Voortaan behoort tot den geestelijken eigendom van Noord-Holland, als
nieuw-verworven bezit, de herinnering aan den grooten watersnood.
Voor mij heeft deze herinnering de gedaante, welke ik u in de hier
volgende lijnen schets.
Kent gij de streek tusschen het Y en Purmerend, tusschen de Zuiderzee
en de Zaan? Dit is het gebied van de groote ramp. Het verreweg meest
uitgebreide en felst geteisterde der onderscheiden oorden in ons
vaderland, die de wilde golven tot haar prooi hebben gegrepen.
Kent gij de streek? Wie haar ook slechts vluchtig heeft doorreisd op een
schoonen lente- of zomerdag, heeft bij zichzelf een voorstelling bewaard
van onafzienbare groene weiden. Licht groen het gras, donkerder groen
daartusschen het kroos in de slooten. Tot den gezichtseinder heel de
vlakte wemelend van ontelbaar vee. Vierkante boerenhuizen, welker
reeksen zich ver in de verte verliezen, duiden aan, hoe de smalle
landwegen loopen. Torens, een paar zware en logge, maar meest
miniatuur-torentjes; molens, sommige groote en hooge, doch meest
miniatuur-molentjes; dorpen, enkele uitgestrekte en belangrijke, meest
echter miniatuur-dorpjes,... Het is alles saam als speelgoed, opgezet
op het groen laken van een reuze-tafelblad. De zeilen van een enkel
schip scheren wit-schitterend over het water van het Kanaal, dat de
onbegrensde wei in tweeën deelt. De hemel straalt boven het groot geheel
in ongetemperden zonneglans. Zóó bood Waterland den bezoeker een
schouwspel van vredigheid en feestelijkheid.
De begin-maanden van het watersnood-jaar! Wie het oord thans aanschouwt,
en het tevoren zag, dien breekt het hart. Dan reeds, wanneer gij het
niet meer dan slechts in vogelvlucht overblikt, en u daartoe een plaats
kiest hier of daar op den dijk benoorden het Y, vanwaar gij, zoover het
oog reikt, de zee aan uw voet ziet golven allerwegen, waar eenmaal het
rijke land zich uitstrekte en de vriendelijke dorpen den horizon
stoffeerden.
Maar eerst diep droefgeestig wordt het den zwerver in ranke roeiboot
te moede, die, de riemen in de hand, eenige uren lang deze oneindige
landzee door- en overkruist. Een onuitsprekelijk drukkend gevoel van
verlatenheid en treurigheid grijpt den omdwaler over het watervlak aan.
Verstomd, wijd in het rond, alle stemmen van mensch en dier. Het geluid
van het plassen der roeispanen echoot tot verren afstand in de ledige
ruimte. Glijdt de boot voort langs vaart of boven land? Vaart en land
zijn niet van elkander te onderscheiden, en de roeier weet het niet. Het
doet er ook niet toe. Alles is bevaarbaar. Straks ontdekt gij, door,
met een schok van uw boot, een stuk van een dakgoot af te varen, dat
gij over een boerenerf heengaat. Weldra beweegt gij uw boot voort boven
een dorpsstraat; huizen, ter weerszijden halverwege boven het water
uitstekend, vergewissen u daarvan. Hoelang nog zullen die ondergeloopen
huizen, voordat zij, door het water ondermijnd, ineen vallen, de
richting van de dorpsstraat aangeven? Waar zijn wij thans? Hier heeft
zich de catastrophe reeds voltrokken. Dit was immers het schilderachtig
pad van het Landsmeersche Schouw naar Broek in Waterland? Die weg,
waarlangs tal van woningen, temidden van het groen, zoo vriendelijk
stonden gerijd, eenvoudige tusschen welvarende? Er staat er bijna niet
één meer. Verdwenen, nagenoeg alle! Verzwolgen, met alwat de ijlings
gevloden bewoners erin achterlieten! Het gelaat van den roeier
verbleekt, en de hand beeft aan de riemen. De waarheid is ontzettend;
zeer velen, die alles verloren hebben, behalve, zoo zij meenden,
tenminste hun dak boven het hoofd, zullen ook hun beschuttend dak niet
terugvinden. Dit aan allen kant golvende water is bezig, een stil, doch
gestadig verdelgingsproces ten uitvoer te leggen.
Dit water, aan allen kant golvend! Toch, hier en ginds schijnt nog een
eiland zich te verheffen uit het onafzienbare waterveld. Voorzichtig!
Betreedt het eiland niet. Het biedt verraderlijker bodem dan het
watervlak zelf. Wie het betreedt, zinkt erdoor. Het is maar een dunne
korst, losgeweekt van den drassigen grond. Het land is hier opgelicht
door de baren. Het land drijft.
Elders steekt echter nog de top van een hooischelf of van een rietklamp
boven de golvenwereld uit; op sommige ervan zijn eenige taai-levende
katten aan het verwilderen. In een tobbe drijft een verhongerde foxhond
rond. Op een stuk brug, dat over de baren dobbert, zitten zwermen
musschen angstig bijeen. In een groote boerenkamer, waarin het water
tot halverwege de zoldering staat, ziet gij door het venster, hoe de
tafel, nog bezet met koffiekan en toebehooren, rondvaart tusschen
de muren, terwijl er omheen de stoelen wiegelen en deinen op de
binnengestroomde zee. En elders zwemt de inhoud van de bedstede, weer
elders die van de linnenkast achter de ruiten heen en weer. Arme
huismoeders, wier zorg dit alles was, en wier trots! Zoo de interieurs
der woonhuizen. Ik ken ze, die daar leefden, en hoopten, en gelukkig
waren. En ik voel ergens in mij een steek, terwijl ik door de ruiten
naarbinnen tuur.
Ik land aan bij de herberg van mijn dorp, het eenige nog overgebleven
toevluchtsoord in heel de plaats, en thans "herberg" inderdaad. "Nog
hoog en droog, dominee", begroet mij de waard, "zooiets als Noach in
zijn ark". "Noach", repliceer ik, terwijl ik uit mijn boot klim, "was,
naar ge weet, een braaf man; als ge waarlijk zooiets als Noach zijt,
wel, geen kwaad ding dan!" De waard moet lachen, en betuigt, dat hij
hetgeen ik zeg "aardig" vindt. Wie nog aan menschelijke wezens ter
plaatse zijn, zijn voor een groot deel zijn gasten: enkele tientallen
militairen. Zij varen dagelijks, maar vooral bij nacht, op patrouille,
ter bewaking van de onbeheerd achtergebleven bezittingen der gevloden
bevolking tegen plunderaars: de hyena's der waterwoestijn. Liever dan
met den waard het thema over "Noach" te vervolgen, druk ik den trouwen
jongens, die dag en nacht een zwaren plicht met liefde dienen, eens de
hand.
Straks stoot ik mijn boot weer af. In het voorbijvaren werp ik een blik
op mijn eigen woning. Zee de vriendelijke tuin. Zee, waaruit zich het
lief tehuis opheft. Zee--ik kan het nagaan--gang en kamers der
benedenverdieping. Zal ik naarbinnen waden? Liever niet. Waartoe het
jammer-schouwspel? Ik wend het hoofd af, en...... Ruk mijn ranke boot
verder!
Wat zaten wij rustig in onze woonkamer op dien noodlots-morgen, toen ons
bericht werd: "De Zuiderzee-dijk is bezweken". "Loop heen!" antwoordden
wij den boodschapper, en wij lachten over zijn begrafenistronie. Zeker,
het had gestormd dien nacht. En vooral den voorafgaanden avond. Het was
kerk-avond geweest, gelijk op elken Donderdag. Slechts enkelen hadden
zich door het noodweer naar het bedehuis gewaagd. Ik liet dan ook de
voorbereide preek achterwege. Terwijl het woeste weer loeide en
bulderde om de kerkmuren heen, las ik den weinigen aanwezigen het
evangelie-verhaal van den storm op zee voor. Ik zeide iets over het
veilig bewaard zijn in allerlei stormen van degenen, met wie hij is,
wien wind en golven gehoorzaam zijn. Wij baden tezamen om zijn hoede.
Toen zongen wij nog het: "Ruwe stormen mogen woeden", dat ieder kent.
Dat is het laatste, wat in ons bedehuis weerklonken heeft. Daarna liet
ik de enkele kerkgangers trekken. Een mislukte godsdienst-oefening? Ik
heb van een paar der aanwezigen vernomen, dat zij hun onvergetelijk zal
blijven. Doch dat komt door de geweldige toepassing, die onmiddellijk
daarna de gebeurtenissen erop hebben gegeven. Toch: "Loop heen!" riepen
wij den volgenden ochtend den eersten brenger van de ramptijding toe.
Zeker, het had gestormd dien nacht. Maar het had somwijlen erger nog
gestormd. En thans de dijk bezweken? Intusschen, op dezen bode volgden
andere boodschappers, en...... Nog ongeloovig, doch zekerheidshalve,
rijwielde ik eens de richting uit naar de Zuiderzee. En ik rijwielde
tooneelen van ramp en ontzetting tegemoet.
Van mijn huis af een drie kwartier gaans naar den kant van de
Zuiderzee, hier begon het schrik-schouwspel. Kudden van honderden
koeien draven mij tegemoet. Mannen en vrouwen van elken leeftijd, allen
met verwrongen gezicht, jagen uit de boerderijen langs het grintpad hun
vee den weg op. Gij herkent den flegmatieken Noord-Hollander niet in
die opgewonden, achter en tusschen het verschrikte rundvee schreeuwende
en armzwaaiende lieden. Maar hier werkt dan ook het eenige, wat
den doorsnee-Noord-Hollander uit zijn onaandoenlijkheid en
onverstoorbaarheid vermag te drijven: gevaar voor stoffelijk geruïneerd
worden. Materialisten! En toch, smaalt op deze menschen en op hun
vertwijfeling niet! Dat valt hun zoo licht, die in veiligheid en vrede
zitten. Maar, aan welvaart gewoon, zich plotseling den volkomen
maatschappelijken ondergang voor het oog te zien treden: dit _is_ een
ontzettend ding. Twee hijgende boeren gaan elkander, temidden van den
chaös, woedend te lijf. Zij razen en vloeken. Ik ontwaar, dat over den
eigendom van één der koebeesten, dien zij beiden zich toeschrijven,
hun vechtpartij is ontbrand. Van ginds klinkt klagelijk gebulk. Ik
dring daarheen door. Een angstig rund heeft over een ijzeren hek willen
springen; een der hekspijlen is hem onder in het lichaam gedrongen. Het
dier wringt en worstelt, om zich te verlossen. De lucht dreunt van zijn
pijngejammer. Ik wijs eenige voorbijjagende boeren op het noodgeval. Wat
maakt het gevaar de menschen toch zelfzuchtig! "_Mijn_ koe?" vragen zij
ontzet, de een na den ander. Neen, de koe van niemand hunner. En zij
ijlen verder. Valt de egoïsten niet te hard! In oponthoud is ondergang.
Ten slotte vind ik een, die ontdekt: "_Mijn_ koe." Ras heeft hij
vrouw, zoons, dochters bijeengeschreeuwd. En door het: "_Onze_ koe",
geëlectriseerd, lichten zij, met de kracht van het vereend egoïsme,
het logge gedierte omhoog, en bevrijden het. "Waarheen gaat het met het
vee?" vraag ik aan dezen, en dan weder aan genen. Het monotone antwoord
luidt: "Ik weet het niet". Zij weten niet, waarheen, de dieren, en
evenmin de menschen. Verder! Verder maar! Zonder bekend doel! Het water
komt! De verwoesting komt!
En mij tegen den menschen- en dierenstroom inwringend, ontmoet ik weldra
het water. Vlak vóór Broek in Waterland snijdt de overstroomde weg mij
den verderen voortgang af. Het schouwspel is grootsch. Het water bruist,
als een reuze-waterval, over den ringdijk neer in den diepen polder.
Een donderend geraas klinkt op uit de onmetelijke cascade. De Niagara
in vlak Noord-Holland! Ik sta daar, klein. Heel klein, en aangegrepen.
Doch niet lang. Het water, opstuwend op den weg, dringt mij een schrede
terug, en nog een schrede. Ik begin het naderend gevaar voor eigen huis
en haard te beseffen. Ik keer mijn rijwiel, bestijg het, en ijl voor
den golfvloed uit naar mijn woonplaats terug. En terwijl ik mijn dorp
binnenrijd, klinkt de noodklok boven de hoofden mijner medeburgers, die
op de straat staan samengeschoold.
En nu komen droeve dagen. Wij hebben onze benedenvertrekken ontruimd.
Wij zitten aan de vensters onzer tweede verdieping. Wij zien en hooren
met het uur het water naderen van verre. Nog is de dorpsweg droog.
Straks beginnen de woeste vee-transporten ook langs onze woning. Telkens
draven koeien, schapen, geiten, die opgedreven worden, hun pad kwijt,
mijn tuin in. Dan vangen wilde jachten aan, tusschen mijn heesterperken
door en over mijn bloembedden heen. De inleiding tot de komende
vernieling!
Intusschen, ik denk aan mijn preek voor den aanstaanden Zondagmorgen.
Ik hoop, dat zij nog zal kunnen gehouden worden. Ik zet mij aan de
schrijftafel. Ik kies mijn tekst. "De Heer is op de groote wateren".
Men komt mij zeggen, dat de kerk tot veestalling is opgeëischt. Ik berg
schrijfgereedschap en schrifturen op. De avond daalt: de laatste over
het nog niet overstroomde dorp. Wij doorsluimeren een onrustigen nacht.
Den anderen dag, Zaterdag, dringt de vijand van uur tot uur op, aan
allen kant. Reeds heeft hij ons op enkele honderden passen naar rechts
en naar links ingesloten. Oogenblik aan oogenblik wordt het nog
begaanbare gebied kleiner. En weer valt de vroege duisternis.
Om twee uur in den nacht ongeveer sta ik, met mijn naaste buren
in gesprek, vóór mijn huis, onder het electrisch licht van de
straatlantaarn. Van rondom sluipt over de straat het water op ons,
burengroepje, aan, langzaam, langzaam. Doch zeker, zeker. Wij praten,
totdat de aftocht naar onze voordeuren bedreigd wordt; dan nemen wij
afscheid. Ik begeef mij bezwaard ter ruste. Ik wek mijn huisgenooten
niet. Laten zij den slaap genieten. Morgen zal het vroeg genoeg zijn
tot het treurig ontwaken.
Wel treurig het verrijzen, dien Zondagochtend! De golven klotsen tegen
de vier muren van ons huis. Waarheen wij ook uit onze bovenvensters
staren, alles in het rond golft, alles stroomt. Wij zijn gevangenen.
Had iemand ooit gedacht, dat ons dorp zulk een vloot rijk was? Heel den
Zondag gaan de meest onderscheiden vaartuigen in eindelooze rij langs
onze woning voorbij. Zij varen zoowel boven de straat als langs de
vaart. De gemeentenaren vluchten. Bij name noemen wij hen op, ouden en
jongen, die wij, van den morgen tot den avond, in schuiten en booten de
plaats van hun geluk en welvaart zien verlaten. Velen, die ons aan de
bovenvensters zien, wuiven ons in het voorbijvaren toe. De levendigheid
van het schouwspel ontneemt voor ons, zoowaar, tijdelijk iets aan het
tragische van het tooneel. Doch het ontroert ons opnieuw, als daar een
praam--nog een, weer een,--voorbijdrijft, waarop een ledekant, en in dat
ledekant, onder dekens verstopt, een zieke, zorgvol omringd door de
verwanten. De schemering maakt een eind aan het bedrijvig tafereel.
De avond is zwart. Diep is de stilte rondom. Hoort, hoe het nog steeds
wassende water opgolft tegen het huis! Maar, komaan, ter slaapstede! God
zal waken. "De Heer is op de groote wateren". Ik heb er dien ochtend wel
niet over kunnen preeken, doch daarom is het toch niet minder zoo.
Den volgenden dag zien wij den uittocht aan van nagenoeg heel de rest
der zwaar getroffen bevolking. Het dorp is welhaast ledig. Ook wij gaan;
het is hoog tijd. Het weer is ruw. Over enkele uren zal de donkerte
vallen op de verlaten plaats. Een rondzwalkende roeier, die naar nog
een laatste winstje zoekt, neemt, door mij aangeroepen, ons op in zijn
wiegelende boot. En op de meer en meer onstuimige baren maken wij deel
uit van de uiterste achterhoede des tweedaagschen strooms van
vluchtelingen.
"Waar blijven al de vluchtelingen, mijnheer?" vraagt mij een joviale
Amsterdammer, als ik in de hoofdstad debarkeer uit de stoomboot. Op dat
oogenblik moest ik twijfelmoedig de schouders ophalen. Na enkele dagen,
als ik den deelnemenden belangstellende weder aantref op dezelfde plek,
kan ik hem antwoord geven. En ik geef het hem met liefde. "Luister
eens", zeg ik tot mijn vriendelijken onbekende, "gij weet toch,
dat uw stadgenooten een oude en schoone reputatie hebben: die van
weldadigheidszin? Niet al de vluchtelingen, lang niet alle, hangen
af van de barmhartigheid. "Vluchtelingen" is immers nog niet één in
beteekenis met "berooiden"; vooral niet: "vluchtelingen uit welvarend
Waterland". De hotels bergen er, zoowel als tijdelijk gehuurde
stadswoningen. En dan, men heeft lichtelijk in Amsterdam--en, zoo
al niet hier, dan elders,--verwanten of vrienden, nietwaar?"....
Plotseling viel ik mijzelf in de rede: "Hebt ge soms relaties met den
stedelijken gezondheidsdienst?"
"Neen", schudde hij goedmoedig.
"Dan", ging ik voort, "zal ik u een geheim influisteren. Ik heb dezer
dagen in uw goede stad klein-behuisde gezinnen bezocht, die, door de
opneming van watersnood-verwanten of -vrienden, verdrie-, verviervoudigd
zijn: hygiënische gruweldaders!" "Maar", vervolgde ik, "van den
liefdadigheidszin uwer medeburgers gesproken: onderscheiden tehuizen,
met vindingrijken spoed voor de van huis en hof verdrevenen geopend,
handhaven de nobele reputatie, waarvan ik sprak, door honderden
kosteloos te herbergen. Voor alle herwaarts gevlodenen heeft uw groote
en goede stad plaats. Voor de van dak beroofden in deze tijdelijke
asyls. Voor hun kinderen op de schoolbanken. Voor hun ouderloozen in
de weeshuizen. Voor hun kranken in de zieken-inrichtingen. Daar overal
omringt de Waterlandsche ballingen de meedoogende liefde van Amstels
burgerij". Zoo betoogde ik aan mijn jovialen Amsterdammer, staande
tegenover hem aan den Y-kant op een bootsteiger.
In den loop van het betoog hadden zich anderen om ons beiden geschaard.
Onder hen één, die een blauwen kiel droeg, en mij blijkbaar kende.
Hij begon: "Eigenlijk, dominee, was ik wel wat bang voor de ontvangst,
die den vluchtelingen zou wachten van de Amsterdammers!" Het was een
over-Ysche melkventer, die sprak. Wij allen zagen hem vragend aan.
"Ja, de melk-oorlog is pas een paar weken oud, zooals ieder weet",
hernam hij. "De Amsterdammers mochten zich op de boeren willen wreken".
"Zij wreken zich, jongen", zeg ik. "Het is de rechte wraak".
Kijkt nu zoo'n nuchteren Noord-Hollandschen melkboer! Terwijl ik, dit
antwoordende, hem aanblik, zie ik een traan in zijn oog springen. En ik
vind in dien traan van den luid-schreeuwenden melk-krijgsheld, die hij
zoo kort geleden nog was, behalve gevoel, toch, ik kan het niet helpen,
ook: humor!
Jawel, de humor is nu eenmaal onsterfelijk. De humor wandelt zelfs op
de golven, die boven het sombere watersnood-gebied deinen. Natuurlijk
hebben een paar van mijn brave dorpsjongens, vóór hun vlucht met de
overigen mee, zich meester gemaakt van het waarschuwingsbord, dat
de schilder, die bezig was mijns overbuurs huis te verven, heeft
achtergelaten. En aan deze plank, die in reuze-letters de mededeeling:
"Nat", draagt, hebben zij, met weergaloozen zin voor het actueele, een
welbevestigde plaats aan een boven de wateren uitstekenden telefoonpaal
gegeven.
Andere, niet zoo opzettelijk bedoelde, humor is die van mijn vriend,
den winkelier, wiens uitstallings-venster, dat nog even boven het water
uitkomt, voor en na het door hem achtergelaten plakkaat draagt, waarop
de gewichtvolle aankondiging: "Een loopjongen gevraagd".
Gezegend zij de humor! Hij werpt even, heel even, een voorbijgaand
lichtstraaltje door de triestigheid der onheils-immensiteit.
Iets anders dan de humor doet dat ook: zulk een voorbijgaand
lichtstraaltje werpen. Ik breng één mijner geregelde bezoeken aan mijn
in de golven verzonken woonplaats. Wij staan--eenige zeer weinige nog
niet gevluchten en ik, die hen kom opzoeken,--op de enkele vierkante
meters grond, die een voor 't oogenblik nog droge plek vormen bij
raadhuis en kerk. Een paar kleine motorbooten houden, over de
watervlakte heen, aan op ons staanplaatsje. Het gezelschap stapt uit: de
koningin! Wij ontroeren. Wij buigen. Wij voelen, wij weten niet, wat.
Bovenal dankbaarheid.
"Waar zijn wij hier?" vraagt een zilveren stem.
"De kerk, het raadhuis, majesteit."
De koningin doorwandelt beide gebouwen. Tusschen de koeien in de kerk
stapt zij door. De verontreinigde vloer schrikt haar niet af. Bij
den preekstoel, tegenover den kerk-ingang, staat, zwaarmoedig, een
boerenpaard, dat onlangs, onbeheerd, door de golven is komen aanwaden;
de koningin klopt het verfomfaaide beest meewarig op den nek.
Voor ieder van de weinige aanwezigen heeft de koningin een woord, en zij
bewijst haar bezit van de geheime macht, om de nu wekenlang reeds zoo
mistroostige gezichten een oogenblik te laten stralen. Het komt er niet
op aan, dat een oude dorpeling haar aanspreekt met: "zijn
excellentie".... Wat is de koningin gewoon!
Zij scheept zich weer in met haar klein gevolg. Zij zegt bij het
vertrek, dat wij allen moed moeten houden, en dat zij ons niet vergeten
zal. De motors der bootjes snorren; in grauwen nevel verdwijnt de kleine
flottille op de water-oneindigheid. De grauwheid en somberheid keeren
weer over het vereenzaamd pleksken temidden van de baren. Maar er heeft,
er heeft een voorbijgaand lichtstraaltje geflonkerd!
Doch anders, donker gaan zij voorbij, de dagen, in het verdronken dorp.
Enkele vluchtelingen zijn er tijdens den watervloed heen wedergekeerd;
niet naar hun huis, weliswaar, maar naar hun graf. De ramp heeft geen
rechtstreeksche, wel echter haar indirecte slachtoffers gemaakt. De slag
is voor sommigen te zwaar geweest. Menigeen, vooral onder de ouden
van dagen, heeft, vluchtende, de hoofdstad slechts bereikt, om er te
kwijnen, en spoedig te sterven. Wij hebben hen na hun dood gebracht naar
de plaats, waar zij hebben geleefd en gearbeid; het was hun wensch. Dat
zijn aangrijpende tafereelen: zulke begrafenissen op het kleine kerkhof
midden in het golfgeklots. Over de water-onbegrensdheid komen wij
aandrijven, in een kring geschaard op een koe-schuit, de baar, met het
zwarte laken bedekt, in ons midden. Terwijl de kleine sleepboot ons
plat-gebodemd doodsschip voorttrekt, rillen wij van de koude. Ook van
het nat, waarvan de golfslag, die nu en dan over ons vaartuig vliegt,
ons weldra doet druipen. Misschien is het nog wel het meest van de
onzegbare somberheid der geheele situatie, dat wij huiveren. Door den
grijzen dampkring zoemen ons uit de verte de tonen tegemoet van de
doodsklok, die geluid wordt. Spookachtiger iets is nauw denkbaar dan
deze samenzang der begrafenisklok met het golfgerommel, welke het door
den nevel voortglijdend rouwschip begeleidt. Ginds, waar zich boven de
onmetelijke water-verlatenheid de silhouette afteekent van een kleine
menschengroep, daar is het doel van de doodenvaart. Daar staan de enkele
nog gebleven dorpsbewoners verzameld, die nagenoeg allen naar den
godsakker zijn komen roeien. Zij helpen, zwijgend en strak, ons schip
met zijn triesten last aan het hooggelegen kerkplein meren. De dragers
lichten de baar op; hun schouders schokken en hun knieën beven van
innerlijke kou. Wij volgen. Achter ons sluit zich het geringe overschot
der dorpsbevolking aan. De grafkuil opent zich op weinig schreden. De
gapende diepte ontvangt haar bewoner. Het klokgebom boven ons hoofd
en het golfgeklots aan onzen voet begroeten den vluchteling, die is
weergekomen. Nu dreunt de klok uit. Maar de golven blijven het woord
accompagneeren van den spreker bij de groeve. Dit is een oogenblik van
ijzingvolle indrukwekkendheid, nu de prediking van de vergankelijkheid
over de verwoestingswateren galmt. De prediking van de vergankelijkheid
des menschen eindigt in een verkondiging van de eeuwigheid Gods. "De
eeuwigheid Gods, amen", besluit de grafredenaar. "Amen", ruischen de
baren in het rond terug. De doodsklok mengt opnieuw haar bastonen in
het golvengezang. Wij schepen ons weer in. De doodenhof blijft eenzaam
achter, omklotst door het water. Over eenigen tijd zal het water niet
meer erom, maar erover klotsen. Dat zal den ontslapene, dien wij er
achterlaten, niet meer deren. Als van die nog hier zijn weldra ook de
allerlaatste zal moeten vluchten, hij mag blijven in de plaats, die geen
dorpeling verlaat, dan een zwaard gaande door zijn ziel.
Ach, burgers van de groote stad, en uit dien hoofde, hetzij meer,
hetzij minder, wereldburgers, zij beseffen niet, wat de vlucht uit het
voorvaderlijke dorp zegt voor het één met den ouderlijken grond zijnde
landvolk. "Het is mijn dood", hebben sommigen hunner geweeklaagd bij het
gaan. En het werd hun dood, wat menigeen aangaat. Voor enkelen werd het
erger dan de dood. Arme jongen, die niet over het verlies heen gekund
hebt van het stuksken bouwland, vaders geschenk, kort voordat de groote
vloed kwam, die het overstelpte! Zestien jaar, en: krankzinnig! Ik
wandel door het Wilhelmina-gasthuis. Opeens achter mij een wanhopige
vrouwenstem: "Dominee, dominee! Ik wil met dominee mee!" Zijt gij het,
brave, knappe huismoeder, belangstellende kerkgangster? Waanzinnig!
Opgesloten, als gevaarlijk, in de zoogenaamde "kooi"! Hoe komt dat zoo,
beste moeder Griet? "De golven, de golven gaan zoo heen en weer", gilt
de arme, "ik wil met dominee mee!" O, de watersnood heeft verwoesting
aangericht, die erger is dan de verwoesting van woningen en weiden!
Op de zolders van misschien tien huizen vind ik bewoners, wanneer ik in
mijn woonplaats mijn kleine roeiboot door de golven stuw. Ik leg aan bij
de huisdeuren. Vandaar wijst een vlonder door het overstroomde huis den
weg naar zolder- of vlieringtrap. Boven, daar zitten zij bijeengedrongen
in half-donker: vader, moeder, kinderen, huisdieren, gevleugeld en
viervoetig vee. Bedden gespreid op den zoldervloer. De atmosfeer bijna
ondragelijk. Deze menschen kunnen niet vluchten. Zij kunnen niet,
een deel hunner, dewijl de scheiding van huis en have hun _te_ zwaar
is. Nietwaar, als men er toch voor heeft gewerkt en gezwoegd, een
menschenleven lang! Zij kunnen niet, óók een deel hunner, dewijl elders
gastvrije vriend of maag hun niet zijn beschoren, geld voor een betaald
onderkomen hun ontbreekt, en het brood der barmhartigheid hun te bitter
zou smaken om het te eten.
Op een bouwvallig zoldertje zit de oude moeder alleen. Vader rust reeds
sinds jaren in het graf. Zoon en kleinzoon zijn zoo juist met de schuit
van huis gegaan. Oud moedertje is heel moedig in hun tegenwoordigheid.
Thans is zij, o, zoo mistroostig. Oud moedertje schreit op de schemerige
vliering. Ze schreit, o, zoo droevig. Wij zitten tegenover elkander.
God zit ook op het vlierinkje, zeg ik tot de oude grootmoeder. En dat
gelooft zij. En wij leggen de vier handen ineen. En terwijl wij beneden
in de woonkamer het water hooren klotsen, bidden wij op het donkere
zoldertje. Ik vertel niets van het gebed; van een zoo heilig oogenblik
moet men niet willen vertellen. Maar het gebed boven de golven, hand in
hand met oud grootmoedertje op het zoldertje, blijft mij een glanspunt
in mijn herderlijk werk. Toen ik de trap weer afklom, weende oud
moedertje nog. Maar zij weende heel anders dan toen ik kwam.
De geschiedenis van den watersnood is voor het volk, dat erdoor werd
getroffen, een geschiedenis van tranen. En als ook de toekomst die
tranen bij velen misschien nog in langen tijd niet zal drogen,...
Mogen het dan maar tranen zijn van dat andere weenen, zooals van
grootmoedertje, nadat zij in het gebed haar lot in Gods hand had
gegeven.
[Decoratieve Illustratie]
[Illustratie]