Zwart is het in den kuil. Boven den kuil is het grauw van den mist.
De grafteekens, op wat wijdsch "de begraafplaats" heet geschaard om de
twee zijmuren en den achtermuur der kerk heen, doen zich in den dichten
nevel voor als grillig gevormde dwergschaduwen.
De vochtige damp dempt het klokgebom, dat uit den kerktoren klinkt. Een
barst in de luidbel mengt onder het gebom een regelmatig terugkeerenden
wanklank, die aan een knarsenden wanhoopskreet doet denken.
Tegen den kerkmuur opkruipend, hult de mist den toren in
onzichtbaarheid. Het begrafenisgebengel wordt over den omtrek
uitgestrooid als uit een geheimzinnige hoogte.
Naast den kuil staat de doodgraver. Hij steunt met de rechterhand
op zijn spade. De linkerhand houdt hij boven de oogen, om, zoover de
nevel toelaat, den weg af te turen. Hij ziet uit, of men nog niet in
aantocht is met den inhoud voor de ruimte, die hij gespit heeft in de
moederaarde. De doodgraver huivert in de kille vochtigheid. Hij verbeidt
den inhoud voor zijn kuil met ongeduld.
Grauw is het ook op den weg, dien de doodgraver aftuurt. En grauw over
het weiland, dat zich nevens den weg schijnbaar eindeloos uitstrekt.
Niets dan heel een wereld van doffe grauwheid. Slechts de vaart langs
den weg trekt door al het grauw een spoor van zwart. Daar boven de vaart
is het zwart en hier in den kuil is het zwart. En al het andere is
grauw.
In de verte komt door den donkeren mist heen een nog donkerder nevel
over den weg aankronkelen.
Hij nadert traag.
De aankronkelende wolk scheidt zich langzaam in afzonderlijke figuren.
Een groote, massieve figuur vooraan; daarachter in een rij smalle, lange
nevelgestalten.
Dichtbij het kerkhof nemen de nevelgedaanten stoffelijkheid aan. Aan
haar hoofd acht mannen, die, vier achter vier, tusschen zich in op de
schouders een last dragen, welke bedekt is met een zwart laken. In het
gevolg andere mannen, twee in het gelid, die met sloffenden tred en
gekromden rug den vooruitgedragen last achterna wandelen.
De natte mist heeft de wenkbrauwen en de baarden der mannen met
glinsterende parels versierd.
Het hoofd van ieder hunner is gedekt met den hoogen begrafenishoed,
elke dier hoeden op zichzelf en al die hoeden tezamen een zwijgende
verkondiging van het voorbijgaan op dit ondermaansche. Want elk der op
elkander gevolgde tijdperken van een menschengeslacht wordt door één
of meer der hoeden vertegenwoordigd. Bovendien verzinnebeeldt menige
plaatselijke kaalte op onderscheidene der hoofddeksels treffend "den
tand des tijds." Tevens doen vele der hoeden in hun afwisselenden stand,
de eene tot over het voorhoofd, de andere slechts op de kruin des
dragers, de indrukwekkende prediking verstaan, welke tot thema heeft:
"geleend goed". Zoover dus misschien niet al de lijkvolgers de
toepassing van hun plechtige taak dezes oogenbliks in het hart mochten
dragen, dragen toch meerdere hunner haar althans beteekenisvol op het
hoofd.
Zwaar sleept zich de optocht door de kerkhof-poort naar den kuil.
Daar laten de vooraangaanden behoedzaam hun last van de schouders
glijden, en zetten met een onderdrukten zucht van verlichting de baar
neer naast het graf. Nu houden vier van het achttal twee kabeltouwen in
een zwakke bocht dwars over de breedte van den kuil. De vier anderen
plaatsen de doodkist, ontdaan van het lijklaken en afgelicht van de
baar, in de dubbele bocht.
De glanzende kist en het nikkel der schroeven en handvatsels slaan dof
aan van den mist.
De touwen worden gevierd. Men hoort ze schuren door de lederharde
handpalmen der vier mannen aan weerszijden op den grafrand.
Statig zinkt de kist het ondoorzichtelijke zwart in.
De doodgraver laat een ijzeren haak aan langen stok in den kuil dalen,
om de kist een weinig op te lichten van den bodem. Een snerpen als van
een lang aangehouden =r= klinkt uit de donkere diepte op: de touwen
worden onder de kist door uit den kuil gesjord.
Ook trekt de doodgraver zijn haak terug.
Het stof binnen de planken woning ligt thans in de roerlooze rust der
afwachting van den eeuwigen dag.
De taak der dienstdoeners is af; zij treden terug van de groeve.
De lijkvolgers sloffen één voor één naar het graf, werpen over den kant
een blik in den nacht daar omlaag, en keeren weer tot hun vroegere
plaatsen rondom den grafkuil.
Iemand in een deftige jas en met een welwillend gezicht neemt, zich
naast den kuil opstellend, den hoed in de hand. Allen ontblooten het
hoofd.
Omhoog sterft het klokgebom met den wanhoopskreet weg.
De klokluider komt in den deurpost van het kerkportaal staan.
Die nevens den kuil vangt een rede aan. Hij begint met te zeggen, dat de
ter aarde bestelde altoos ongerept van deugd geweest is, en onverpoosd
zijn plicht heeft gedaan. Nog verdere zeer hartelijke uitspraken omtrent
den begravene voegt de redenaar hierbij.
Eén der mannen rondom den kuil laat instemmend het hoofd op- en
neergaan. Eén drukt de punt van een gekleurden zakdoek om beurte
in elken der beide ooghoeken. Drie lezen de namen en datums op de
aangrenzende graven. Twee ademen zich den binnenkant der handen warm.
Eén strijkt een ruwte van zijn hoofddeksel glad. Eén tracht met
vruchtelooze volharding uit het zijne een deuk weg te drukken. Drie
nemen met peinzend opwaarts geslagen blikken het kerkdak waar.
De spreker besluit met de mededeeling, dat de ziel des begravenen thans
een engel in den hemel is, hieraan nog de bizonderheid toevoegende, dat
het in den hemel nimmer mist, doch dat aldaar steeds de zon schijnt.
Na dit gezegd te hebben, dekt hij zich weder het hoofd. Aldus doen ook
de overigen. De rouwdragers herstellen hun stoet. Ieder op de plaats
zijner volgorde, schuifelen zij weg van den doodenhof.
De klokluider zegt tot den doodgraver, juist op tijd om nog door den
grafredenaar verstaan te worden, dat de dominee het weer "mooi gemaakt"
heeft.
De doodgraver antwoordt, juist op tijd om niet meer door den dominee
te worden verstaan, dat hij niets gehoord heeft over de menschelijke
verdorvenheid door de zonde, en van het oordeel Gods, en omtrent
Christus. De doodgraver is "van den stijvigen kant."
De klokluider herneemt, dat hij niet zooveel verstand heeft als de
doodgraver, en gaat nog eenige laatste rukken aan het klokketouw doen.
De terugwandelende begrafenisstoet schemert ginds weg in de
mist-grauwte.
De klokluider sluit, terwijl de torenbel langzaam uitbengelt, de
kerkdeuren, en verlaat het terrein der handeling.
Boven het open graf verschijnt een zachte lichtgloed, die een mat
aureool in den zwaren mist uitstraalt. De doodgraver heeft een lucifer
aangestreken, om zijn pijpje in brand te puffen, voordat hij zich aan
het werk der demping van den grafkuil begeeft. De doodgraver blaast
tegen den lucifer, en de effen grauwheid keert terug boven het graf.
Bij de laatste dagschemering werpt de doodgraver den laatsten schop
aarde in den kuil. Tot slot klopt hij zijn uitgebrand pijpje leeg op
het graf. Nu trekt hij, zijn spade onder den arm, henen, en schuift
vanbuiten den grendel voor het kerkhof-hek.
Achter den rug van den doodgraver sluipt de vroeg komende nacht het
kerkhof op. De nacht spreidt over alles éen in-zwart rouwlaken.
In den zwarten nacht gaat de mist over in dichten, vetten motregen.
De nachtelijke uren schrijden voort; maar de motregen blijft.
Uit een lek in de kerkdak-goot ploft een allengs aangezwollen
regendruppel eindelijk neer op het versch-gesloten graf.
Een zwarte kat gluipt, opgeschrikt, van het graf weg, en verdwijnt in
den nacht.
Onder het lek in de goot vormt zich een plas op het graf. De druppels,
die regelmatig in den plas vallen, verbreken met eentonig getik de
nachtelijke kerkhof-stilte.
Daarbeneden ligt de begraven man zoo strak-onbewegelijk, dat gij, zoo
gij het vermocht te zien en bijgeloovig waart, kondt denken, dat hij
ingespannen naar het tikken luisterde en de vallende druppels telde.
Verder is er niets van te zeggen.
Gestorven is gestorven, en begraven is begraven. En het lekken uit de
dakgoot zal wel eindigen, wanneer de motregen ophoudt.
[Decoratieve Illustratie]
[Illustratie]