen. Het vliegveld was door de regens drassig

en week; lang rolde het zware toestel voort, voordat het de noodige

snelheid had om zich van den grond te verheffen. Die eerste start was

ten slotte een van de moeilijkste, die wij op de heele reis gehad

hebben. Eerlijk gezegd, stemde die mij niet heel hoopvol en hield ik

mijn hart vast voor de vele, slechtere vliegvelden, die wij in de

tropen zouden vinden.

Het oogenblik, dat de breede wielen van de F VII het contact met

Hollands modderigen bodem verloren, was er voor ons een om nooit te

vergeten.

Wat de toekomst ook zou brengen, de Indië-vlucht, waar zoo lang over

gepraat was en die al zoo veel jaren op de lange baan was geschoven,

was nu toch eindelijk begonnen. Voor ons, die bijna twee jaar lang

hadden geredeneerd, brieven geschreven en in vreeze en beven geleefd,

dat nieuwe moeilijkheden of bezwaren opnieuw tot uitstel of tot afstel

zouden leiden, was het een heerlijk gevoel, om eindelijk, baas op eigen

schip, den luchtweg naar Batavia voor ons open te zien liggen.

Langzaam stijgende, maakten wij een grooten cirkel om Schiphol, dat met

zijn tallooze auto’s en zijn menigte toeschouwers een vroolijken

aanblik opleverde. Wij wuifden onze vrienden op het veld voor het

laatst vaarwel toe en, terwijl escadrille’s van Zee- en Landmacht

opstegen en zich keurig in formatie links en rechts naast ons voegden,

en de Heer Fokker ons in een eigen toestel een eindweegs vergezelde,

zetten wij koers naar Amsterdam om afscheid te nemen van de hoofdstad

van het rijk.

In een breeden boog ging het van West naar Oost over de stad heen.

Overal zagen wij groepen menschen naar ons opkijken. Alle booten, van

de groote mailstoomers aan de IJ-kade af, tot de kleinste sleepbootjes

toe en tallooze fabrieken en zelfs locomotieven op de rangeerterreinen

bliezen ons met hun stoomfluit een laatsten groet toe en ofschoon het

geluid voor ons in het machtige geronk van onzen motor verloren ging,

waren de tallooze witte stoompluimpjes als zakdoeken, waarmede de oude

verkeersmiddelen van de Hoofdstad het jongste verkeersmiddel een goede

reis naar Indië toewuifden.

Van Amsterdam ging het naar het Zuid-Oosten naar het vliegveld

Soesterberg. De motor werd in toeren geminderd, wij scheerden rakelings

langs de hangars en Poelman hing ver uit het toestel om zijn kameraden

voor het laatst te groeten. De escadrille’s van Zee- en Landmacht namen

afscheid van ons en landden in Soesterberg en alleen een enkele

verkenner, met den luitenant Sar, chef van den fotodienst uit

Soesterberg, aan boord, bleef ons vergezellen om bij de Duitsche grens

met een knipoogje van het starre glazen oog van de luchtcamera afscheid

van ons te nemen. Na Soesterberg stijgen wij langzaam een weinig; we

richten den neus van de F VII naar het Oosten en bereiden ons er op

voor, om dien dag een uur of acht te vliegen en niet eerder te landen,

voor het goede oude Vaderland, het „land van mist en regen”, ruim acht

honderd Kilometer achter ons zou liggen.

Het weer was gunstig; eenige dunne, witte wolkjes hingen hoog tegen den

lichtblauwen hemel; de horizon was een beetje heiig, maar het uitzicht

was ruim voldoende; een zwakke Zuidelijke tot Zuid-Westelijke wind

voorspelde ons, dat wij vooral op het laatste gedeelte van deze étappe

niet hard zouden opschieten, maar wij hadden nog den heelen langen dag

voor ons, de tanks waren goed gevuld en wij hoefden ons dus hierover

geen zorgen te maken.

Over Amersfoort, dat in concentrische cirkels gebouwd, om zijn ouden

toren ligt, gaat het Oostwaarts langs de spoorlijn. Na eenigen tijd

doemen de zes, tweehonderd Meter hooge, slanke masten van het

radiostation Kootwijk voor ons op. Het ingewikkelde dradenstelsel van

de antenne’s hangt daar als een fijn spinrag, en laag beneden ons zien

wij den watertoren, die tevens als vuurtoren dienst doet, om

vliegtuigen bij avond voor deze gevaarlijke hindernis te waarschuwen.

Zoo ontmoeten de twee allernieuwste verbindingsmiddelen tusschen het

oude Vaderland en de deelen van het Rijk in Indië, het vliegtuig en de

draadlooze, elkander hier.

Verder gaat het weer en over de uitgestrekte villaparken van Apeldoorn

koersen wij naar Deventer, dat schilderachtig aan den IJssel ligt en

waar een witte cirkel het noodlandingterrein aanduidt voor vliegtuigen,

die langs deze route naar Hamburg en Kopenhagen vliegen.

Steeds de spoorlijn volgende, vliegen wij langs de ons wel bekende

route over Rijssen en Almelo en dan gaat het verder door den Achterhoek

van Overijssel naar Duitschland.

Om tien uur acht passeeren wij de Duitsche grens dicht bij het kleine,

oude Duitsche stadje Nordhorn en wij kunnen niet nalaten elkander even

de hand te drukken. Zoo waren wij dan ten minste Holland uit en Abcoude

voorbij. Abcoude is voor mij altijd een schrikbeeld geweest,

waarschijnlijk omdat er wel eens een noodlanding heeft plaats gehad.

Het idee om in de krant te zien „De Holland–Indië-vlucht. Noodlanding

bij Abcoude”, heeft mij altijd als een angstig spook voor de oogen

gezweefd en toen wij dan ook de Duitsche grens naderden, kon ik niet

nalaten in een kort briefje aan Spit, den technicus der K. L. M., met

wien ik hierover dikwijls gesproken had, te berichten: „alles wel aan

boord; Abcoude gepasseerd.” Voorbij Nordhorn verlieten wij de route van

de vliegtuigen, die naar Hamburg en Kopenhagen vliegen. Wij kwamen hier

dus voor het eerst op onbekend terrein; ook konden wij hier niet langer

den spoorweg of een ander groot landmerk volgen en daar ik bij

ondervinding wist, hoe gemakkelijk men in die eentonige Duitsche vlakte

den weg kwijt raakt, verdeelden wij het werk. Poelman nam het stuur en

koerste op het compas en ik kon al mijn aandacht aan de kaart wijden.

Over een vlakte, waar bosschen, heide, moerassen en bouwland elkander

afwisselden, bereikten wij het riviertje de Hase bij Bramsche, ten

Noorden van Osnabrück. Van hier af werd de oriëntatie weer

gemakkelijker aangezien wij verder het breede kanaal konden volgen, dat

naar Hannover leidt. Onder ons hebben wij vlak land met weiden en

akkers bedekt en hier en daar nog al moerassig. Ten Zuiden van onze

route zien wij het Wiehen-Gebergte. Het is niet hooger dan een drie

honderd meter, maar het land daar ziet er met zijn dichte bosschen en

steile hellingen weinig geschikt uit voor noodlandingen, zoodat wij

blij zijn, dat wij den kleinen omweg door het Noorden hebben gekozen.

Onze motor doet het uitstekend. Wij laten hem rustig op 1760 tot 1800

toeren loopen; met de koelerkleppen geheel gesloten, kunnen wij het

koelwater gemakkelijk op 70 graden houden. Het landschap is

betrekkelijk eentonig. Wij vliegen over Minden, waar de Wezer bij de

Porta Westphalica zich een weg baant uit de bergen naar de vlakte en

waar het kanaal in een grooten aquaduct over de rivier gevoerd wordt.

Nog een half uurtje en Hannover komt in zicht; reeds in de verte is de

ligging van de stad kenbaar aan de vuil-grijze wolk van rook en nevel,

die er boven hangt. Na even zoeken vinden wij het vliegveld. Het ziet

er ruim, maar een beetje zanderig uit. Er zijn eenige tenthangars en

een paar kleine Duitsche toestellen staan buiten. Wij maken een bocht

boven het veld en zien hoe de menschen naar ons opkijken. Wij schieten

een groenen lichtkogel af om ze duidelijk te maken, dat wij het veld

gevonden hebben, doch door zullen vliegen zonder tusschenlanding.

Het is nu twee uur vijftig minuten geleden, sedert wij uit Amsterdam

startten, en wij berekenen, dat wij gemiddeld 127 Kilometer per uur

hebben afgelegd. De zwakke zijwind heeft ons dus slechts drie Kilometer

per uur aan snelheid gekost.

Van Hannover vliegen wij naar Brunswijk, welke stad met haar roode

daken, haar vele torens en koperen koepels van uit de lucht een mooien

aanblik biedt. Een effen-blauwe hemel welft zich boven ons. Het terrein

is vlak, meest bouwland, afgewisseld met eenige bosschen en meertjes en

de moerassen zijn verdwenen. De twee spitse torens van de kathedraal

van Magdeburg komen in zicht en bij die stad vinden wij de Elbe, die

wij verder zullen volgen.

Wij nemen onzen vliegtijd weer op en het blijkt, dat wij thans

gemiddeld ruim 121 Kilometer per uur hebben gevlogen en dus een weinig

aan snelheid hebben verloren. Aan den rook uit schoorsteenen hebben wij

gezien, dat het op den grond bijna windstil is, doch blijkbaar waait

het op de hoogte van ongeveer 300 Meter, waarop wij ons bevinden,

aanzienlijk meer, een verschijnsel, dat veel voorkomt. Wij slaan af

naar het Zuid-Oosten en volgen de Elbe. De wind is nu Zuid-Zuid-Oost

geworden; tusschen de steden Wittenberg en Torgau nemen wij onze

snelheid nauwkeurig op en deze blijkt thans nog slechts 95 Kilometer

per uur te bedragen. Blijkbaar wordt de wind dus steeds sterker,

terwijl wij hem door onze koersverandering bij Magdeburg ook meer tegen

hebben gekregen. Intusschen hebben wij benzine genoeg om Praag te

bereiken, en wij hoeven ons dus geen zorgen te maken. Even vóór Meiszen

beginnen de heuvels links en rechts van de rivier. Ofschoon het terrein

hierdoor minder geschikt wordt voor een noodlanding, is het toch een

aangename afwisseling na het vele vlakke land, dat wij achter den rug

hebben.

Bij Dresden zien wij in een groote bocht van de rivier het vliegveld

liggen, dat door een groote, witte T is aangeduid. Voor zoover wij zien

kunnen, is het in goeden staat en er staan een hangar en een vuurtoren.

Wij schieten weer een groenen lichtkogel af en vliegen dan dwars over

de stad. Deze maakt vanuit de lucht gezien, met haar lange, rechthoekig

aangelegde straten en hooge, van natuursteen opgetrokken huizen een

mooien en buitengewoon regelmatigen indruk.

Wij zijn nu niet ver meer van de grens tusschen Duitschland en

Tsjecho-Slowakije, waar de Elbe zich kronkelend een weg baant tusschen

het Ertsgebergte en het Reuzengebergte. Wij steken een groote bocht,

die de rivier hier maakt, af, en vliegen over het rotsachtige

Elbsandstein-Gebirge. De wind, die hier over de bergen en dalen

strijkt, veroorzaakt sterke op- en neergaande luchtbewegingen, wat wij,

vliegers, „remous” noemen, zoodat het vliegtuig zoo nu en dan sterk

overhelt en heen en weer geslingerd wordt. Dank zij de goede

vliegeigenschappen en de gemakkelijke bestuurbaarheid van onze brave

H-NACC kost het ons echter weinig inspanning het toestel meester te

blijven.

Wij vliegen op ongeveer 600 meter hoogte over de bergen heen en dan

ligt de vlakte van Bohemen voor ons. Wij scheren langs een steilen,

afzonderlijk uit de vlakte oprijzenden heuvel met de ruïne van een oud

kasteel op den top, en zien spoedig daarna aan de Moldau, een zijrivier

van de Elbe, de stad Praag voor ons liggen.

Zeven en een half uur, nadat wij Amsterdam verlaten hebben, strijken

wij op het vliegveld Kbely bij Praag neer. Het terrein is uitstekend,

zeer ruim, en glad als een billartlaken en één van de vele groote

steenen hangars opent gastvrij zijn breede deuren om de F VII te

herbergen. De eerste étappe was vlot en mooi verloopen; de motor had

zich uitstekend gehouden; het benzine-verbruik was gebleken slechts

drie en negentig Liter per uur te bedragen; het weer had meegewerkt en

de heele bemanning voelde zich in de beste conditie en in opgewekte

stemming. Hiertoe droeg niet weinig bij de correcte en vriendelijke

ontvangst, die wij van de zijde van de vliegveld-autoriteiten

ondervonden. Zij deden alles wat ze konden, om het ons zoo aangenaam en

gemakkelijk mogelijk te maken. Wij kregen dadelijk de noodige, zeer

gewillige mécaniciens om ons te helpen, onze benzine en olie stonden

voor ons klaar, voor de verzending van onze telegrammen werd gezorgd,

de inwendige mensch werd niet vergeten en een regeeringsauto wachtte,

om ons naar de stad te brengen.

Het vliegveld te Praag vormt een tusschenstation voor de Fransche

lijnen naar Warschau en Constantinopel en de Tsjecho-Slowaaksche

regeering doet alles wat zij kan, om het internationale luchtverkeer

aan te trekken.

Wij kwamen eerst na het donker in de stad, zochten een hotel op, gingen

lang en aandachtig eten en togen toen weer de stad in om onder de

leiding van een paar vriendelijke Hollandsche journalisten een

vluchtigen indruk te krijgen van de vele historische merkwaardigheden

van de oude Boheemsche koningsstad. Ons bezoek kon helaas maar zeer

kort duren, doch een indruk van veel mooie gebouwen, van nauwe,

duistere, kronkelende straatjes, en van de oude burcht, het Hradschin,

die vanaf den top van den heuvel op de Moldau neerziet, is ons

bijgebleven. Evenzoo is ons bijgebleven dat wij, hoe interessant de

stad ook was, tijdig en met vreugde onder de wol kropen.

Den volgenden morgen togen wij alweer vroeg naar het veld. De F VII

werd klaar gezet en den motor lieten wij proefdraaien. De commandant

van het vliegveld ried ons aan, nog even met vertrek te wachten, totdat

alle weerberichten van de route draadloos binnen gekomen zouden zijn.

Intusschen duurde dit langer, dan wij gehoopt hadden, en, gereed voor

den start, drentelden wij ongeduldig bij de F VII op en neer. Eindelijk

kwamen de radiogrammen; het weer was niet zoo gunstig als den vorigen

dag; meer wolken, hier en daar wat regen, en meer kans op tegenwind.

Het was echter goed genoeg om te vertrekken en zoo gauw mogelijk gingen

wij de lucht weer in. De wind was inderdaad nog al sterk en woei uit

het Zuid-Oosten, dus pal tegen. Wij zouden dien dag naar Belgrado 800

Kilometer moeten vliegen en konden dus rekenen op een flinken langen

vliegtijd. Van het vliegveld af vlogen wij eerst een eindje op het

compas, tot wij de Sazawa vonden, een smalle zijrivier van de Moldau,

die zich sterk kronkelend een weg baant door het heuvelland van

Bohemen. Hooger en hooger werden de heuvels; wij verlaten de Sazawa en

vliegen op het compas naar het Zuid-Oosten over een pas tusschen

bergen, die de waterscheiding vormen tusschen het stroomgebied van de

Moldau en den Donau. Zware regenwolken hangen dicht boven ons hoofd en

laten boven den dicht-beboschten pas slechts eenige tientallen meters

heldere lucht vrij, waar de groote F VII juist doorheen glipt; dan

daalt het terrein weer langzaam, maar het blijft heuvelachtig en

boschrijk en biedt zeer weinig gelegenheid voor landing. Een net van

kleine riviertjes breidt zich waaiervormig onder ons uit en

vergemakkelijkt de oriëntatie, daar zij allen samen stroomen in een

zijrivier van den Donau, de March, zoodat wij slechts stroomafwaarts

behoeven te vliegen om met zekerheid den goeden weg te vinden. Zoo

komen wij in de vlakte van de March, waaruit links van ons de kleine

Karpaten als een mooie keten oprijzen. Reeds uit de verte vormen zij

een duidelijk landmerk voor ons, daar aan den voet van deze keten

Pressburg zeer schilderachtig aan den Donau gelegen is. De breede

rivier en de oude stad aan den voet van de steile bergen vormen een

schitterend landschap. Langen tijd volgen wij den stroom, die zich

telkens in breede takken splitst, welke dicht-beboschte eilandjes

omsluiten. De wijde vlakte van Hongarije strekt zich uit zoo ver het

oog reikt. Hier en daar liggen uitgestrekte weilanden, waarop groote

kudden vee grazen en die de beste landingsgelegenheid bieden, die men

maar wenschen kan. Groote houtvlotten, met hutjes erop, waarin de

bemanning huist, laten zich langzaam onder ons de breede rivier

afdrijven.

Wij hebben onze snelheid weer opgenomen en het blijkt, dat die slechts

91 Kilometer per uur bedraagt. Om geen tijd te verliezen, besluiten wij

de groote bocht, die de rivier langs Budapest maakt, af te snijden. Wij

vliegen dwars over een heuvelrug en zien in de verte een uitgestrekt

meer, de Plattensee, en eenigen tijd later vinden wij de rivier weer

terug, die wij verder zullen moeten blijven volgen tot Belgrado toe.

Het landschap aan den rechteroever wordt nu meer heuvelachtig en

bergachtig maar aan den linkeroever blijft het vlak en biedt het

voldoende gelegenheid voor landing.

In den namiddag constateeren wij, dat onze snelheid is opgeloopen tot

102 Kilometer per uur. Het gaat dus weer een beetje harder, maar als

wij vóór het vallen van den avond Belgrado willen bereiken, zullen wij

ons toch moeten haasten. Wij steken alle bochten van de rivier af om

tijd te winnen en vliegen zooveel mogelijk op het compas, en wij zijn

blij, wanneer wij de stad bij de samenvloeiïng van de Sava en den Donau

zien liggen. De schemering daalt al en in de stad worden de lichtjes

reeds aangestoken. Iets verder stroomafwaarts vinden wij bij het kleine

plaatsje Pancsova het vliegveld, waarvan de ligging door een groot

kruis van lichten wordt aangeduid.

Wij hadden gehoord, dat het vliegveld klein was, doch dit viel nog al

mee, daar de aangrenzende weilanden voor een deel zonder

terrein-afscheiding in het vliegveld overgaan, en een natuurlijke

uitbreiding hiervan vormen.

Wij hadden nog juist licht genoeg om te landen, maar als we iets later

waren gekomen, zou het geheel donker zijn geweest. Voor zulke lange

étappe’s tegen den wind in, is de snelheid van de F VII toch inderdaad

wel wat gering. Wij hadden dezen dag een afstand van 800 Kilometer

afgelegd in 8 uur 40 minuten, wat een uurgemiddelde geeft van slechts

ruim 92 Kilometer. Een ongunstige omstandigheid is het verder, dat wij

Oostwaarts, dus tegen de zon in vliegen. Hierdoor verliezen wij bij

elke étappe eenigen tijd daglicht; wij besluiten dan ook in het vervolg

’s morgens zoo vroeg mogelijk te starten en ons niet te laten ophouden

door het wachten op weerberichten of anderszins.

In Belgrado vonden wij heel wat minder vlotte hulp dan in Praag. De

dienst op het vliegveld alhier wordt grootendeels waargenomen door

Franschen, aangezien Fransche vliegtuigen hier ook landen. De F VII kon

slechts worden ondergebracht in een open hangar zonder deuren, en

ofschoon er een tot de tanden gewapende Servische soldaat bij werd

geplaatst, dorsten wij het toestel niet alleen te laten, en bleef Van

den Broeke er in zijn hangmat in slapen. Na lang op het veld te zijn

gebleven om de douane- en andere formaliteiten in orde te maken,

hobbelden Poelman en ik in een klein Ford-wagentje over een onmogelijke

kei-bestrating in het donker naar Pancsova, waar wij hadden besloten te

overnachten, aangezien Belgrado te ver weg en te lastig bereikbaar was.

Het telegraafkantoor was reeds gesloten. Met hulp van een Servischen

douane-beambte gelukte het mij, den telegrafist te vinden. Anderhalf

uur sleet ik in het kleine kantoortje in lange onderhandeling met den

telegrafist en zijn vrouw. Ik trachtte ze de beteekenis van mijn

perskaart duidelijk te maken, doch deze was in het Fransch opgesteld en

werd derhalve met een even verachtelijken glimlach geweigerd, alsof het

Hottentotsch was geweest. Ik had nog geen Servisch geld kunnen krijgen,

moest dus in franken betalen, werd ongeloofelijk afgezet en verloor

veel tijd, doordat koersberekening blijkbaar geen dagelijksch werk was

voor den Servischen beambte. Het resultaat van al die moeite was, dat

het bewuste telegram drie dagen later in Den Haag aankwam, met het

lakonieke opschrift: „door dienstredenen vertraagd”.

De Amerikaansche vlucht om de wereld werd zeer zorgvuldig voorbereid en

bestudeerd. De militair-attaché te Parijs reisde vooraf het traject

Constantinopel–Parijs af. In zijn rapporten, die hij zoo welwillend

was, mij naderhand ter inzage te geven, ontried hij een landing bij

Belgrado ten sterkste op dezen grond: „The local hotels are infected

with vermin.” Wij hadden ons dan ook voorzien van de noodige blikjes

insectenpoeder, en met deze gewapend togen wij, achterdochtig om ons

heen spiedende, het hotelletje te Pancsova binnen. Eerlijk gezegd viel

de fauna nog al mee, maar overigens was het tamelijk vies. Wij genoten

echter van een lekker Hongaarsch landwijntje en een buitengewoon goed

Tziganen-strijkje.

Geleerd door onze ervaring van den vorigen dag, togen wij in den morgen

van den derden October voor dag en dauw op stap. Toen wij op het veld

kwamen, vonden wij het toestel alweer startklaar en Van den Broeke

bezig met de laatste voorbereidingen.

Dezelfde Zuid-Oosten wind, die ons de beide vorige dagen had

opgehouden, woei ook heden weer. Ook was het nogal bewolkt en er was

wat regen te wachten. Wij waren van plan onzen weg te vervolgen langs

den Donau en door de IJzeren Poort, dezelfde route, die ook door de

Fransche toestellen wordt genomen, wanneer zij van Belgrado via

Bucarest naar Constantinopel vliegen. De Franschen voorspelden ons

echter, dat de nauwe kloof van de IJzeren Poort waarschijnlijk te veel

door nevel en wolken zou zijn afgesloten en rieden ons daarom aan, den

Donau even beneden Belgrado te verlaten, het dal van de Morava in te

slaan en dit tot Nish te volgen en dan verder over Sofia, Philippopel

en Adrianopel naar Constantinopel te vliegen. Zoodoende zouden wij

minder last van de bergen hebben, en aldus werd besloten. Ik had van te

voren gelukkig half en half op deze mogelijkheid gerekend, en dus ook

voor deze route een kaart meegenomen.

Zoo gauw mogelijk gaan wij op weg. De motor doet het goed en de start

op het gladde, harde terrein kost geen moeite. Op het eerste gedeelte

van de vlucht hebben wij in het dal van de Morava goed, vlak terrein

onder ons, maar aan beide zijden van het dal rijzen de bergen hoog in

de lucht. Links liggen de Rtanj van 1500 Meter hoogte en de Stara

Planina, waarvan de 2000 Meter hooge toppen in zware, sombere

wolkensluiers zijn gehuld. Kleine regendroppeltjes spatten tegen onze

voorruit uit elkander. Het is te hopen, dat wij straks, als wij de

bergen over moeten, den weg niet door de wolken afgesloten vinden.

Bij Nish buigen wij links af en gaan wij de bergen in. Wij volgen de

Nisawa, een klein schuimend bergstroompje dat zich hier en daar door

nauwe kloven een weg baant. Het landschap om ons heen wordt steeds

woester en grootscher. Steile rotsen en hooge toppen rijzen aan alle

zijden op. Hier en daar een kleine bergweide, waar een eenzame herder

ons verbaasd nastaart en een kudde zwarte schapen en geiten, door den

grooten vogel verschrikt, als mieren angstig door elkaar krioelen.

Wij vliegen op 1000 Meter hoogte, maar als wij het kleine, diep in een

smal dal verscholen stadje Pirol bereiken, nemen wij den vliegtijd op

en blijkt ons, dat wij sedert Belgrado slechts 89 Kilometer per uur

hebben afgelegd. Onze étappe van heden is bijna 1000 Kilometer lang en

wij moeten dus harder opschieten. Wij gaan daarom lager vliegen en

zoeken diep in het nauwe dal beschutting tegen den wind. Een spoorlijn

en een bergbeek loopen onder ons; langzaam stijgt de bodem van het dal

en meer en meer naderen de hooge bergwanden links en rechts elkander.

Wij hebben den Dragoman-pas voor ons, die de vlakte van Sofia scheidt

van Servië.

Wij maken een bocht naar rechts; de pas vernauwt zich tot een smalle

kloof. Links en rechts sluiten hooge, steile rotswanden ons toestel in.

De spoorlijn baant zich met moeite een weg en verdwijnt hier en daar in

een tunnel. Plotseling zien wij tot onzen schrik, dat vóór ons de kloof

een scherpe bocht naar links maakt, die wij niet kunnen overzien. Als

na die bocht de spoor in een tunnel verdwijnt en een rotswand de kloof

afsluit, loopen wij kans in een „cul-de-sac” terecht te komen, waar wij

met ons langzaam klimmende toestel niet boven uit kunnen en die

misschien ook te nauw is om daarin om te keeren. Wij hebben geen tijd

te verliezen; wij gooien het toestel in een scherpe linker-bocht, de

rechter vleugel strijkt rakelings langs een paar boomen op den bergwand

heen, en wij hebben gelukkig weer de ruimte voor ons. Wij vliegen een

eindweegs terug, langzaam klimmende, en dan brengen wij het toestel

weer in den koers en vliegen op een flinke hoogte over het gevaarlijke

punt heen. Nu wij dit van boven af kunnen overzien, blijkt, dat wij

eigenlijk wel door hadden kunnen vliegen, want dat de kloof wel nauw en

kronkelend was, maar toch ruim genoeg zou zijn geweest voor ons

toestel.

Geleidelijk wordt het terrein weer vlakker en vóór ons zien wij de 550

Meter hoog gelegen, komvormige vlakte van Sofia, de hoofdstad van

Bulgarije. Zonder moeite ontdekken wij daar het zeer groote en goede

vliegveld.

Na ons avontuurtje in de rotskloof van de Dragoman-pas hebben wij in 50

minuten 84 Kilometer afgelegd, dat is 100 K.M. per uur; wij hebben dus

weer wat in snelheid gewonnen, en mogen hopen, op die manier

Constantinopel te kunnen halen, en daar ook de motor in de beste

conditie is, besluiten wij niet te landen, doch door te vliegen.

Al spoedig ligt de vlakte van Sofia weer achter ons en zitten wij

opnieuw in de bergen; links de „Hooge Balkan”, met toppen tot over de

2000 Meter, en rechts het nog hoogere Rhodopo-gebergte. Onder ons weer

niets dan rotsen en kloven en een bruisend bergstroompje. Het duurt

echter niet lang, of de bergen wijken weer links en rechts uiteen en

laten het breede dal van de Maritza vrij, dat zich verder tot aan de

Aegeïsche Zee uitstrekt.

Gelukkig zijn wij juist het gevaarlijke terrein voorbij, als zeer

plotseling het gevreesde motorpech-duiveltje zijn kop opsteekt.

Rustig, ons van niets kwaads bewust, vliegen wij door de breede vlakte;

de motor loopt prachtig, regelmatig op 1780 toeren; dan stijgt

onverwachts de thermometer, die de temperatuur van het koelwater

aangeeft, van 70 graden tot het kookpunt. Wij begrijpen, dat er iets

met de koeling niet in orde is. Dadelijk begint de motor minder toeren

te maken en de thermometer daalt weer snel, hetgeen bewijst, dat het

koelwater voor een goed deel moet zijn ontsnapt, zoodat de warme

cylinderkoppen droog liggen en geen stoom meer wordt ontwikkelt. Wij

begrijpen, dat het niet lang meer kan duren en wij kijken uit naar een

terreintje om een noodlanding te maken. Schuinslinks achter ons ligt te

midden van omgeploegde bouwlanden een stukje grasland en wij hebben nog

juist tijd om hier in een S-bocht heen te glijden. De motor loopt

steeds langzamer en onregelmatiger, zingt zijn zwanenzang in den vorm

van een paar heftige knallen en stopt dan geheel.

In een doodsche stilte glijden wij op het graslandje af. Het is een

vreemde gewaarwording om, na urenlang het gedaver van den motor te

hebben gehoord, plotseling niets anders dan het suizen van den wind om

het toestel te vernemen en elkander zonder inspanning te kunnen

verstaan.

Wij landen zoo langzaam mogelijk en hopen al, dat alles zonder stukken

zal afloopen. Dan hooren wij tot onzen schrik bij de eerste aanraking

met den grond een harden klap tegen het rechterwiel; het toestel

hobbelt verder, telkens heftig stootende op de oneffenheden van den

bodem; het begint langzaam naar rechts over te hellen tot de

rechterpunt van den breeden vleugel den grond raakt. Het vliegtuig

maakt om dien vleugelpunt een kwartdraai naar rechts en blijft dan stil

liggen en wij hebben niets meer te doen dan uit te stappen en de schade

op te nemen.

In de eerste plaats bleek ons, dat de motor zeer aanzienlijk had

geleden; hij was blijkbaar sterk oververhit geweest en wanneer men de

schroef met de hand ronddraaide, hoorde men in het inwendige van den

motor allerlei geluiden, waarvan de oorzaak niet direct was vast te

stellen, doch die op ernstige schade wezen. De schroef had bij de

landing den grond niet geraakt en was onbeschadigd gebleven. De oorzaak

van de motorstoring bleek te zijn geweest een groote scheur in den

extra-radiateur, waardoor het water snel was weggeloopen en de

oververhitting was ontstaan. De groote afmeting van de barst, die

ongeveer zes à zeven centimeter lang was, verklaarde het snelle verloop

van het heele geval. Tusschen het oogenblik, waarop wij in de lucht

voor het eerst onraad bemerkten, en het oogenblik van de landing waren

nauwelijks een à twee minuten verloopen en zoodra wij op den grond

stonden, liep het laatste beetje water uit het lek, dat geheel onder in

het koelsysteem zat, weg. Een vliegtuigmotor is voor oververhitting

zeer gevoelig, doordat hij doorloopend een groot vermogen moet

ontwikkelen en naar verhouding zeer licht is geconstrueerd. Wij hadden

den motor misschien nog eenigszins kunnen sparen, als wij hem stop

hadden gezet onmiddellijk toen de temperatuur opliep, maar om veilig te

kunnen landen moesten wij hem laten doorwerken, tot hij het opgaf, en

het was dan ook niet te verwonderen, dat hij tenslotte ernstig

beschadigd bleek te zijn.

Het rechterwiel van het toestel was gebroken, en verschillende buizen

van het landinggestel waren eveneens gebroken of verbogen. Aanvankelijk

vreesden wij, dat ook de romp misschien geleden zou hebben, aangezien

verschillende aanhechtingspunten van het landinggestel aan den romp

beschadigd waren, doch naderhand bleek gelukkig dat deze vrees

ongegrond was.

Doordat het landinggestel was bezweken, was het toestel komen te rusten

op de rechtervleugelpunt. De hieraan bevestigde aileron (roer voor

zijdelings evenwicht) was beschadigd en het was mogelijk, dat ook de

vleugel zelf aan de onderzijde geleden had. Wij sneden een stukje uit

het triplexhout om den vleugel inwendig te inspecteeren, doch konden

geen schade ontdekken. De vleugel had echter een deel van het gewicht

van het toestel te dragen gekregen, en er moest rekening worden

gehouden met de mogelijkheid, dat hij hierdoor eenigszins verwrongen

was, waardoor de vliegeigenschappen van het toestel beïnvloed zouden

kunnen worden.

Wij volgden het spoor, dat het toestel bij de landing gemaakt had, en

ontdekten spoedig de oorzaak van het breken van het landinggestel.

Juist op de plaats, waar het toestel het eerst de aarde geraakt had,

liepen een aantal richels of kleine dammetjes over het grasland. Zij

waren elk nauwelijks een voet hoog, doch bestonden uit stevige harde

klei. Wij konden het spoor van het toestel over deze dammetjes

duidelijk volgen en het bleek ons, dat wij er niet minder dan negen

geraakt hadden. Hiertegen was blijkbaar het landinggestel niet bestand

geweest, en het wiel was waarschijnlijk gebroken, doordat de spaken in

aanraking waren gekomen met deelen van het bezwijkende landinggestel.

Naderhand vertelde men ons, dat het terrein, waar wij geland waren,

vroeger voor rijstbouw was gebruikt. Zooals bekend, groeit rijst in de

modder, en om het terrein te irrigeeren, waren die dammetjes aangelegd.

Toen wij er landden, lag het veld braak, en was alles met gras bedekt,

zoodat wij de bewuste dammetjes van uit de lucht niet hadden kunnen

zien. Als wij ze wel hadden kunnen ontdekken, zou het ons toch niet

veel geholpen hebben, aangezien er in de buurt niet veel keuze was. De

omgeving was ten deele bedekt met versch geploegde akkers, ten deele

vormden boomen een hindernis. Ten slotte kwam er ook hier nog een

gelukje bij een ongeluk, aangezien door hetzelfde weiland, waarop wij

geland waren, een eindje verder een geul liep van ongeveer een meter

diepte. Als wij daarin terecht gekomen waren, zou zeker nog veel

ernstiger schade het gevolg zijn geweest.

Door de lucht naar Indië · 第 11 / 38 题