DE MYSTIEKE KNOBBEL.

_De leergrage knaap_ sprak: "Meester, wat is mystiek?"

_De meester_: "Geen vraag voor kinderen!"

_De leergrage knaap_: "Meester, vader vraagt het ook."

_De meester_: "Mystiek is een zelfstandig naamwoord; het is ook een

bijvoegelijk naamwoord."

_De leergrage knaap_: "Meester, wat _is_ het?"

_De meester_: "Mystiek is Fransch."

_De leergrage knaap_: "Meester, wat beteekent het?"

_De meester_: "Morgenochtend nogeens vragen!"

_De leergrage knaap_, den anderen ochtend: "Meester, wat is mystiek?"

_De meester_: "Mystiek is Grieksch. Het woord beteekent zooveel als:

"geheimzinnig." Mystiek is: het zich bewegen met het gemoedsleven in

geestelijke verborgenheden. Daartoe aanleg en neiging hebben is: mystiek

zijn."

_De leergrage knaap_: "Meester, ben ik mystiek?"

_De meester_: "Neen."

_De leergrage knaap_: "Meester, is vader mystiek?"

_De meester_: "Neen, hier bij ons zijn de menschen niet mystiek."

_De leergrage knaap_: "Meester, waar dan?"

_De meester_: "Aan den anderen kant van het Noordzee-Kanaal."

Deze onderwijzer van de jeugd had in alwat hij zeide gelijk, zooals

zulks plegen die van dit ambt zijn. Behalve in de laatste dingen, die

de meester zei. Het Noordzee-Kanaal namelijk neemt volstrekt niet die

plaats in de mystiek in, welke de meester eraan toekende.

Ook de bewoner van het deeltje wereld benoorden het Noordzee-Kanaal

is geenszins verstoken van den mystieken knobbel. Men moet den

Noord-Hollander--dat is waar--met vrij fijn ontwikkelden tastzin

bevoelen, om dien knobbel te constateeren. Hij staat daar door de

gangbare meening nu eenmaal gestempeld als stof-mensch van onvermengden

bloede. En het is een iegelijk bekend, dat "de gangbare meening"

als een zeer statige, maar ook zeer stijfhoofdige jonkvrouwe in ons

midden rondwandelt. Voorts ook, dat deze jonkvrouw met de gansch

niet onjonkvrouwelijke eigenschap der oppervlakkigheid mildelijk is

begiftigd. Welnu, de Noord-Hollander, bij algemeene overeenkomst tot

louter in het uiterlijke en stoffelijke levend wezen verklaard, is

van deze oppervlakkigheid der gangbare meening het zeer verongelijkte

slachtoffer!

Slachtoffer, intusschen, door eigen toedoen, ja, eigen wil.

Want onder hen, die de vlakke velden boven het Y tot bizonder gebied van

het materialisme proclameeren, staat de bewoner daarvan zelf vooraan.

Alleenlijk, dit oordeel, dat op de lippen aller anderen misprijzen

beduidt, spreekt hij uit met zelfbehagen. De Noord-Hollander in diens

bewustzijn van glorie en victorie is: de Noord-Hollander, met breeden

lach uitgalmend, dat hij zich houdt aan de "natuur," en op alwat niet

"natuurlijk" is "een kijkje heeft." Aldus onze burger- of boerenman

onder zijn kornuiten. In aanwezigheid van dezen of dien "geleerden

heer" met bovenzinnelijke aspiraties is hij gewikst genoeg, zich

wat minder bloot te geven, en--min luidruchtig, schoon niet min

welsprekend,--door enkel een scheeven mond te trekken te getuigen van

zijn welverzekerdheid, dat alles hetzij klinkklare "natuur," hetzij

klinkklare onzin is.

En dus, gij zoudt een onbillijk mensch moeten zijn, om er de

buitenstaanders hard over te vallen, dat zij den Noord-Hollander

beschouwen zooals hij immers zelf beschouwd worden wil. Maar

desalniettemin, de Noord-Hollander moge dan in den regel zelf roem

dragen op zijn uitsluitend stoffelijkheidsgeloof, zeker geestelijk

leven, hij heeft het en hij leeft het nochtans. En zoo hij doet, alsof

dit niet aldus ware, het is, omdat hij zich dit innerlijke leven

schaamt.

En ik zal niet zeggen, dat hij geen reden heeft, het zich te schamen.

Indien hij het angstvallig verborgen houdt, heeft hij daartoe inderdaad

ongeveer denzelfden grond als degene, die, bijvoorbeeld, een krom en

verdraaid gegroeiden vinger voor de blikken van anderen zooveel mogelijk

wegstopt.

Derhalve, laat het onder ons blijven, wat ik u influister, wilt ge?

Onder dit beding zij u toevertrouwd, dat wij bij ons voortreffelijk het

adres van de waarzegster weten. Dit is een connectie, die daarom nu niet

juist aan de groote klok behoeft te worden gehangen. Maar zoo is een

mensch niet, of hij heeft toch weleens behoefte aan voorlichting. En

als in zulke omstandigheden moeder dan eens op beraad met de wijze

juffrouw in de stad uitgaat, ziet, zoo keert zij menigmaal met een schat

van vertroosting en bemoediging voor al de haren terug in den schoot

des gezins. En daarna kunnen wij dan weder uit verruimde borst jubelen,

dat wij ons houden aan de "natuur," en van wat niet uit de "natuur"

te verklaren is niets moeten hebben. Laatst nog is peet Duurtje om

helderheid bij de waarzegster geweest, toen de pacht van de boerderij

ten einde liep, en oom Ab met het heerschap niet tot overeenstemming was

kunnen komen omtrent vernieuwing van de huur. En gij weet toch, hoe

schaarsch tegenwoordig de pachtplaatsen zijn, en hoe duur. Oom Ab had

dus alle reden, om peet Duurtje eens op overleg met de waarzegster uit

te zenden aangaande de vraag, wat de naaste toekomst hun en den hunnen

baren zou. Moet ge hooren, met welk verblijdend bescheid peet in

den huiselijken kring mocht wederkeeren! De waarzegster had, in de

doorzichtigheid van haar koffiedik, aan een driesprong een ijzeren

draaihek gezien, dat tot den oprit naar een kapitale boerenwoning

toegang gaf. En door hetzelve draaihek had zij oom Ab en peet Duur en de

kinderen, alsmede de melkmeid, uit- en ingaande aanschouwd. Oom en peet

mochten dus onbezorgd zijn; aan een nieuwe plaats zou het hun, na het

vertrek van de oude, geenszins ontbreken. Zoo is het geschied ook. Wel

niet dat van den driesprong--hun nieuwe huurplaats stond in het geheel

aan geen sprong--; ook niet zoozeer dat van het ijzeren draaihek--zij

kwamen te wonen en te boeren onder aan een polderdijk--; maar dat doet

er niet toe. Oom Ab en peet Duur hadden bijtijds een andere boerderij,

naar het woord der waarzegster, hetwelk deze tot peet gesproken had.

Met zulke voorbeelden voor oogen, wie zou nu nog aan allerlei

onredelijke godsdienst-femelarij hechten, en zich niet bepalen tot de

loutere en simpele "natuur"?

Tenminste... behoudens den verholen mystieken knobbel!

Over dien knobbel heb ik onzen dokter ondervraagd. De dokter heeft mij

van de mystieke vereering van het "fleschje goed" verhaald.

De dokter vond, dat hij reden had, om jaloersch te zijn op zijn

fleschjes medicijn. "Dat schijnt u raar," zei de geneesmeester.

Ik gaf toe, dat het mij zoo scheen.

Maar het was niet raar. Want in menig ziekvertrek is het fleschje

medicijn, in plaats van des dokters instrument, des dokters concurrent.

De dokter wordt onontbeerlijk gevonden, om het "fleschje goed" tot

aanzijn te doen komen; maar waar het "fleschje goed" slechts op den

schoorsteenmantel troont, wordt de dokter verder vrij ontbeerlijk

geacht. Gerustelijk beperke de lichaamsarts zijn bezoeken; doch dat

het "fleschje goed," al ware het voor nog zoo korten tijd, afwezig is,

zietdaar iets onduldbaars. Niet in het beleid des heelmeesters, maar in

de geheimzinnige werking van het "fleschje goed" is des kranken heil.

De flesch met gekleurd vocht--kleurlooze medicijndrank lijdt onder

geringschatting--staat daar in de ziekenkamer als de fetisch in den

heidentempel; de blik, daarop geslagen, is voor den patient en voor die

hem omringen van wonderbare vertroosting. En de ijlbode van het ziekbed,

die aan des dokters deur komt bellen, wordt in veel meer gevallen dan om

des geneesheers persoon om diens "fleschje goed" haastiglijk tot hem

uitgezonden.

Nadat de dokter mij hierover en over nog meer dergelijks een poos

leerrijk en aangenaam had bezig gehouden, heb ik omtrent den knobbel,

waarover wij hier handelen, tot onzen dominee een ondervraging gericht.

Die vertelde mij van zijn bidden bij stervenden.

Hij zeide, dat hij in dit deel zijner ambtsuitoefening wel het minst had

te klagen over gebrek aan opprijsstelling. Ook in den onverschilligsten

kring rondom de sponde eens zieltogenden oogst hij er meermalen

dankbaarheid door in. Met het gebed van den dominee bij het sterfbed

acht men thans alles ten aanzien van den uitgang des ontslapenden

geregeld. Met het gebed van den dominee... Legt op "dominee," verzoek ik

u, den nadruk! Het gebed van een ander zou "fijnigheid" zijn, waarvan

men in dezen kring niet gediend ware, "niks niet ook niet." Bevoorrecht

evenwel de doode--waarom bevoorrecht, zietdaar een der dingen, die zwaar

zijn om uit te spreken,--voor wien "dominee nog gebid heeft!" Want

waaraan wij bij een sterfbed schier allen nog gelooven, is: niet de

kracht des gebeds, maar: de kracht des dominees.

Bij ons in Noord-Holland · 第 14 / 55 题