I.

Milly lag in haar bed en schreide. Een paar maanden geleden zou zij het

echter niet gedaan hebben om hetgeen, wat haar nu heel zacht snikken

deed.

Want Milly heette eigenlijk Melanie, maar die naam klonk wat vreemd

voor Hollandsche ooren en dus werd hij afgekort. Het meisje had een

Fransche moeder en een Hollandschen vader en in haar moeders familie

werden alle oudste dochtertjes Melanie genoemd. Zij heette daarom ook

zoo.

Milly herinnerde zich heel weinig van alles wat met haar moeder in

verband stond, daar die stierf, toen het kind vijf jaar was. Milly wist

nog alleen, dat zij zwarte kleertjes aankreeg en naar een Fransche

kostschool gestuurd werd. Later hoorde zij, dat dit moest, omdat haar

vader altijd reisde en er geen familie was, waar het meisje toen komen

kon. Zij werd dus door vreemden opgevoed met veel kinderen tegelijk.

Toch was Milly niet te beklagen geweest. Haar vader kwam haar, zoo

dikwijls het maar kon, opzoeken en de tijd, dien zij dan saampjes

doorbrachten, was er een van pret en uitgaan. Zij hield heel veel van

hem, maar zonder veel verdriet keerde zij altijd naar de kostschool

terug en wanneer zij soms even schreide, waren haar traantjes weer

spoedig afgewischt, want de directeur en zijn vrouw waren heel goed

voor al de kinderen. Dat mocht ook wel, want allen misten een eigen

tehuis.

De school lag bovendien ergens buiten. Er werd heerlijk gespeeld na de

lessen en elk jaargetij had zijn eigen vreugden en bezigheden. Milly

verveelde zich nooit, ook niet in de lange winteravonden, want dan

waren er gezellige spelletjes of vertellingen en heerlijke boeken.

Zij was dus tevreden en gelukkig, omdat zij niet voelde, dat zij iets

miste.

Nu echter was alles anders voor haar geworden. Een oorlog was

uitgebroken en door de streek, waar Milly’s school lag, trokken legers.

Toen was de vader zijn dochtertje gaan halen en had haar in veiligheid

gebracht in Nederland bij een zuster, die drie kinderen had en nu wel

het meisje bij zich kon nemen. Dat was vroeger niet mogelijk geweest,

omdat Milly’s tante heel lang ziek was geweest. De vader hervatte zijn

zwervend leven, toen hij zijn eenig dochtertje veilig geborgen wist.

Al maanden lang was Milly nu al bij haar oom en tante en al dien tijd

had ze niets van haar vader gehoord. Soms verlangde het meisje heel

innig naar hem, meer eigenlijk dan toen zij op de kostschool was, waar

zij hem toch ook dikwijls in langen tijd niet zag.

Het kind begon te begrijpen, dat zij niet bezat wat alle andere

kinderen om haar heen wel hadden. De jongens en meisjes van de school,

waar tante Ada en oom Frank haar geplaatst hadden, hadden allen een

vader en een moeder, broertjes en zusjes. Zij was alleen op de wereld.

Dat voelde zij, sedert zij in Nederland was. Oom en tante waren lief

voor haar, maar anders toch, vond zij, dan voor hun eigen kinderen,

anders dan voor blonde Truusje, anders dan voor dikken Bop, anders dan

voor kreupele Hansje. Alle drie kuste tante veel inniger dan haar, het

vreemde nichtje! En als het aanhalige Truusje haar armen om haar

moeders hals sloeg en zich zoo dicht tegen haar aanvlijde, als behoorde

haar moeder alleen aan haar, dan trok Milly een onverschillig gezicht,

en drukte haar lippen stijf op elkaar, en keek op dezelfde wijze, die

Bop wel eens plagend deed vragen of zij een stok had ingeslikt.

Niemand echter wist, dat Milly naar een vader en moeder verlangde,

zooals haar nichtjes en neefjes hadden. Zij had ook wel eens haar armen

om haar tante willen slaan en toch gaf zij niets dan een vluchtige kus.

Zij was toch maar het nichtje, dacht Milly; zij was niet het eigen

dochtertje. Zij kreeg niets dan een aalmoes! Zij had naar de kostschool

terug willen gaan, waar de goede mijnheer en mevrouw er voor allen

waren en tegen den een niet vriendelijker deden dan tegen den ander. En

alles was zoo akelig vreemd in de stad, waar zij was: de taal, die zij

moest spreken en vader niet altijd tegen haar gebruikt had,—de stad met

huizen in plaats van velden en bosschen,—de kleinigheden waar door oom

en tante veel meer op gelet werd dan op de school in Frankrijk.

Op den avond, dat dit verhaal begint, lag dus Milly heel zachtjes te

schreien en zij meende, dat er geen ongelukkiger kind op de heele

wereld was dan zij. Eventjes klonk er een luide snik en dadelijk trok

het kind haar hoofd onder de dekens, opdat toch niemand haar hooren

zou, tante niet, oom niet, plagerige Bop niet. Toch lag Milly alleen in

de kamer. Zij deelde die met Truusje, maar haar nichtje was voor een

paar nachten uit logeeren bij haar peettante.

Maar daarom schreide Milly niet! Dat kon haar niets schelen!

Tante Ada kwam echter altijd de kaars uitblazen in de kamer der

meisjes. Dan stopte zij de kinderen nog eens toe en dan hoorde Milly

heel goed de lieve woordjes, die Truus dan tegen haar moeder zei, voor

zij slapen ging en zij kon zien hoe innig het kind haar „schat,” haar

„eenige moesje,” haar „liefste, liefste moeder” naar zich toetrok.

Dan kwam tante Ada bij haar.

„Nacht Milly,” zei dan tante.

„Nacht tante,” antwoordde Milly.

„Lig je goed?”

„Ja, tante.”

„Is de kiespijn heelemaal over?”

„Ja, tante.”

„Goed slapen, hoor, kindje.”

„Ja, tante.”

Tante legde dan de dekens nog eens goed, streek over het donkere

bolletje van Milly, gaf haar een kus, en was heel lief.... Maar alles

was toch anders dan bij Truus.

Dien avond echter, toen Truus uit logeeren was, had Milly gevraagd,

toen zij naar bed ging:

„Tante, komt u de kaars uitblazen?”

„Ja zeker,” antwoordde tante. Maar juist werd er gebeld en er kwam

avondbezoek.

Milly was toen naar bed gegaan en, hoorde het stemmengeroes van

beneden. Zij lag te wachten, tot tante het licht zou uitdoen, maar

tante kwam niet.

Milly luisterde naar de geluiden, die van uit de huiskamer tot haar

doordrongen en ze keek naar de kaars, die knetterde. Toen voelde het

kind zich heel ongelukkig en verlaten.

„Truus zou niet vergeten zijn,” zei zij tot zichzelve en zoo’n gevoel

van eenzaamheid maakte zich van haar meester bij de pratende stemmen

onder haar en de flikkerende kaars, dat zij de dekens over zich heen

sloeg om niets meer te hooren of te zien. Toen dacht zij aan haar

vader, die zijn eenige dochtertje niet meer schreef of opzocht, aan de

verre kostschool, waar het soms zoo gezellig kon zijn in de groote

slaapzaal, als mevrouw even langs al de bedden ging.

Het kleine meisje, dat Milly was, kon zich niet meer bedwingen en de

tranen stroomden langs haar gezichtje en zij stopte haar zakdoek in

haar mond uit vrees voor plagerigen Bop. Wat vader wel zeggen zou, als

hij wist, dat de jongen haar sarde, wanneer tante en oom er niet bij

waren, en haar een „ongewasschen Fransoos” noemde, omdat haar oogen en

haar even donker waren, als die van haar nichtje en neefjes licht.

Truus had net zulk blond haar als haar moeder. Neen, dat van tante

schitterde nog meer, als de lamp erop scheen. Dan moest Milly altijd

naar haar kijken of zij wilde of niet en het meisje vroeg zich af of

haar eigen moeder, van wie ze zelfs geen portret had, er ook zoo lief

had uitgezien.

Milly bleef zachtjes doorschreien. De stemmen beneden klonken doffer,

de kaars flikkerde wonderlijk.

Het was of de vlam grooter en kleiner werd en er iets bewoog in het

donkere hartje. Nu leek ze wel zoo groot als kreupele Hansje. Kijk, nu

scheen het of zij naar beide kanten week.

Een wezentje stapte eruit met kleertjes zoo donker als het hart van de

vlam en een gezichtje zoo stralend als het licht van de kaars. Het ging

zitten op den rand van het bed.

„Ken je me niet, Milly,” vroeg het mannetje.

„Neen,” zei Milly verbaasd.

„En je hebt zoo lang naar me gekeken. Ik ben het mannetje uit de kaars,

die je tante vergat uit te doen.”

Toen kwamen er weer de waterlanders bij Milly te voorschijn.

„Waarom huil je toch zoo,” vroeg het kaarsemannetje.

„Omdat tante Ada nooit vergeet de kaars uit te doen, als Truus er is.”

„Ik ben toch bij je gebleven,” troostte het mannetje. „Ik heb het licht

voor je gemaakt in de kamer.”

„Wat geeft dat,” snikte Milly. „Ik ben zoo’n ongelukkig kind. Mijn

vader is weg, mijn moeder is dood. Ik heb geen broertjes en zusjes.

Alle kinderen hebben het beter dan ik.”

„Hoor eens,” zei het kaarsemannetje, „ik heb medelijden met je en

daarom wil ik je helpen. Ik houd wel niet veel van zeurende en klagende

kinderen, maar het is waar, dat je niet alles hebt als een ander.”

„Niets,” zuchtte Milly.

„Ik wil daarom je vriendje worden,” ging het kaarsemannetje door, „al

heb je ook gezegd, dat het je niet schelen kan, dat ik het licht voor

je in de kamer liet zijn. Kom eens uit je bed, dan zal ik je wat moois

laten zien.”

Milly gehoorzaamde en nu stond ze achter de dikke gordijnen.

„Waar ben je,” vroeg ze.

„Ik zit bij je oogen,” lachte het mannetje, „vlak tusschen je

wenkbrauwen. Je kunt me niet zien, maar ik jou wel. Ik ben nu een

kaarsje voor je oogen.”

„Hoe grappig,” zei Milly. „Ik kan nu veel beter zien. De gordijnen zijn

dicht en ik kijk er door heen. Zoo’n mooien sterrenhemel heb ik nog

nooit gezien, ook niet op de kostschool. De sterren lijken wel

diamanten. En daar is de sikkel van de maan. En daar de toren van de

kerk. Hoe grappig. Ik zie alles veel beter en toch zijn de gordijnen

dicht. Hè, hoe jammer, nu zie ik weer niets.”

„Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.”

„Kom weer in mijn oogen,” smeekte Milly. „Alles was zoo mooi daar

straks.”

„Neen, je moet gaan slapen. Gauw naar je bed, meisje.”

Milly kroop onder de dekens.

„Slaap lekker,” zei het mannetje. „Ik ga in een andere kaars wonen.

Deze is veel te klein voor mij geworden.”

Slaperig keek Milly toe. Het flikkerde en siste in de kaars. Het

vlammetje danste, nam allerlei vormen aan. Toen was er niets dan wat

geglim en gespatter. Toen werd het geheel donker in de kamer.

Milly verzonk in een diepen slaap.

Zoo mooi als zonneschijn. Het Kaarsemannetje · 第 12 / 17 题