LENTE IN DE WEI.

Wie de wei liefhebben, moeten nu luisteren. Want wat hier komt, is: van

de weideheerlijkheid.

Thans moet niemand spreken van morgens en bunders en roeden. Hetgeen in

morgens en bunders en roeden wordt weergegeven, is de echte wei niet.

De echte wei is die, welke geen met het oog omvatbare grenzen heeft.

De echte wei breidt zich van den noorder-Y-oever af uit tot het

Texelsche Gat. Wat zich daar ontrolt, zijn niet bunders, maar is

onmetelijkheid van smaragden majesteit.

Hier is zeker op den scheppingsmorgen de hand van den Alvader in

een liefkoozende streeling over de aarde gegaan. Want er is geen

plooi of kreuk in heel het onafzienbare groene aardlaken; in gladde

strakgestrekenheid ligt het gespreid, zoover de blik reikt. En de zegen

des Heeren blinkt erop in lichtsparkelende weelde.

In verhouding tot deze weidewijdheid komt niet in tel wat weinigs er is

van duin en dreef, van bosch en bouw tusschen Y- en Texelstroom. Hier is

het volstrekt gebied der wei, der groote wei van Nederland.

Dit is de grond, dien de lente liefheeft. Deze bodem, die geen

bergbarricaden opwerpt tegen haar zoelte en geen boomkruinen opsteekt

tegen haar licht. De lente, als zij komt, betreedt hier haar onbetwist

koninkrijk. Geen belemmering, waardoor zij wordt gestuit op haar leven

en vroolijkheid brengende schreden.

Als de lente haar weide-koninkrijk bezoekt, het is geen grootschheid,

die haar begroet, maar àl blijheid, welke haar omjubelt; geen praal,

welke haar hulde doet, maar àl lieflijkheid, die haar de hand kust. Het

glanst, het glimt, het glundert al en al over het oneindig grastapijt,

als weerschijn van den lichtlach der binnenhuppelende lentekoningin.

Zelfs de ongure waterratten, in het riet aan den kant, spelen met

elkaar een lustig duikelspel. En opgejaagd door de beweging, die de

rattenvroolijkheid in het riet verwekt, schieten scholen stekelbaarzen

als zilvergeschitter weg van den oever, de doorzichtige poldervaart in.

De jonge lammeren maken met de ongeproportionneerde pooten hun houterige

sprongen over de greppels. Telkens over de greppels, en dan weer terug

naar het moederschaap, dat in wijsgeerige bespiegeling den wonderen

invloed der lente op de vruchten haars schoots gadeslaat en overpeinst.

* * * * *

Hillie van den boer, met haar twintig jaar en blij meisjeshart, weet van

geen bespiegeling en van geen wijsbegeerte. Zij lacht met ver klinkenden

lach om de oolijke springprestaties der schapekinderen. En als gij niet

zaagt, dat het Hillie is, die aan komt trippen, kondt ge denken, dat

ergens een misklokje begon te bengelen, want daarnaar gelijkt haar

heldere lach. Hillie, met haar zonneblonde krullokken, met haar

madelieven-oogen, met haar appelbloesem-wangen, zou best de lentefee

kunnen zijn, de lentefee op gele klompjes.

Maar dat is zij toch niet. Zij is eigenlijk ook een schapemoeder. Zij

oefent de moederzorg uit over het lammetje, dat door zijn echte moeder

verstooten is. Hoe kan zoo'n schaapmoeder nu zoo'n teer lammerkind

verstooten! Hillie steekt aan haar potlam, dat op zijn menschmoedertje

komt afspringen, de gevulde melkflesch met de zuigspeen toe. Dat zabbert

nu aan de speen met vooruitgestoken lipjes en ingetrokken kaakjes, en de

melk borrelt in de flesch en klokklokt door het lammer-keelgat.

* * * * *

Lente in de wei! In Neerlands wijde wei, die de uren bij uren lange

zilverstreep van het Kanaal in tweeën deelt! Het Groot Noord-Hollandsch

Kanaal! De Pison, de Gihon, de Hiddekel en de Frath van het

Noord-Hollandsche weideparadijs, deze vier in één bedding!

Wel wat nuchter, het rechtgelijnde en scherpgehoekte Kanaal! Een wel wat

bonkige en knokige remplaçant van de lenige en soepele riviernymfen, die

in andere natuur-edens het landschap beheerschen! Maar zooals het is,

zoo behoort het bij het volk, dat leeft aan zijn boorden. Ook dat volk

recht en rechthoekig van levensopvatting en levenswijs, en nuchter

gelijk een waterpaslijn van vlakheid en rechtuitheid.

Door alle poëzie moet naar onze behoefte een streep proza loopen.

De prozastreep hebben wij noodig, om ons daardoor temidden der

poëzie-onberekenbaarheden steeds aan de werkelijkheid te kunnen blijven

orienteeren. Want de werkelijkheid is dan toch de werkelijkheid; en wat

mooi is, zooals de poëzie, is.... Toch maar mooiïgheid! Zóó voelen wij

het in Noord-Holland. Welnu, voor onze onontbeerlijke prozastreep door

der weide lentepoëzie heen zorgt op allergelukkigste wijze, en als

treffend afbeeldsel van onzen gemoedsaard, ons rechtgelijnde en

scherpgehoekte Groot Noord-Hollandsch Kanaal.

* * * * *

De spreeuwen zijn onze lenteboden.

Zij komen ons de voorjaarskonde toepiepen, met minder omhaal en uithaal,

doch niet minder duidelijk, dan elders de leeuweriken haar vermelden.

Zij doorspikkelen, met legioenen neergestreken in de lentewei, het

schitterend groene vlak van schitterend zwarte noppen, als duizend en

duizend gitkralen, wijd uitgestrooid door een gebroken

reuzinne-halssnoer.

Tusschen de spreeuwenlegioenen zijn de musschen, met de drukte van

straatgepeupel, en de merels, met de gemaaktheid van artisten, aan het

sleepen voor haar nesten. En Hillie, die haar moederplicht jegens het

lammerkind volbracht heeft, ziet het, voordat zij den terugweg

aanvaardt, een tijdlang aan. De musschen en de merels brengen Hillie op

de gedachte, dat het eigen nestje te bouwen een gepast en bekoorlijk

werk is in de lente. Hillie wendt de oogen van de musschen en de merels

af naar heel in de verte, waar een zwart iets zich gestadig op- en

neerbeweegt. Zij weet, dat het Maarten is, die ginds, op wel meer dan

een kwartier afstands, met de spade molshoopen platslaat. Ook daar, waar

Maarten staat, zijn de musschen en de merels aan het sleepen, en zij

hebben aan hem, terwijl hij de molshoopen slecht, al gelijksoortige

gedachten als aan Hillie in het hoofd gejaagd. En dan heeft hij, op zijn

beurt, reeds menigen keer uitgetuurd naar den kant, waar hij weet, dat

Hillie het potlam voedt. Dat komt er ook van, als het lente is in de

wei.

* * * * *

Ons voorjaarslandschap, zietdaar wél schoonheid. Niet de schoonheid der

ontroerende pracht, maar de schoonheid der schaterlachende vreugde.

Menig ander oord heeft schoons, dat wij in Noord-Holland derven. Doch

dit hebben wij: te ademen in het land van licht en ruimte.

Is het wonder, dat licht en ruimte hun merk hebben gezet ook op de

geaardheid en gezindheden der bewoners van Noord-Hollands stralende

wei-oneindigheid? In het rond àl licht en ruimte, hoe zou daarmee nu

kunnen samenwonen dompigheid en engheid in het binnenste?

Neen, gelijk overal, zoo weerspiegelt zich ook in Noord-Holland de

natuur in den gemoedsaard harer kinderen. Wijd en breed als de

Noord-Hollandsche horizon is ook de Noord-Hollandsche geestesblik. Het

begrensde en peuterige, het benepene en bekrompene op geestelijk gebied

is den Noord-Hollander vreemder dan eenig ding, en ge wint hem daar

niet voor, wat gij ook moogt in het werk stellen van drijfziek dwepen

of dweepziek drijven. De Noord-Hollander ziet u aan, hoort u aan,

weerspreekt u niet, maar verstaat u ook niet. Zij, die, gewichtig doend

met nesterijen, elkander deswege aanbrieschen en plukharen in staat of

kerk, ontlokken hem zelden een oordeel, vóór zoomin als tegen, doch in

den regel enkel een kostelijke gezichtsvertrekking van trage verbazing.

En tracht haarkloverige dialectiek zich uit alle macht aan hem op te

dringen, hij laat zich niet opwinden, hetzij tot een geestdriftvol "ja"

knikken, hetzij tot een verontwaardigd "neen" schudden, maar geeuwt,

met, o, welk een grooten en, o, welk een gezonden geeuw. Het is

vertwijfelingswerk, het pogen, hem mee te krijgen in welke futiele en

knutselige geestesstrooming ook. Hij mist het orgaan voor de bevatting

van het mokkerige en hokkerige. En hij kan dat niet helpen, hij, het

kind van het licht en de ruimte der wei.

* * * * *

Wees ermee gefeliciteerd, duizendmalen, gij, Noord-Hollands breedvoelend

weidevolk! Zoo verknocht aan licht en ruimte, aldus zijn de

Noord-Hollandsche harten voorbeschikt tot groei- en bloeiplaatsen voor

het evangelie van des Vaders groote liefde: dat evangelie een blijmaar

van licht en ruimte bovenal.

Aan dit evangelie, het schaduwloos lichte en grenzenloos ruime,

schept Noord-Hollands licht- en ruimtemin het hoopvolst vooruitzicht.

De boodschap van de liefde in Christus heeft slechts noodig, aan het

Noord-Hollandsche volk als waarlijk licht en ruimte bewust te worden,

om het wat het naar voorbeschiktheid is ook te doen worden in

werkelijkheid: een volk van wijdhartige kinderen Gods.

Dan wordt het groot-lente in de wei.

* * * * *

Dan staart buurman Bastiaan niet meer met hetzelfde oog als nu uit over

het groene veld. Thans hangt hij met bei zijn ellebogen over het koehek,

en terwijl het lichtgespeel der voorjaarszon het blauw van zijn kiel

tint alsof een stuk van den blauwen lentehemel over zijn schouders

ware gevallen, verkeeren zijn gepeinzen daarentegen heel laag op de

aarde. Bas-buur rekent rekensommen uit; daaraan blijft u geen twijfel

over bij een blik op zijn zeer sluw aanschijn. Bas-buur bouwt op de

lentebeloften, die door de lucht ruischen, gedachte-kasteelen van hoog

opgestapeld hooi en verbeeldingsvoorspiegelingen omtrent golvende zeeën

van melk. Dat is de gemoedsinwerking, welke buur Bastiaan van het

stralend tafereel der lente in de wei ondervindt, en, met hem, menige

andere buurman, die, als hij, op een lentedag met de ellebogen over een

koehek hangt.

En wie heeft daar nu iets tegen? Rekensommen uitrekenen is, voorwaar,

een zeer nut bedrijf voor den mensch in diens leven.

Maar als het nu groot-lente des evangelies wordt in Noord-Hollands

weidedreven, dan zullen Bas-buur en al de verdere buren hun

uitrekeningen óók gronden op de beloften, die _deze_ lente hun

toefluistert, en het totaal dier berekeningen in den hemel geschreven

zien staan.

Die berekeningen zijn nog veel meer waard, om er een sluw gezicht bij te

zetten, o, buurman Bastiaan!

[Decoratieve Illustratie]

[Illustratie]

Bij ons in Noord-Holland · 第 19 / 55 题