Dagen, weken en maanden gingen nu voorbij. De kroning regeerde,
vergaderde met zijn ministers, staatsraden, en generaals, maar groote
droefheid was er in zijn hart.
Er was angst in hem voor zijn kinderen, want wel hadden zij hem doen
weten, heel in het begin, dat zij zochten en gezond waren, maar allengs
waren de berichten zeldzamer geworden en nu hoorde hij niets meer. En
ofschoon hij de gezichten niet zag van hen, die hem omringden, hoorde
hij toch uit hun stem, dat ook zij bevreesd waren.
Eens echter, dat de oude, blinde koning innig naar zijn kinderen
verlangde, meldde zich aan het paleis een bode, die tot den vorst
wenschte toegelaten te worden, omdat hij nieuws kwam brengen van prins
Perlus. En hij vertelde den koning, dat de prins in aantocht was en
iets gevonden had, zoo mooi als zonneschijn.
Toen was de koning verblijd en hij liet vlaggen met waaiende wimpels
uitsteken om zijn zoon reeds van verre het welkom toe te wuiven van
alle torens van het kasteel.
En den volgenden dag kwam er weer een bode, sierlijk gekleed, met
wapperende veeren op den hoed, en hij sprak: „Majesteit, prins Perlus
doorzocht het land, zooals hem geboden werd: Van Noord tot Zuid naar
allen kant. Hij brengt de schoone gave, waardoor uw blindheid zal
genezen.”
En den derden dag kwam er een page in blauw en wit satijn met kostbaar
goud borduursel en hij zeide:
„Nog enkele uren en de prins zal er zijn,
Met iets zoo mooi als zonneschijn.”
Nu werden er nog meer vlaggen uitgestoken, zij wapperden van alle
vensters, van alle torenspitsen, kleurig en fleurig in het zonnelicht,
zoodat men uren in den omtrek zien kon, dat er vreugde was in het
kasteel.
En de raadslieden van den koning trokken naar de vorstelijke woning,
zoo vlug mogelijk als samenging met deftigheid en met mooie koetsen,
waar statige koetsiers op den bok zaten.
Stijf en rechtop zaten de raadslieden in hun rijtuigen.
In het kasteel was het heel druk. De koetsen rolden af en aan; de
ministers en wijzen stegen uit, bogen in de troonzaal voor den koning
en hij hoorde geritsel van zijden stoffen en gekraak van stijve
weefsels. Op zijn troon zat de blinde vorst in zijn prachtigen mantel
en met zijn schitterende kroon op het hoofd. Zijn oogen staarden over
de geheele hofhouding heen naar de verte, vanwaar zijn oudste, zijn
vroolijke en krachtige Perlus, terug keerde.
Toen deed zich gerinkel hooren en hooge, schetterende trompetten
bliezen vroolijke wijzen.
Want Perlus naderde en hij begreep de taal der wimpels en vlaggen en
daarom werd de zweep over de acht paarden gelegd, die zijn koets
trokken en draafden lustig de paardjes, waarop de pages zaten, die het
prinselijk rijtuig voor af gingen.
En zij bliezen op trompetten, waaraan geborduurde vaandels hingen, en
zij bliezen, tot hun wangen roode bolle appels leken en de lucht met
hen scheen mee te zingen.
Nu hield de stoet stil voor de poort van het kasteel.
„Leve prins Perlus,” schreeuwden en juichten de paleiswacht en de
paleisbedienden.
„Leve de prins,” galmde het op alle trappen.
En nog rinkelden de bellen op het voorplein en schetterden de
trompetten, zoodat te midden van één gejuich van vroolijkheid Perlus in
de zaal trad.
De prins naderde den troon, boog de knie voor zijn vader en kuste den
koningsmantel.
„Sta op, mijn zoon,” zei de koning met bevende stem en zijn handen
streelden het glanzend zwarte haar van den prins.
„Vader,” zei de prins, en trotsch richtte hij zich op en grooter was
hij toen dan een der aanwezigen, „vader, ik heb gevonden, wat zoo mooi
is als zonneschijn.”
Toen ging er een blij gemompel door de zaal, waar al de wijze mannen in
een kring zaten en bewonderend keken zij naar den prins.
Zijn houding was fier, zijn oogen lachten vroolijk en zijn kleederen
waren zoo rijk en prachtig, als menschenoogen in het land nog nooit
aanschouwden. En de voorname mannen hadden verstand van kostbare
kleeding.
Met Perlus waren vier pages de zaal binnen gekomen, schoone knapen in
kleeren van fluweel, zoo zacht als bloembladeren, en satijn, glanzend
als oud zilver, en strikken en veeren, bezaaid met kleine pareltjes.
Elk van de pages droeg een kistje, dat vonken schoot, als de
zonnestralen er slechts een honderdste van een seconde op rustten. En
zoo verbaasd en zoo onder den indruk was een oude generaal, dat hij
even zijn buurman aanstootte en die had toch een minder voorname
overgrootmoeder dan hij zelf, zoodat hij anders zich niet met hem
bemoeide.
Welk wonder kon er toch geschied zijn, dachten de hovelingen, dat een
die uitgetrokken was arm en eenzaam, terug had kunnen keeren met zulk
een praal?
„Vertel, mijn zoon,” sprak de blinde koning.
En nu zetten allen zich tot luisteren.
„Vader,” zei Perlus en met opgeheven hoofd stond hij naast den troon en
hij zag rond in den kring om hem, „toen ik mijn tocht begon, herhaalde
ik voortdurend:
„Iets zoo schoon als zonneschijn,
Zal voor zijn blindheid genezing zijn”.
en ik vroeg mij af wat het zou kunnen beteekenen, en ik keek naar de
zon en zag haar licht schitteren, schitteren, schitteren!”
Even hield hij op, want een wolk, die de zon bedekt had, trok voorbij
en haar licht viel door de hooge boogramen op den koningstroon en de
kostbare steenen, op uniformen en ordeteekens, op het blonde haar der
pages,—ja waarlijk, het licht der zon schitterde met schitterglans.
„Ja, ja,” mompelde de koning, want hij dacht aan dansende zonneplekjes
op boomen, aan spattende golfjes, aan boterbloempjes en madeliefjes,
aan Wanda’s gouden haren, aan Wanda’s stralende oogen.
„Ja, zonlicht schitterde,” zei hij zacht voor zich heen.
„Toen begreep ik,” ging Perlus voort, „dat ik zoeken moest naar iets,
dat schitterde en glansde als zonlicht.”
Weer ging een gemompel van instemming door de zaal.
„Maar ik wist niet hoe ik ’t vinden moest. Ik had niet lang tijd tot
mijmeren en suffen, want ik was arm en moest werken om den kost te
verdienen.”
„Hoe is het mogelijk,” fluisterde een oude hoveling en hij schudde het
hoofd ongeloovig.
„Toen ging ik naar een groote stad en eens, dat ik soezende door de
straten liep, zag ik plotseling iets schitteren met den glans van
zonnelicht. Stralen troffen mijn oogen, als waren het stralen van het
zonlicht. Zij kwamen uit een goudsmidswinkel. Daar flonkerde het van
goud, zilver en edelgesteenten. De stralen schoten naar alle kanten als
zonlicht, het was er blauwig, rood en paars en geel als bij zonsop- en
zonsondergang.
„Dien avond ging ik vroolijk naar bed, want ik wist nu wat alleen zoo
mooi is als zonneschijn: zilver en goud en edelgesteenten.”
Even wachtte de prins en ten derden male ging het blijde gemompel door
de wijze en voorname mannen. Zij keken naar elkander; de ordeteekenen
fonkelden, in de zaal was één geschitter.
Een generaal speelde even met zijn dolk in diamanten gezet.
„Veel en veel mooier dan zonneschijn,” dacht hij. En een der ministers
keek gedachteloos naar zijn gouden ringen met de kostbare steenen. En
hij zag niet meer naar de zon.
„Mijn ringen zijn mooier, veel mooier,” zei hij zacht.
Alleen de oude, blinde koning staarde met oogen die niet zagen; bleek
was zijn gezicht, bleek onder het goud van de kroon, bleek boven het
gloeiende purper van den mantel. Stralen schoten uit den zegelring aan
zijn smalle gevouwen handen. Och, wat was die arme koning bleek en
droef te midden van al die pracht.
„Vader,” vervolgde de prins nu zijn verhaal, „toen ben ik gaan werken
om geld te verdienen en ik was spaarzaam en ik arbeidde onvermoeid.
Daarop ben ik handel gaan drijven en ik verdiende veel geld, maar niet
genoeg om al het schoone en schitterende te hebben uit den
goudsmidswinkel. Ik trok van Noord tot Zuid, van stad tot stad,
doorkruiste het land in alle richtingen, zooals bevolen werd en ik werd
steeds rijker.
„Eens echter in een bosch had ik een wonderlijke ontmoeting.
„Diep in gedachten, vader, lette ik niet op den weg, dien ik nam en
zoo, voor ik het zelf wist, was ik in een gedeelte, waar de planten
dicht aaneen stonden, als wilden zij zich warmen aan elkaar.
Heuvelachtig was de grond. Geen zon drong er bijna door. Geen vogel
tjilpte. Stil en eenzaam was de plek.
„Plotseling hoorde ik hameren en het geluid kwam van uit de aarde. Ik
luisterde nieuwsgierig. Toen, o, ik zie het nog, alsof het pas gisteren
gebeurd was, zag ik van uit de struiken een mannetje komen met verbaasd
gezicht en groote werkhanden.
„Wat doe je hier?” vroeg hij.
Ik antwoordde, dat ik verdwaald was.
Wij raakten in gesprek en ik vertelde hem, dat ik iets zocht, zoo mooi
als zonneschijn.
„Als zonneschijn,” herhaalde het mannetje. „Zonneschijn, is dat iets
zoo mooi? Het is hier begroeid en donker en wij zien niet veel zon. Ze
is wit en geel en schittert een beetje. Dat is alles wat ik ervan
zeggen kan. Wil je wat daarop lijkt? Ik kan het je geven in overvloed.”
„En ik ging met hem mee en vader, o, vader, en gij, wijze en voorname
mannen, hij bracht mij naar de plek, waar diep onder den grond de
aardgeesten goud en zilver en edelgesteenten voor den mensch bewerken.
Ik werd toegelaten tot hun werkplaats en daar flonkerde het met een
glans schooner dan sterren, schooner dan de maan, schooner dan
zonneschijn. De zon was bleek en koud, vergeleken bij dien glans.”
Weer zweeg de prins, terwijl zijn oogen fonkelden. En al de wijze en
voorname heeren luisterden zoo doodstil, als waren zij kinderen, aan
wie men een mooi verhaal doet. Maar de oogen van den koning staarden
blind voor zich heen, en er legde zich een glimlach rond zijn lippen.
„En vader,” ging Perlus voort en hoog sprak zijn klare stem, „gezegend
zijn de aardgeesten, want zij gaven mij wat ik wenschte en ik heb
slechts te vragen en mij stroomen alle schatten toe uit den rijken
grond. Ik heb gevonden wat mooier is dan zonneschijn. Hier, gij pages.”
En de pages naderden en knielden voor hun heer. En hij beval hun de
kistjes te openen.
Nu ging er een gejuich door de zaal, want uit de kistjes straalde een
geschitter, dat wonderlijk was van hellen schijn. In het eene glansde
gepolijst zilver, in het tweede lag rood goud te gloeien; in het derde
fonkelden en flikkerden kostelijke edelgesteenten: robijnen en
amethisten, saffieren en smaragden; in het vierde straalden diamanten
in vlekkelooze doorschijnendheid. Zij hielden het licht als vast, leken
zelven gestolten klompjes licht, die naar alle kanten stralen schoten.
„Hoera,” juichten de wijze mannen.
„Leve prins Perlus, leve prins Zonneschijn,” klonk het door de zaal.
Een der hovelingen danste op zijn stoel, zich wiegend heen en weer, als
hoorde hij vroolijke muziek. Een ander streek uit geestdrift door zijn
keurig gepommadeerde haren, zoodat zij in wanorde raakten, wat nog
nooit was voorgekomen. En de oogen van den prins schitterden van
voldoening en niemand lette er op, dat er in den glimlach van den
koning veel meer smart dan vreugde was. En niemand zag, dat hij zijn
blinde oogen keerde naar het zonlicht, dat in breede stroomen door de
boogramen de troonzaal invloeide.
Toen sprak hij met diepe stem: „Perlus, mijn zoon, ik dank je, omdat je
zocht. Kus mij.”
Toen naderde de prins den troon en hij beklom de treden. Doodstil was
het nu in de zalen, allen rekten de halzen om te zien het groote
wonder, dat er blindheid zou genezen worden door een kus van
menschelippen. En Perlus, wiens kostbare kleedij straalde in het
zonnelicht, boog zich over den koning heen en kuste diens oogen.
„Hij ziet, hij ziet. Hoera hij ziet,” juichten de wijze mannen. De
koning richtte zich op.
De slepende mantel viel in plooien langs hem. Zijn handen legden zich
zegenend op het hoofd van Perlus en met heel diepe stem sprak hij:
„Blind zijn mijn oogen. Niets zien zij, niets van al de schatten der
aarde. Wees gezegend, omdat je zocht. Maar niet vond je wat is zoo
schoon als zonneschijn.”
Toen keken de wijze mannen, naar het zonnelicht en naar het geschitter
in de kistjes.
En nadat de vorst zich had laten wegleiden in zijn vertrekken,
omringden zij Perlus en zeiden dat de droom dwaasheid was.
„Zonlicht, zonlicht,” riepen zij minachtend als de aardmannetjes uit
het bosch.
En voorzichtig namen zij de steenen, die Perlus had meegebracht, in hun
vingers. „Als dit niet helpt, helpt niets,” verklaarden de ministers.
In hun vreugd, dat Perlus de schatten der aarde gevonden had, leek het
hun niet meer zoo verschrikkelijk toe, dat de koning blind was.