KLIMAAT EN ROUTE

De studie van de route, van het op die route te verwachten weer, van de

vliegvelden en de noodlandingsterreinen nam een aanzienlijken tijd in

beslag.

De luchtweg naar Indië was niet meer geheel onbekend. Zooals in de

inleiding bleek, zijn er reeds meerdere vliegers dien weg gevolgd. Van

hunne ervaringen konden wij gebruik maken, en het was mogelijk van de

meeste vliegvelden, waar wij zouden landen, de noodige gegevens te

verkrijgen. Het eenige bezwaar was, dat de gegevens, welke wij voor het

grootste gedeelte van het Engelsche Air Ministry kregen, niet altijd

geheel nieuw waren, zoodat zij zooveel mogelijk met particuliere

inlichtingen moesten worden aangevuld.

Onze route kwam in hoofdzaak overeen met die, welke door Pelletier

Doisy en de Amerikaansche wereldvliegers was gevolgd. Daar ons

verkeersvliegtuig minder snel was en daardoor minder lange étappe’s kon

maken dan het militaire vliegtuig van Pelletier Doisy, moesten wij

echter op meer plaatsen landen dan de Franschman. Engelsche vliegers

hadden vroeger meestal een route gekozen, welke afweek van de onze en

over Italië en Egypte naar Mesopotamië voerde; dit was om politieke

redenen gedaan; voor ons echter bestond er geen reden, om niet over

centraal Europa te vliegen en vrijwel in een rechte lijn over Praag,

Belgrado, Constantinopel, Angora en Aleppo Mesopotamië te bereiken.

Van Mesopotamië af zijn alle vliegers langs dezelfde route naar Indië

gevlogen, namelijk langs de Perzische Kust, door Voor-Indië van Karachi

naar Calcutta, langs de Kust van Achter-Indië en zoo naar Bangkok, de

hoofdstad van Siam. Bangkok vormt de driesprong in de groote

luchtwegen. Ross Smith boog hier naar het Zuiden af om via onzen Oost

Australië te bereiken, terwijl de luchtweg naar Japan, China en Amerika

hier naar het Noorden gaat.

Uit de ervaringen van vroegere vliegers wisten wij, dat wij op onze

route over het algemeen voldoende vliegvelden zouden aantreffen, al

lagen die soms op vrij groote afstanden, zoodat wij in staat zouden

moeten zijn, minstens acht à negen uur aan één stuk te vliegen. De

Europeesche vliegvelden Praag, Belgrado en Constantinopel, benevens

Angora, werden geregeld aangedaan door de Fransche

luchtvaart-maatschappij, de Franco-Roumaine, zoodat wij mochten

verwachten, daar de zaken behoorlijk in orde te zullen vinden. Van

Angora zouden wij naar Syrië vliegen, dat onder Fransch mandaat staat

en waar de Franschen een groot vliegveld in Aleppo hebben, benevens

eenige kleinere terreinen in het binnenland. Aan het Fransche gebied in

Syrië grenst het Engelsche mandaat in Mesopotamië (Irac), waar de

Engelschen hun veel-besproken systeem van „control without occupation”

toepassen, hetgeen wil zeggen, dat zij in dit uitgestrekte gebied geen

troepen te land gebruiken, doch hun gezag op afdoende—zij het ook

ietwat hardhandige—wijze handhaven met behulp van vliegtuigen, die in

de groote centra zijn gestationeerd. Ook hier waren wij dus zeker, een

behoorlijk aantal goede vliegvelden te zullen vinden.

Verderop, langs de Perzische kust, zijn geen geregeld gebruikte

vliegvelden, doch er zijn eenige kleine terreinen, die volgens

inlichtingen van de weinige vliegers, die er vroeger langs kwamen,

voldoende waren. Langs deze kust zouden wij Voor-Indië bereiken. De

kortste weg zou dan zijn geweest van Karachi in rechte lijn naar

Calcutta, doch op deze rechte lijn zijn geen vliegvelden aanwezig,

terwijl bovendien een noodlanding in de Indische woestijn weinig

aangenaam zou zijn geweest, in verband met de geringe dichtheid van

bevolking. Op advies van de Engelsch-Indische Regeering maakten wij

daarom een omweg door het Noorden, door het gebied van den Indus en den

Ganges. Deze route zou weliswaar ongeveer 500 Kilometer langer zijn,

doch zij had het voordeel, te voeren door een dichtbevolkt gebied, waar

de Engelschen in verband met de verdediging van de Noordgrens een reeks

goed ingerichte vliegvelden bezitten, en waar het bovendien in geval

van een noodlanding niet moeilijk zou vallen, de noodige hulp te

verkrijgen.

Hadden wij, zooals uit deze opsomming blijkt, tot Calcutta weinig

zorgen omtrent de vliegvelden, na Calcutta zou de zaak minder gunstig

worden. Op de kust van Achter-Indië zouden wij eerst aantreffen een

klein terreintje bij Akyab en daarna een zeer ongunstig midden in de

stad gelegen renbaan te Rangoon. Vooral omtrent dat terrein te Rangoon

hebben wij ons tijdens de voorbereiding veel zorgen gemaakt en verderop

zal blijken, dat deze zorgen niet ongegrond waren. Na Rangoon zouden

wij moeten landen in Bangkok, waar wij een behoorlijk vliegveld van den

Siameeschen vliegdienst zouden aantreffen, doch daarna werd de zaak

weer lastiger. Ross Smith was indertijd geland in Sengora, een klein

Siameesch plaatsje op het Maleisch schiereiland en hij had zeer

geklaagd over den slechten toestand van het vliegveldje aldaar, dat met

boomstronken bezaaid en half overstroomd was. Er was echter in die

heele omgeving geen ander terrein beschikbaar, zoodat ons geen keus

overbleef; maar gedurende de voorbereiding heeft het vooruitzicht op

die landing met ons zware verkeersvliegtuig in Sengora ons nogal

bezorgd gemaakt, tot dat wij gelukkig kort voor ons vertrek de

geruststellende mededeeling kregen, dat het terrein den laatsten tijd

verbeterd was.

Omtrent de route van Sengora tot Batavia zijn wij eenigen tijd in

twijfel geweest. Ross Smith was geland in Singapore, doch van het Air

Ministry kregen wij bericht, dat het terrein aldaar op het oogenblik

niet te gebruiken was, aangezien er huizen gebouwd en golf-links

aangelegd waren. Wij besloten dus van Sengora over te steken naar

Sumatra. Wel ontbraken op dit eiland georganiseerde vliegvelden, doch

daar wij hier weer op Hollandsch gebied waren, mochten wij verwachten,

dat men ons ter wille zou zijn met den aanleg van tijdelijke

vliegvelden. Inderdaad werd door de medewerking van het Gouvernement en

van de Deli-Maatschappij een terrein bij Medan ingericht. Tusschen

Sengora en Medan lag het eenige groote zeetraject, dat wij op onze

vlucht zouden moeten oversteken. Aangezien het vliegen over zee met een

landvliegtuig nooit geheel zonder gevaar is, besloten wij niet volgens

compas-koers van Sengora naar Medan te vliegen, welke koers ons 340

Kilometer over zee zou hebben gevoerd, doch de Westkust van het

Maleisch-schiereiland te volgen tot Kaap Tandjong Hantu en vandaar de

straat van Malakka over te steken, die hier slechts ongeveer 160

Kilometer breed is, terwijl een tweetal eilandjes ons als baken konden

dienen. Het Gouvernement zegde ons toe, vaartuigen en

marine-vliegtuigen gereed te zullen houden om zoo noodig hulp te

bieden.

Van Medan af hadden wij aanvankelijk het voornemen Sumatra over te

steken bij het Toba-meer, te landen in Padang en langs Sumatra’s

Westkust Java te bereiken. Zoodoende zouden wij Sumatra’s Oostkust met

haar uitgestrekte mangrove-bosschen en oerwouden vermijden. Wel is waar

was ook de dichtbegroeide en bergachtige Westkust van Sumatra weinig

aanlokkelijk voor een noodlanding, maar wij zouden daar tenminste

gemakkelijker hulp kunnen krijgen dan op de weinig bevolkte Oostkust.

Wij moesten echter van dit plan afzien, aangezien het niet mogelijk

bleek, in Padang een vliegveld in te richten. Er werd dus besloten van

Medan af de Oostkust te blijven volgen, te landen bij Muntok op het

eiland Banka en vandaar uit naar Batavia te vliegen.

Wij wisten van te voren, dat op een groot gedeelte van de vlucht een

noodlanding wegens motorstoring gevaarlijk zou zijn voor de bemanning

en meer nog voor het toestel. In Europa zouden wij nog vrij veel

bruikbare noodlandingsterreinen kunnen vinden. Verderop in Klein-Azië

en Mesopotamië zouden wij wel vlak terrein vinden, doch gebrek aan

drinkwater, voedsel en hulp zouden voor de bemanning een gevaar vormen,

terwijl ook de bevolking niet overal te vertrouwen zou zijn. Langs de

Perzische kust zouden op verschillende plaatsen de rotsen bij

noodlanding gevaarlijk zijn, terwijl vooral in Achter-Indië de bergen,

met oerbosschen bedekt en bijna geheel verstoken van menschelijke

bewoners, eene noodlanding niet alleen gevaarlijk maakten, maar ook de

bemanning na de landing in eene zeer hachelijke positie zouden hebben

gebracht. Voegt men hierbij de uitgestrekte drassige rijstvelden in

Voor-Indië, Siam en onzen Oost, dan zal men begrijpen, dat de gedachte

aan een motorstoring steeds ons schrikbeeld is geweest, en dat de

geheele vlucht min of meer was wat wij, vliegers, noemen: „een gokje op

den motor”.

Het klimaat, dat wij op onze vlucht konden verwachten, werd bestudeerd

aan de hand van ervaringen van vroegere vliegers en gegevens, verstrekt

door het Air Ministry of geput uit de Engelsche zeilaanwijzingen voor

de zeevaart en andere bronnen. Van regenval, windrichting, windsterkte,

die op verschillende punten van de route te verwachten waren, werden

grafische voorstellingen gemaakt. De zware regenval in de tropen vormde

onze voornaamste zorg. In Amsterdam is de maximum regenval in 24 uur 58

millimeter, in Calcutta niet minder dan 354 millimeter, in Batavia 241

millimeter. Vormt de regen op zich zelf een factor, waarmede de

luchtvaart in Europa slechts weinig rekening behoeft te houden, in de

tropen is dit anders. Een zware tropische regenbui belemmert het

uitzicht voor den vlieger ernstig en oefent bovendien een schadelijken

invloed uit op het vliegtuig en vooral op de schroef. Deze draait met

een snelheid van ongeveer 1200 omwentelingen per minuut en treft de

regendruppels met zooveel kracht, dat het lak wegslijt en daarna het

hout van de schroef begint te versplinteren en de lijm begint los te

laten. Wel is waar zijn deze zware tropische buien meestal slechts

plaatselijk; vanuit een vliegtuig ziet men ze reeds op grooten afstand

als een grauw gordijn in de lucht hangen en meestal kan men er wel om

heen vliegen en ze vermijden. Een grooter bezwaar is echter, dat deze

regens de vliegvelden soms plotseling in een moeras veranderen, zoodat

start en landing voor een vliegtuig gevaarlijk of onmogelijk worden.

Dit bezwaar is te ondervangen door de vliegvelden zeer goed te

draineeren, doch op het oogenblik zijn op den luchtweg naar Indië

dergelijke goed gedraineerde vliegvelden nog slechts zeer sporadisch

voorhanden. Dikwijls zouden wij moeten landen op renbanen en dergelijke

terreinen, die in den regenmoesson geheel onbruikbaar zouden zijn. Het

vliegen gedurende den regentijd moesten wij dus zooveel mogelijk

vermijden; doch de moeilijkheid zat hem nu juist hierin, dat de

regentijd in Britsch-Indië en die in onzen Oost elkander afwisselen. In

Batavia valt de meeste regen gedurende de maanden December, Januari,

Februari en Maart. In Calcutta daarentegen zijn Mei, Juni, Juli,

Augustus en September de natste maanden. Vandaar, dat wij genoodzaakt

waren, te vliegen gedurende een van beide kenteringen, en ons vertrek

aanvankelijk op den eersten April, later op den eersten October

bepaalden. Zooals reeds bekend is, werd dit uitstel veroorzaakt door

het niet tijdig gereed zijn van het toestel. De maand April zou echter

beter geweest zijn dan de maand October met het oog op den regenval in

Bangkok (Siam). In April bedraagt de totale regenval aldaar 54

millimeter, in October daarentegen 195 millimeter; het vliegveld ligt

er zeer laag en toen wij er in November landden, vonden wij het terrein

nog voor een groot deel overstroomd.

Een voordeel van het vliegen in de tropen is, zooals ons uit de

statistiek en uit de practijk bleek, dat mist en laag hangende wolken,

de groote belemmering voor het luchtverkeer in West-Europa, er bijna

niet voorkomen. Verder is de windsterkte er over het algemeen gering.

In Holland moet een vliegtuig meestal recht tegen den wind in landen,

doch in Indië is de wind dikwijls zoo zwak, dat in iedere willekeurige

richting geland kan worden. Dit vergemakkelijkt de landing op kleine,

smalle vliegvelden aanmerkelijk.

Een meteorologische moeilijkheid, waarmede rekening gehouden moest

worden, waren de zandstormen, die in de woestijngebieden van

Mesopotamië en Perzië voorkomen. In die streken heerscht soms een

plotseling opkomende Noord-Westen wind, shamal genaamd. Deze wind

wakkert soms tot een hevigen storm aan, en jaagt dan het fijne zand en

stof van de woestijnen zoo hoog de lucht in, dat het practisch

ondoenlijk is er boven te vliegen. De zandwolk kan zoo dicht zijn, dat

zij het uitzicht even sterk belemmert, als een flinke Hollandsche mist.

Bovendien is het fijne zand zeer hinderlijk en onaangenaam voor de

vliegers, en daar het overal tusschen de wrijvende deelen van den motor

geraakt, kan het ernstige slijtage veroorzaken. In den Shatt-al-Arab,

den gezamenlijken mond van Tigris en Euphraat, kunnen de zandstormen

zoo dicht zijn, dat men van uit een schip op de rivier geen van beide

oevers kan zien. Deze zandstormen komen, nu eens sterker, dan weer

zwakker, gedurende bijna het geheele jaar voor.

Het verzamelen en gereed maken van de noodige kaarten voor den tocht

bleek een tamelijk lastig en tijdroovend werk. In het geregelde

luchtverkeer worden gewoonlijk de stafkaarten gebruikt op de schaal 1 :

200 000 of 1 : 300 000. Het bleek echter niet mogelijk, voor de geheele

route kaarten van zulk een groote schaal te verkrijgen. Kaarten op

kleiner schaal hebben bovendien het voordeel, dat zij door hun

geringere afmetingen voor de lange trajecten minder onhandelbaar zijn,

dat zij een beter overzicht geven en dat een kaartstrook van beperkte

breedte een grooter terrein links en rechts van de route afbeeldt. Wij

gebruikten voor West-Europa Duitsche stafkaarten op de schaal 1 : 300

000, voor Oost-Europa Oostenrijksche stafkaarten 1 : 800 000, verder

tot Siam toe Engelsche kaarten 1 : 1 000 000 en voor Siam een

Siameesche kaart van 1 : 500 000. Deze laatste had de eigenaardigheid,

dat de namen er in Siameesche letters bijgedrukt en bijgevolg voor ons

volkomen onleesbaar waren. Van Nederlandsch-Indië bestaat nog geen

aaneengesloten kaart op een geschikte schaal. Voor Sumatra gebruikten

wij de kaarten uit den Atlas van het Topografisch Bureau te Batavia,

terwijl van Java een zeer goede stafkaart van 1 : 500 000 bestaat, die

evenals de Engelsch-Indische kaart van 1 : 1 000 000 hoogteverschillen

duidelijk aangeeft, hetgeen voor den vlieger van veel belang is. Over

het algemeen is de oriëntatie van uit de lucht, zoolang men over land

vliegt en geen al te slecht weer heeft, minder moeilijk dan men wel

denkt. Wanneer het vliegtuig niet al te laag is, beweegt het landschap

zich schijnbaar langzaam onder den vlieger en hij heeft een goed

overzicht, zoodat hij terrein en kaart gemakkelijk kan vergelijken.

Bovendien kozen wij, zooals gebruikelijk is, de route zooveel mogelijk

zóó, dat wij goede landmerken, zooals rivieren, spoorwegen of

kustlijnen, konden volgen. Slechts zelden werd uitsluitend op het

compas gevlogen. Hiertegen bestaat dan ook een bezwaar, namelijk de

zoogenaamde „drift”. Wanneer het toestel vliegt met een sterken

zijwind, drijft het zijdelings af en hierdoor ontstaat een verschil

tusschen den koers, dien men op het compas stuurt en den koers, welken

het vliegtuig in werkelijkheid neemt. Deze hoek, de zoogenaamde

„drifthoek”, kan soms tot vrij aanzienlijke fouten aanleiding geven. Er

bestaan wel middelen om deze fout te vermijden, doch hiervoor zijn weer

speciale instrumenten noodig, en daarom wordt zooveel mogelijk aan

oriëntatie op de kaart de voorkeur gegeven.

Moeilijkheden heeft de oriëntatie onderweg niet opgeleverd. De kaarten

van 1 : 1 000 000 bleken voor Indië volkomen voldoende, waartoe de

omstandigheid meewerkt, dat de steden er weinig talrijk en de

spoorwegnetten weinig vertakt zijn, zoodat de kaart eenvoudig en

overzichtelijk blijft. De kaarten van de verschillende étappe’s hadden

wij op lange strooken aan elkander geplakt, die op een paar rollen voor

de vliegers-zitplaatsen werden bevestigd. Verschillende bijzonderheden,

zooals de afwijking van het compas op verschillende gedeelten van de

route, waren er op aangegeven. Verder waren bepaalde afstanden tusschen

markante punten, zooals steden, spoorwegkruisingen enz., vooraf

opgemeten en op de kaart bijgeschreven. Tijdens de vlucht hoefden wij

nu alleen maar den vliegtijd tusschen twee zulke punten op te nemen, om

onze snelheid te bepalen. Behalve onze routekaart hadden wij nog vele

détailkaartjes bij ons, waarop de ligging van de vliegvelden, hun

afmetingen, de omringende hindernissen enz. waren aangegeven. Dit

systeem van een routekaart op kleine schaal, aangevuld met

detailkaarten op groote schaal van de vliegvelden, heeft ons zeer goed

voldaan, beter dan een routekaart op grooter schaal, die zelf de

ligging van de vliegvelden enz. duidelijker aangeeft.

Hooge gebergten zouden wij op onze route betrekkelijk weinig vinden. De

étappe Amsterdam–Praag zouden wij met een kleinen omweg door het

Noorden maken, zoodat wij zooveel mogelijk in de vlakte bleven en de

gebergten van Midden-Duitschland vermeden. Wij waren eerst van plan,

tusschen Belgrado en Constantinopel onzen weg te kiezen door de IJzeren

Poort. Achteraf wijzigden wij deze route en gingen wij door

Zuid-Slavië, waar de bergen wel wat lager zijn dan bij de IJzeren

Poort, maar toch in geval van noodlanding hier en daar gevaar

opleveren. Angora ligt op 800 Meter hoogte in de vlakte van Klein-Azië,

en de Zuidrand van die vlakte wordt gevormd door het geweldige

rotsmassief van Taurus en Anti-Taurus. Deze gebergten, waarvan de

toppen tot 3400 Meter oprijzen, vormden de hoogste hindernis, die wij

zouden moeten nemen. Het „plafond” van ons toestel, dat wil zeggen de

grootste hoogte tot op welke het toestel kan stijgen, lag te laag om

over deze toppen heen te vliegen, zoodat wij de route kozen door de

Cilicische Poort, de eenige pas, die door deze gebergten leidt, die een

pashoogte heeft van ongeveer 1700 Meter, en waar ook de Baghdadspoor

gebruik van maakt.

Wanneer wij eenmaal de Cilicische Poort voorbij zouden zijn, zouden wij

in hoofdzaak over vlak land of langs kusten vliegen en alleen in

Achter-Indië eenige bergruggen van ruim 1000 Meter hoeven te kruisen.

Dit was voor ons een gunstige omstandigheid, aangezien ons zware

verkeersvliegtuig met zijn betrekkelijk zwakken motor langzaam steeg.

Het plafond van een vliegtuig wordt in hoofdzaak bepaald door de

verhouding tusschen motor-vermogen, totaal-gewicht en vleugeloppervlak.

Hoe hooger men stijgt, hoe ijler de lucht wordt en hoe minder snel het

toestel klimt en eindelijk bereikt men de hoogte, waar het toestel in

het geheel niet meer stijgen wil. Dit plafond ligt voor moderne

militaire vliegtuigen op 6000 tot 10 000 Meter, doch voor

verkeersvliegtuigen aanzienlijk lager.

Door de lucht naar Indië · 第 7 / 38 题