DE VOORBEREIDING TOT DEN TOCHT

Het Comité Vliegtocht Nederland-Indië stond voor een moeilijke taak.

In de eerste plaats moest het benoodigde geld bijeengebracht worden. De

termijnen, gesteld voor de prijzen. welke indertijd door het Indische

Gouvernement en door de Nederlandsche regeering waren uitgeloofd. waren

reeds lang verstreken. Het Comité wendde zich tot de beide Regeeringen

om opnieuw financiëelen steun te vragen. Zoowel het Indische

Gouvernement als het Nederlandsche Ministerie van Waterstaat stonden

zeer sympathiek tegenover de zaak. Tengevolge van de in dien tijd zeer

streng doorgevoerde bezuiniging moesten echter beide zich onthouden van

het geven van rechtstreekschen geldelijken steun. In Indië werden

echter van Gouvernementswege vliegvelden gereed gemaakt en verdere

maatregelen getroffen die voor het voleindigen van den tocht noodig

waren, zooals het beschikbaar stellen van schepen en vliegtuigen voor

escorte, enz. Het geld moest dus geheel uit particuliere bronnen worden

geput en dit slaagde niet zonder veel inspanning van het Uitvoerend

Comité en door de medewerking van scheepvaartmaatschappijen en andere

groote lichamen op het gebied van handel, bankwezen, cultures enz. en

particulieren, terwijl ook de Koninklijke Nederlandsche Vereeniging

voor Luchtvaart, de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij en de N.V.

Nederlandsche Vliegtuigenfabriek „Fokker” en de pers medewerkten.

De tweede moeilijkheid was de keuze van het toestel. Hierbij stonden

twee eischen op den voorgrond: in de eerste plaats moest een

Nederlandsch toestel worden gebruikt en in de tweede plaats wenschte

men den tocht bij voorkeur met een burgervliegtuig te ondernemen,

aangezien immers het doel was, propaganda te maken voor- en studie van

burger-luchtverkeer in—en naar Indië.

Vroegere plannen voor een vlucht van Holland naar de Oost waren wel

ontworpen voor een watervliegtuig. Hiertegen bestaan echter

verschillende bezwaren. De kortste weg naar Indië voert over land en

wanneer men niet de risico wil nemen om met een watervliegtuig, dat

uiteraard niet op het land kan neerstrijken, groote trajecten over land

af te leggen, dan is men genoodzaakt aanzienlijke omwegen te maken. Zoo

kan men het Oostelijk bekken van de Middellandsche Zee alleen over

water bereiken wanneer men een grooten omweg door het Westen maakt. Van

de Middellandsche Zee kan men Voor-Indië weder niet bereiken zonder òf

gedeeltelijk over land te gaan, n.l. over Syrië, van de Golf van

Alexandretta naar den Euphraat, òf wel men moet de route van de schepen

volgen door de Roode Zee en maakt dan weer een grooten omweg, terwijl

bovendien het Zuiden van Arabië (Hadramut) door den aard van zijne

bevolking weinig geschikte pleisterplaatsen oplevert. Voorts vormt het

ver naar het Zuiden uitstekende schiereiland van Voor-Indië weder een

hindernis voor watervliegtuigen, aangezien men òf geheel de kust moet

volgen òf wel dwars moet oversteken van Ceylon naar Sumatra, een

traject, dat wel wat groot is om het vooralsnog veilig met een

watervliegtuig af te leggen. Leidt zoodoende het gebruik van een

watervliegtuig onvermijdelijk tot het maken van omwegen, een ander

bezwaar is nog dat het drijvend lichaam een watervliegtuig zwaarder

maakt dan een landvliegtuig, zoodat het minder last kan vervoeren. Voor

onze vlucht was dit een overwegend bezwaar, aangezien wij veel

reservedeelen en voor de lange étappe’s een groot gewicht aan benzine

moesten kunnen medenemen. Wanneer men nu verder in aanmerking neemt,

dat het bootlichaam of de drijvers van een watervliegtuig gemakkelijk

beschadigd worden en dat verder de Nederlandsche Industrie geen

geschikte watervliegtuigen voor burger-luchtverkeer opleverde, dan zal

men begrijpen, dat het gebruik van een landvliegtuig steeds in ons

voornemen heeft gelegen. Dit wil niet zeggen, dat voor een geregelde

luchtverbinding tusschen Europa en Indië in de toekomst uitsluitend

landvliegtuigen zouden moeten worden gebruikt. Op het eerste gezicht

lijkt een z.g. „amphibie” vliegtuig het ideaal, d.w.z. een vliegtuig,

dat zoowel te land als te water kan worden gebruikt. Een amphibie

echter loopt niet zoo goed als een zoogdier en zwemt niet zoo goed als

een visch en zoo is het ook met zijn naamgenoot in de luchtvaart; deze

voldoet aan beide eischen minder goed dan speciale water- of

landvliegtuigen, is bovendien zwaar en daardoor oneconomisch en zou dus

voor de luchtverbinding met de Oost niet in aanmerking komen. De

oplossing zou in deze richting moeten worden gezocht, dat men de route

in verschillende étappe’s verdeelt en voor sommige water-, voor andere

landvliegtuigen bezigt.

Zooals in de inleiding reeds werd opgemerkt, waren wij eerst van plan,

de vlucht te ondernemen met de F V, het nieuwe verkeersvliegtuig, dat

Fokker in het najaar van 1922 voltooide. Dit toestel was bestemd voor

het vervoer van 6 à 8 passagiers en 2 vliegers. Het was een groote

tweedekker met twee dikke vleugels en voorzien van een Rolls-Royce

motor van 360 P.K. Toen dit toestel zijn proefvluchten maakte, bleek

het echter niet geheel te voldoen aan de verwachtingen, die men er aan

had gesteld, zoodat het voor onze vlucht niet in aanmerking zou kunnen

komen. Dit was een groote tegenslag voor het comité. Wel gaf Fokker

terstond het voornemen te kennen, een nieuw verkeersvliegtuig te

bouwen, verbeterd aan de hand van de ervaringen, opgedaan met de F V,

maar dit zou niet gereed en voldoende beproefd kunnen zijn op den

eersten April 1924, den datum, oorspronkelijk vastgesteld voor het

vertrek.

Waar over de Indië-vlucht nu zoo langzamerhand al vijf jaar was

gepraat, voelde men voor verder uitstel weinig en het voorstel werd

gedaan, te gaan met een militair vliegtuig n.l. een gewijzigde C IV,

een zoogenaamden verkenner van de Fokkerfabriek. Dit toestel had één

voordeel, namelijk zijn groote snelheid. Hier tegenover stond het

nadeel, dat er minder ruimte in was. Wij waren aanvankelijk voornemens,

het verkeersvliegtuig te bemannen met twee vliegers en één mécanicien.

De twee vliegers zouden elkander zoodoende kunnen aflossen en de

geheele bemanning zou in het ruime verkeersvliegtuig een comfortabel

verblijf hebben gevonden, waardoor de vermoeienis, en indirect de

risico, zou worden beperkt. In een militair vliegtuig zou dit moeilijk

of niet mogelijk zijn geweest, zoodat de bemanning tot twee man had

moeten worden beperkt, terwijl ook de grootere reservedeelen, zooals

een wielband en een schroef daarin minder gemakkelijk konden worden

geladen. Hoofdbezwaar tegen een militair vliegtuig was echter, dat er

op deze wijze veel minder propaganda van de vlucht zou uitgaan voor het

burger-luchtverkeer.

Daarom werd, zij het ook noode, besloten den tocht uit te stellen tot

den eersten October 1924. Men verwachtte, dat op dien datum het nieuwe

verkeersvliegtuig zou zijn voltooid en voldoende beproefd.

Dit nieuwe vliegtuig nu, de Fokker F VII, dat in een afzonderlijk

hoofdstuk nader zal worden beschreven, kwam in het voorjaar van 1924

gereed en werd door de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij in dienst

gesteld op de lijn Amsterdam–Londen. Het vloog gedurende den zomer

ongeveer 120 uren op die lijn en werd daarbij geregeld bestuurd door

den eersten-luitenant-vlieger van de militaire Luchtvaart-Afdeeling Van

Weerden Poelman, die hiertoe verlof had gekregen van den Minister van

Oorlog, en schrijver, de beide vliegers, die voor de vlucht waren

bestemd. Wij hadden daardoor ruimschoots gelegenheid het toestel te

leeren kennen. Als mécanicien zou P. A. van den Broeke, van de Kon.

Luchtvaart Mij., de vlucht meemaken. Gedurende de voorbereiding werkte

hij geruimen tijd aan den motor van de H-NACC, en kreeg hij ruimschoots

gelegenheid, zich geheel in zijn taak in te werken.

Het vliegtuig bleek gedurende dezen proeftijd aan alle redelijke

eischen zeer goed te voldoen, zoodat wij in dit opzicht de toekomst

hoopvol tegemoet konden zien.

De voorziening in de noodige benzine- en olie voorraden werd door het

comité zorgvuldig voorbereid. De tanks van ons toestel konden niet

minder dan 1050 Liter benzine bevatten, en teneinde zeker te zijn dat

wij op alle landingsplaatsen een voldoende hoeveelheid bedrijfsstoffen

van goede hoedanigheid zouden aantreffen, werden deze vooraf overal

gedeponeerd. Dit was niet altijd gemakkelijk, in verband met de

afgelegenheid van verschillende pleisterplaatsen; maar het was bepaald

noodzakelijk, omdat wij dikwijls zijn geland op plaatsen, waar geen

behoorlijk uitgerust vliegveld met de noodige voorraden aanwezig was,

en wij hebben van dezen maatregel dan ook zeer veel pleizier gehad. Een

en ander werd op uitstekende wijze geregeld door de Asiatic Petroleum

Company en de Firma Wakefield.

Verder werden op sommige plaatsen langs de route schroeven en banden

gedeponeerd. Wij hadden namelijk vernomen, dat de schroef zeer veel te

lijden zou hebben van het tropische klimaat, en dat vooral in Perzië op

de vliegvelden de zoogenaamde kameel-doorn groeit, die licht

banden-pech kan veroorzaken. De kameel-doorns waren echter blijkbaar

door de kameelen opgegeten, want wij hebben er geen last van gehad, en

ook heeft de schroef geen nadeelige gevolgen ondervonden van hitte of

vocht, zoodat de oorspronkelijke schroef en banden nog menige vlucht

zullen kunnen meemaken.

De politieke voorbereiding van den tocht baarde ons wel eenige zorgen.

Een vroeger plan was al eens afgestuit op het verbod van de Engelsche

Regeering om over Mesopotamië te vliegen, en wij waren zeer bevreesd,

dat ook thans weer dergelijke zwarigheden zouden verrijzen. Aan alle

regeeringen van de bij de vlucht betrokken landen werd door

tusschenkomst van het Departement van Buitenlandsche Zaken toestemming

gevraagd om over hun gebied te mogen vliegen en werd medewerking

verzocht bij de landingen. Langzaam kwamen de verschillende

toestemmende antwoorden binnen en groot was onze vreugde, toen het

bericht ons bereikte dat de „High-Commissioner” van Irac (Mesopotamië)

er geen bezwaar tegen had, dat wij het onder zijn bestuur staand gebied

kruisten. Onze Consul Generaal, de Heer Staal deed een beroep op de

hulp van de Royal Air Force in Engelsch Indië, waaraan op de meest

vlotte wijze door de Britsch-Indische autoriteiten gevolg werd gegeven.

Allerlei andere zorgen hielden het comité gedurende den tijd van

voorbereiding bezig. Onze paspoorten werden met behulp van het

Departement van Buitenlandsche Zaken voorzien van een rijke verzameling

exotische visa. Reisbenoodigdheden en voorraden moesten worden gekocht;

kortom, allerlei beslommeringen maakten, dat de lange tijd van

voorbereiding ons tenslotte toch nog kort viel. Een moeilijkheid was de

voorziening in de noodige contanten onderweg. Het was natuurlijk niet

doenlijk het noodige geld voor den langen tocht over zooveel

verschillende landen mede te nemen. Ook het gebruik van een

credietbrief was bezwaarlijk, daar wij bij de landingen dikwijls eerst

na het sluitingsuur van de banken in de stad kwamen en den volgenden

morgen bij zonsopgang weer moesten vertrekken. Ten slotte werd de zaak

door tusschenkomst van de Ned. Handel Mij. zoo fraai geregeld, dat wij

bij de landing op afgelegen vliegvelden menigmaal plotseling iemand

zagen opduiken, die ons het geld, dat wij noodig hadden, even

welwillend aanbood, alsof het een sigaretje was.

Veel hoofdbreken kostte ons de kwestie van de particuliere bagage van

de bemanning. Om het toestel niet zwaarder te belasten dan strikt

noodzakelijk was, hadden wij besloten niet meer dan 15 Kilogram per

hoofd mee te nemen. Voor een tocht per vliegtuig, die bijna een maand

zou duren en door allerlei verschillende klimaten zou voeren, zou men

willen meenemen dikke vliegkleeding, dunne vliegkleeding, dikke pakken,

dunne pakken, warm ondergoed, koel ondergoed, avondkleeding enz. enz.

Wanneer men echter van het gewicht van 15 Kilogram er vier aftrekt voor

een lichte reistasch, dan blijft er voor al de genoemde nuttige en

noodige zaken maar heel weinig over. Wij zijn dan ook ten slotte op

reis getogen met één dik colbertje, een dun dito en een klein beetje

ondergoed. Op reis werd zoo nu en dan iets misbaars achtergelaten en

iets onmisbaars bij gekocht.

Wat vuurwapenen betreft, besloten wij niet al te veel mee te nemen. Met

het oog op een mogelijke noodlanding was het wel wenschelijk, tegenover

onwelwillende bevolking gewapend te zijn, terwijl in de bosschen van

Achter-Indië een goed geweer diensten kan bewijzen voor de jacht en

voor verdediging tegen wilde dieren. Het laatste werd ons dan ook sterk

aangeraden; doch als men op een dergelijke vlucht alles meeneemt, wat

goedbedoelende vrienden aanbevelen, kan men beter met een verhuiswagen

gaan dan met een vliegtuig. Wanneer men bovendien bij een gedwongen

landing ergens in de wouden van Burma of Sumatra veilig wil zijn, heeft

men behalve jachtgeweren zooveel andere uitrustingstukken noodig, dat

men er niet aan behoeft te denken, dit alles mee te nemen. Wij besloten

derhalve op ons goed gesternte te vertrouwen en staken alleen ieder een

flink repeteerpistool en een doosje dum-dum kogels bij ons. Voor het

geven van seinen hadden wij het gebruikelijke lichtkogel-pistool aan

boord.

Moderne verkeersvliegtuigen worden meestal met een installatie voor

draadlooze telegrafie uitgerust, en ook onze F VII was, toen hij

gedurende den Zomer van 1924 op de lijn Amsterdam–Londen vloog, van

zulk een inrichting voorzien. De veiligheid van het luchtverkeer toch

kan door de draadlooze belangrijk worden verhoogd. In de eerste plaats

kan de vlieger hiermede onderweg voortdurend inlichtingen vragen

omtrent het weer op zijn verdere route. In de tweede plaats kan hij bij

het vliegen over zee, in geval van motorstoring, het S.O.S.-sein

uitzenden en de plaats aangeven, waar hij zich bevindt, waardoor

vluggere hulp mogelijk wordt en de kans op redding wordt vergroot.

Wanneer een vliegtuig het Engelsch Kanaal tusschen Calais en Dover

oversteekt, meldt de vlieger zich draadloos aan Londen. De vliegduur

tusschen beide genoemde plaatsen bedraagt ongeveer 20 minuten, en

wanneer de tweede melding niet na omstreeks dien tijd komt, roept

Londen zelf het vliegtuig op. Mocht het vliegtuig geen antwoord geven,

dan waarschuwt Londen de kuststations, en kan terstond worden

onderzocht, of er wellicht een ongeluk is gebeurd; zoodoende kan de

draadlooze spoedige en afdoende hulp in de hand werken. In Londen,

Rotterdam en Pulham (Engeland) zijn voorts draadlooze richtingzoekers

geplaatst, dat wil zeggen ontvangstations, die zoo zijn ingericht, dat

zij tot op één à twee graden nauwkeurig de richting van een vliegtuig,

dat draadlooze seinen uitzendt, kunnen bepalen. Wanneer een vlieger

zich nu bij voorbeeld boven het Kanaal in slecht weer bevindt en zich

niet voldoende oriënteeren kan, vraagt hij eenvoudig aan Londen „Give

me my position, please.” Deze vraag wordt door de wachthebbende

marconisten in Londen en Pulham opgevangen; beiden bepalen de richting

van het vliegtuig ten opzichte van hun station, en Pulham meldt de

aldaar gevonden richting draadloos naar Londen. In Londen heeft men een

kaart, waarop twee touwtjes bevestigd zijn op de punten, die de ligging

van Londen en Pulham aangeven. De twee touwtjes worden gespannen in de

gevonden richtingen en het kruispunt geeft de plaats van het toestel

aan. Londen bericht deze dan draadloos aan den vlieger, bij voorbeeld

„Hallo, H-NACC, your position is ten miles East of Dover.” In Rotterdam

bestaat op het vliegveld Waalhaven een dergelijke inrichting. De

marconisten zijn op dit werk dermate afgericht, dat het antwoord in den

regel ongeveer anderhalve minuut na de vraag komt. Vooral wanneer in de

toekomst de toenemende betrouwbaarheid van de motoren en vliegtuigen

het vliegen bij nacht, bij zeer slecht weer en over lange zeetrajecten

mogelijk zal maken, belooft deze draadlooze navigatie meer en meer van

belang te worden.

Hoezeer uit het bovenstaande moge blijken, welk nut de draadlooze voor

het luchtverkeer heeft, dit nut kan alleen tot zijn recht komen,

wanneer de installatie aan boord van het vliegtuig kan samenwerken met

een voldoend aantal stations op den grond, en aangezien deze op den

luchtweg naar Indië ten deele ontbreken, ten deele op zoo groote

onderlinge afstanden liggen, dat de betrekkelijk zwakke

vliegtuig-installatie die niet kan overbruggen, besloten wij de

draadlooze thuis te laten. Wij bespaarden hiermede een vrij aanzienlijk

gewicht: want een volledige uitrusting weegt ruim 50 Kilogram, waar nog

ongeveer 20 Kilogram bij komt, wanneer men de zaak zóó wil inrichten,

dat ook berichten kunnen worden uitgezonden, wanneer het vliegtuig na

een noodlanding reeds op den grond staat. Dit alles neemt niet weg, dat

bij een geregeld luchtverkeer in- of naar de tropen draadlooze een

essentieele factor voor de veiligheid zal zijn.

Wij hebben er langen tijd over gedacht, wat voor fototoestellen wij

zouden meenemen. Graag hadden wij een bioscoop-opname toestel

meegevoerd, doch het toestel zelf en de voorraad aan films zijn zwaar

en bioscoop-opnamen van uit de lucht zijn niet gemakkelijk te maken en

leveren dikwijls weinig op, zoodat hiervan werd afgezien. Voor het

maken van luchtfoto’s gebruikt men bij de verschillende vliegdiensten

speciale luchtcamera’s, die van een spleetsluiter en een zeer

lichtsterke lens zijn voorzien. Zulke camera’s en vooral de daarbij

gebruikte glasplaten, die meestal het formaat 18 × 24 of althans 13 ×

18 centimeter hebben, zijn echter ook alweer zwaar. Zoo besloten wij

ten slotte niets anders mee te nemen dan een gewonen Kodak voor

rolfilms van het formaat 8,5 × 14 centimeter. Deze camera woog met de

noodige films voor driehonderd opnamen slechts weinig, was handig in

het gebruik en bleek zelfs zeer bruikbare luchtfoto’s op te leveren.

Men meent wel eens, dat voor luchtfoto’s een zeer groote

sluitersnelheid noodig is; dit is echter niet het geval, want door de

hoogte van het vliegtuig beweegt de aarde zich schijnbaar slechts

langzaam voort. De luchtfoto’s in dit boek zijn dan ook geen van alle

korter belicht dan één honderdste seconde.

De trilling van het vliegtuig maakt het moeilijk, de camera goed stil

te houden. Men moet dan ook zorgen, dat deze zelf niet met het

vliegtuig in aanraking is, en dat men ook de handen en ellebogen niet

op deelen van het vliegtuig laat steunen. Wanneer men op deze

kleinigheden let, is het zeer wel mogelijk, met een gewoon fototoestel

bruikbare luchtopnamen te maken.

Door de lucht naar Indië · 第 5 / 38 题