Naar alle kanten verbreidde zich nu de roem van het kasteel, waar de
schatten van Perlus zich ophoopten en de wonderspiegel van Urlo knappe
en wijze mannen uit de heele wereld tot zich trok. En ze gingen weer
weg, verbaasd over hetgeen zij gezien en gehoord hadden. Maar de koning
verlangde naar Wanda, zijn prinsesje en hij vreesde voor haar, nu hij
van zijn zoons de verhalen der gevaren kende. De tijd ging echter
voorbij, doch Wanda keerde niet terug. Reeds was de sneeuw gesmolten,
reeds ging er iets als een voorjaarszoelte door de lucht, maar het
prinsesje liet niets van zich hooren. Toen werd de koning zoo ongerust,
dat hij boden uitzond om haar te zoeken, maar allen keerden terug met
de boodschap, dat hun reis vergeefsch was geweest. En de koning dacht,
dat zijn droom een list was geweest van een boozen toovenaar, die Wanda
in zijn macht wilde krijgen door haar te laten zoeken naar iets
onvindbaars. En den dag, dat de laatste bode terugkeerde met het
bericht, dat niemand in het gansche rijk iets berichten kon over
Wanda’s lot, zond de koning om zijn raadslieden.
Dadelijk moesten zij komen, want het verblijf van de prinses moest
opgespoord worden. Toen trokken allen naar het kasteel: ministers en
staatsraden, generaals en geleerden, maar nu niet vroolijk gestemd als
bij den terugkeer van Perlus en Urlo. Geen vlaggen wapperden uit ramen
en torens, geen bloemen slingerden zich langs kozijnen en lijsten, geen
tapijten vervroolijkten de grijsheid der muren. De zon was bedekt door
wolken; het was een koude, kille dag; nevelen waren er in de verte en
hingen om het kasteel; treurig staken de boomen hun takken in de lucht;
grauw en grijs was het land; de lente scheen maar niet te willen komen
en de aarde rilde nog van winterkoude. De rijtuigen rolden af en aan en
brachten uit alle streken de wijze en voorname mannen, raadslieden van
den koning. Allen moesten om het kasteel te bereiken langs den breeden
weg, maar niemand in de koetsen had opgemerkt, dat langs dienzelfden
weg zich een klein, tenger figuurtje bewoog.
Dat was Wanda, die terugkeerde van den langen, langen tocht. Zij
herkende wel de raadslieden van haar vader, maar zij zag er zoo
eenvoudig uit in de dracht der meisjes van haar volk, dat niemand het
de moeite waard vond naar haar te kijken. Alle rijtuigen haalden haar
in, zoodat het al stiller werd op den weg naar het kasteel. Het was
heel stil ook op het voorplein van het paleis. De schildwachten liepen
in regelmatigen stap op en neer, niemand lette op haar. Wanda ging nu
ongemerkt naar een kleine zijdeur in het kasteel, die niet bewaakt
werd, omdat bijna niemand van zijn bestaan af wist. Nu liep zij door de
stille gangen, maar plotseling, met dolle vaart en vroolijk geblaf,
rende een groot ruig dier op haar toe. Dat was Bello, haar reusachtige
hond en hij zette zijn pooten op haar schouders en lekte haar in dolle,
uitgelaten vreugde. En haar kleine hand streelde den kop van het dier,
dat rond haar bleef springen, nu zij naar de troonzaal ging, want daar,
dat wist zij, hadden steeds de groote vergaderingen der geleerde en
wijze mannen plaats.
„Laat mij door,” zei zij tot de lakeien en voor die goed wisten met wie
zij eigenlijk te doen hadden en wat er eigenlijk gebeurde, opende Wanda
de deuren, die de zaal scheidden van de marmeren hal en plotseling
stond zij midden in de zaal: een klein figuurtje met een grooten hond,
die zijn kop tegen haar hand wreef, en sprong, en blafte, en
kwispelstaartte.
„Wanda,” riepen de prinsen.
„Prinses Wanda,” riepen ook de wijzen en voornamen.
Toen legde zich een doodsche stilte en allen staarden naar het
prinsesje, dat als verlegen en armoedig in haar donkeren mantel in den
grooten kring stond.
„Vader,” zei toen Wanda en als haar broers knielde zij voor haar vader,
die lachte met blijde vroolijkheid en opgestaan was om zijn dochtertje
te ontvangen, „vader, ik heb gezocht, maar niet gevonden.”
En zij drukte haar lippen op de hand van den koning en zij nestelde
zich tegen zijn knieën op de treden van den troon om het verhaal van
haar tocht te doen. Heel, heel klein scheen Wanda nu; zij had den
mantel uitgedaan, zich den doek van het hoofd genomen en haar blonde
lokken leken nu wel goud tegen den donkeren troon; vaalgrijs was haar
kleedje bij de pracht van den koningsmantel en het verguldsel van de
zaal. Maar haar oogen glansden met diepen gloed en haar hand legde zich
op den kop van den hond, die al kwispelstaartend aan haar voeten was
gaan liggen. „Vader,” sprak nu Wanda, „met leege handen kom ik terug en
toch heb ik gezocht van Oost tot West, van Noord tot Zuid, naar allen
kant.
„Toen ik mijn tocht begon, herhaalde ik, wat u in den droom gezegd was.
O, het was een dag van gouden zonneschijn.
„Ik kwam door een klein dorpje. Daar zat voor de deur van haar woning
een oud vrouwtje. De zon scheen op haar en zij koesterde er zich in als
een spinnende poes. „Moedertje,” zei ik, „wat kijk je gelukkig.”
„Voel je dan het zonnetje niet,” vroeg zij.
„En weer een eind verder zag ik een knaap met een bleek uitgeteerd
gezicht en lange, smalle handen. Hij zat in een stoel met kussens in
den rug. En ik bleef voor hem staan, waarom wist ik zelf niet.
„Ik wensch je beterschap toe,” zei ik.
„O, ik word wel beter, want voel eens de zon. Die koestert me,” en hij
sloot zijn oogen en keerde zich al meer naar de zon toe.
„Peinzend liep ik verder en op een heel stil plekje zag ik een ziek
katje, een klein ongelukkig dier. Het was gekropen naar een plaatsje,
waar de zon scheen met alle kracht en daar liet het zich warmen. En ik
droomde dien nacht een vreemden droom. Het was of ik vleugels kreeg, of
ik licht werd, of ik met de zonnestralen overal heenkijken kon. Ik zag
hoe een zonnestraal viel op een bloemknop en zij opende zich met teere
kleuren, die schenen te lachen tegen het licht. Ik zag hoe een andere
zonnestraal viel op een slapenden vogel en hij werd wakker en zong
liederen, die trilden van blijheid en geluk.
„O, wat was dat mooi; al die bloemen en dieren, gelukkig gemaakt door
de zon: klein margrieten en gloeiende rozen, grauwe musschen en
pronkende pauwen. Toen begreep ik, dat het heel moeielijk was iets te
vinden, zoo mooi als zonneschijn.”
Even kuchten een paar der wijze voorname mannen, anderen schoven op hun
stoel. Wat een dwaas verhaal deed Wanda, vonden zij. Het gaf niets te
denken. Een der geleerden kon er zijn gedachten niet bij houden. Hij
had een moeielijke som pas in den steek gelaten, toen de koning hem had
doen roepen en cijferde bijna hardop; nul, decimaalteeken, 5, 6, 7, 8,
3, 2, 1.
Maar de hand van den koning streelde het blonde haar van zijn
dochtertje en een paar tranen liepen langs zijn wangen, want zijn
verbeeldingsoogen zagen den tijd, toen het licht er ook voor hem was.
„En ik zag zonnestralen vallen,” vertelde Wanda, op oude menschjes,
zooals ik in het dorp gezien had en zij koesterden er zich in, en
grijsaards en zieken zag ik glimlachen in den zonneschijn. Met andere
zonnestralen zag ik neer in een gevangenis. O, vader, dat was een
verschrikkelijk gezicht. Een der gevangenen was zoo bleek, dat hij wel
een doode leek. Toen viel een warme zonnestraal op de plek, waar hij
lag en hij lachte, vader, hij wendde het hoofd naar het licht.
„Heel lang heb ik in dien kerker rondgekeken en ik werd heel treurig,
want zonneschijn leek mij onvindbaar mooi. Hoe zou ik op aarde iets
kunnen vinden, zoo mooi dat het een eenzamen mensch in een cel het
gelaat zou doen glanzen van vreugde?”
Weer kuchte een voorname geleerde en hij keek vragend zijn buurman aan
en deze haalde onmerkbaar zijn schouders op, wat zeggen wilde:
„vrouwenpraat, collega, geduld!”
En de voorname wijze, die van zijn som werd weggeroepen, was weg, ver
weg in het land der cijfers, hij hoorde niets, want hij zat te rekenen,
te rekenen, met lange, lange getallen!
Doch, alsof zij tot zichzelve sprak, ging de prinses door: „Een andere
zonnestraal viel in een armoedig kamertje. Daar woonde een jonge man,
die mooie verhalen maken kon. Zoo mooi vader, zoo mooi als nachten met
blauwigen maneschijn. Maar hij was arm en zijn zwakke zieke moedertje
leed gebrek. Toen zag ik hem schreien. Maar drie, vier zonnestralen
kwamen tegelijk zijn vertrekje binnen en hij keek er naar, en zijn
oogen begonnen weer te stralen; en hij werkte, dat zijn pen over het
papier vloog.”
Een hoveling gaapte bijna hoorbaar en kreeg toen een verschrikkelijke
kleur, want het was hem in lange jaren niet gebeurd, dat hij gegaapt
had in een vergadering in de troonzaal. En de geleerde van de som was
nog altijd aan het rekenen. Als alles uitkwam, dan wist hij hoeveel
stofjes er gingen in een korreltje meel!
„Toen ik wakker werd,” vertelde Wanda door, „begreep ik, dat ik zoeken
moest naar iets, dat bloemen hun schoonheid gaf, vogels deed zingen,
arme, oude menschen een glans gaf van geluk en tevredenheid, wat zieken
hun pijn deed vergeten, eenzamen deed lachen en dichters hoop in het
hart gaf.” Het geschuifel op de stoelen werd onrustig. Perlus keek
meelijdend naar zijn zusje, die op deze wijze haar tijd verloren had en
hij nam zich voor haar voor vergoeding een diamanten ketting te geven.
Urlo wou haar vermaken met den wonderspiegel, dan zou zij wel gauw
alles vergeten zijn.
„Toen vader, zocht ik naar iets, dat zóó lachen deed, zóó glanzen.
„Maar met leege handen keer ik terug.... Toch heb ik soms gedacht, dat
ik dát lachen en glanzen zag, eens, tweemaal, neen veel meer en toen
droomde ik niet.”
Toen Wanda deze woorden zeide, straalden haar oogen met wonderlijk
diepen gloed. Dat zag de blinde koning niet; hij hoorde alleen maar den
klank van haar stem en zijn handen vouwden zich.
En nu begon ook de zon door te breken; ijler en lichter werden buiten
de nevels; door de boogramen stroomde het licht op alles, maar het was
of er meer glans viel op het prinsesje, wier haar nu zonnegoud leek,
wier gelaat blank en fijn was tegen het donkere rood van den troon. En
zooveel zon was er om haar, dat de wijze en voorname mannen kijken
moesten of zij wilden of niet.
„Op mijn langen tocht zag ik soms dat lachen en glanzen uit mijn droom.
„Bloemen lagen ergens vergeten en toen ik ze verzorgde, openden ze zich
als de knop uit mijn droom.
„Een vink gaf ik de vrijheid en hij jubelde, als de vogel, door den
zonnestraal gewekt.
„En een hond, die zich gewond had en dien ik verbond, keek mij aan als
het katje, dat zich in de zonnewarmte koesterde.
„Maar dat lachen en glanzen zag ik vooral in de oogen der menschen.
Vader, ik ben geweest bij zieken en in gevangenissen, in kleine donkere
steegjes en kamertjes, waar het zoo donker was, dat zelfs de
zonnestralen er bijna niet komen konden.”
„Wat, wat?” riep de geleerde, die met zijn som in de war was geraakt en
een paar woorden opving.
„Bespottelijk, collega,” fluisterde een staatsraad.
En een man, zoo wijs, dat men hem van overal raadplegen kwam en wiens
borst geheel bedekt was met ridderorden, schoot even in den lach. Toen
voelde hij een steek in zijn lendenen, want de geleerde staatsraad had
in lang niet gelachen. Doch de koning glimlachte als vroeger, toen hij
zien kon en zijn handen vouwden zich. En de zonnestralen schenen te
spelen rond het meisje. Buiten werd de lucht al blauwer; de nevels
verdampten en verdunden zich. Een zonderling geklepper deed zich hooren
van achter uit het park. Dat kwam van den ooievaar, die teruggekeerd
was en wiens snavel vroolijk rood in het zonlicht was.
„Een arm, ziek vrouwtje heb ik zien lachen als het menschje bij de
zonnestralen, toen ik haar kussen recht legde, bloemen bij haar bed
zette, eten voor haar kookte. Dat was wel het lachen uit mijn droom.”
Wanda was nu opgestaan en de groote hond lichtte zijn kop op, likte
haar hand en keek toen weer soezend om zich heen.
Niemand lachte nu meer, want in stroomde het licht. Wat een zon was er
om Wanda heen. Allen keken heel stil naar haar: Perlus en Urlo en al de
wijzen en geleerden.
„En hetzelfde lachen en glanzen heb ik in de gevangenis gezien, vader.
Daar was een der gevangenen ziek en ik werd tot hem toegelaten. Geen
berouw was er op zijn gelaat. En ik vertelde hem zijn eigen leven,
sprak hem van den tijd toen hij een kind was, van zijn moeder en het
huisje waar hij geboren was, midden tusschen de bloemen. Toen heb ik
hem tranen zien schreien, die schitterden in het licht. En hij voelde,
dat hij sterven ging en verlangde naar zijn moeder, om haar vergiffenis
te vragen voor al het leed, dat hij haar veroorzaakt had. En ik ben
haar gaan zoeken, tot ik haar vond en ik bracht haar bij hem.
„En toen zij aan zijn ziekbed zat met zijn hand in de hare, toen heb ik
haar en zijn gelaat zien glanzen, als in mijn droom.
„Niets breng ik dus mee vader, niets! Ik heb gezocht naar alle kanten,
maar zonneschijn is zoo mooi, dat de aarde niets heeft wat daarop
gelijkt. Maar als de zon wil ik u koesteren, vader, zoodat u lachen
gaat als het zieke vrouwtje, en die moeder, en die zoon.”
„Kus mij, mijn kind,” zei de koning met fluisterende stem en groote
tranen vielen op zijn mantel.
„Schrei niet, vader,” zei Wanda, „ik zal U liefhebben als uw kleine
zonnetje,” en zij sloeg haar armen om den hals van den koning en kuste
hem met groote teederheid.
In stroomen golfde het zonlicht naar binnen. Het vulde de zaal met
vloeiend, doorzichtig goud. En het was of er honderden stemmetjes
zongen. En in de zaal keken allen naar het wonder. De koning richtte
zich op in volle lengte. In breede plooien viel zijn mantel om hem
heen. En zijn oogen zagen naar alle kanten.
Zij staarden en tuurden niet, maar dronken het licht en de kleuren.
Zijn oogen keken naar buiten, waar de nevels waren opgetrokken, waar de
zon het blauw der voorjaarslucht stralen deed.
En naast den koning, klein en nietig, met goudglans op haar lokken,
stond het kleine prinsesje, dat schreide van vreugde.
„Ik zie, ik zie,” zei de diepe stem van den koning.
„De koning ziet,” riep men bijna plechtig in de zaal.
„De koning ziet,” klonk het door de gangen. En de schildwachten
vernamen het en vertelden het verder, en wie het hoorde, verspreidde
het weer. Zoo ging het wonder van mond tot mond, door het heele land,
het wonder van het blonde prinsesje, dat iets gevonden had, zoo mooi
als zonneschijn, wat blindheid wegkust.