Er waren eenige weken heengegaan en Piet had ten slotte de vereischte
toestemming van zijn Ouders verkregen en ook reeds een antwoord van
Jacob ontvangen, waarin deze hem vol blijdschap meedeelde, dat het
huis van den heer Wortelman voor hem openstond.
Twee van de vijf weekbladen, welken Piet zijn werk aangeboden had,
namen zijn aanbod aan en sloten ieder een contract met hem.
Sinds zijn eerste bezoek bij de familie Voorschoten was Pietje er
nog tweemalen geweest, maar had op beide visite's niets te zien of
te hooren gekregen van de zwarte oogen en de "Millions d'Arlequin",
maar hij vond het toch vanzelfsprekend, om voor zijn vertrek de
familie nog eens te gaan bezoeken.
Dit deed hij op een avond, dat zijn vriend Flip toch niet thuis was.
En ditmaal vond hij de familie weer voltallig.
Bella was niet uit, en zelfs was er nog iemand... een bedeesde
jonkman... witblond van haar en angstig-fijn gekleed, met geurende
haren en rose vingers... Dit plakplaatje werd aan Piet voorgesteld
als... de aanstaande van Bella.
Piet drukte den nieuwen kennis stevig de hand, waarop deze bijna
flauwviel. En vanaf dat oogenblik vond Piet de zwarte oogen lang niet
zoo aardig meer.
Nadat ze zoo een poosje rustig bijeen gezeten hadden, kwam Pietje
met het groote nieuws voor den dag.
"De reden, waarom ik eigenlijk vanavond hier ben," begon hij, "is om
afscheid van u te nemen."
"Afscheid?" riep Bella op verbaasden toon uit.
"Afscheid?" herhaalde haar vader.
"Ik ga namelijk naar Amerika," zei Piet.
"Wat... jij ook al?" vroeg de heer Voorschoten.
"Ik ook al?... Wie dan nog meer?"
"Wel, pa gaat ook," zei Bella lachend.
"Ja," vertelde de juwelier, "eens per jaar ga ik naar New York voor
zaken en keer dan meestal na eenige weken terug. En wat is de reden
van jouw reis, Piet?"
Piet lachte eens en zei:
"Ik werk voor de bladen... heb een paar goede contracten... ik houd
wel van werken, maar ik wil vrij zijn."
"Je hebt hier anders een goede positie, Piet," bracht Mevrouw in
het midden.
"O ja, mevrouw, heel goed... maar, ziet u... ik kan veel meer,
veel beter doen.... Ik houd van vertellen... en dat vertellen doe
ik het liefste met m'n pen. Maar om wat te vertellen, moet je wat
beleven... en hier beleef ik niets... hier zie ik altijd weer dezelfde
stad met dezelfde gezichten... gebeuren iederen dag weer dezelfde
dingen... en de wereld is zoo groot, mevrouw, zoo rijk aan stof voor
vertellen... en nu ga ik er mijn werk van maken... om de menschen
te vertellen van alles, wat er in die groote wereld gebeurt. En dan
ook zal ik vrij zijn, echt vrij om te gaan naar iedere stad... ieder
land... ieder werelddeel..."
"'t Is toch gewaagd ..." meende Mevrouw.
"Piets leven is heelemaal een waagstuk," lachte de heer Voorschoten,
"maar ik heb vertrouwen in zijn onderneming."
"Piet is een idealist," zei Bella, en zich tot den jonkman aan haar
zijde wendend, vroeg ze: "Zou je daar ook geen lust in hebben, Teddy?"
"Ik ... o neen ..." lispelde het plakplaatje, "ik blijf bij mama."
"Piet," sprak de juwelier, "kom even op mijn kamer, ik zal je wat
diamanten laten zien."
Piet volgde hem en, op de kamer aangekomen, zei de heer Voorschoten:
"Luister, Piet, dat van die diamanten was maar een voorwendsel. Ik
wou je vragen, met mij samen te gaan naar New-York. We kunnen samen
een hut nemen, en ..."
"Maar, mijnheer, U reist waarschijnlijk eerste klasse, terwijl voor mij
de tweede goed genoeg is ... u begrijpt ... dat ik ... nog niet ..."
"Ssssst ... je gaat mee als mijn vriend ... desnoods als mijn
privé-detective ... ik heb voor een kapitaal aan diamanten bij
me. Natuurlijk betaal ik je overtocht, dat is mijn belang, en ook,
omdat ik meen, nog wel eenige verplichting aan je te hebben. Laat mij
nu een oude rekening met je vereffenen, waarde vriend. Bewaar het geld,
dat je al voor de reis bij elkaar had en voeg het bij het honorarium,
dat ik je bij aankomst in New-York zal overhandigen."
"Maar ..."
"Piet, nu geen maren of tegenwerpingen. Je weigering zou je mijn
vriendschap kosten. Het is dus besloten!"
Piet had van pure blijdschap den heer Voorschoten wel om den hals
willen vliegen, maar bepaalde zich er toe, hem zéér stijf de hand te
drukken, waarop de juwelier met pijnlijken blik naar zijn vingers keek.
Dien avond werd afgesproken, dat ze zouden vertrekken over veertien
dagen met de "Nieuw Amsterdam" en na allen hartelijk gegroet te hebben,
begaf Piet zich weer naar zijn kamer, zoo gelukkig als een jongen,
die zijn levensweg pas goed gaat betreden en zijn ideaal als een
gouden zon voor zich ziet opgaan.
Vader en Moeder Bell waren uit Hilversum overgekomen, om hun jongen
uitgeleide te doen en ook de Vroolijke Bende was compleet. Wie geen
vrij had, had vrijaf gevraagd en zoo was het een heele drukte op
Piets kamer.
Piet had zijn koffers reeds verzonden en alleen een kleine city-bag
mee te nemen.
Het was Zaterdagmorgen en een heldere Julizon vroolijkte de stad op.
Het heele gezelschap nam de tram naar de Boompjes en voor het laatst
reed Piet door de Rotterdamsche straten, waar als gewoonlijk de
draaiorgels gehoord werden. En onwillekeurig dacht Pietje aan zijn
kinderjaren in deze stad, aan den tijd, toen hij iedereen helpen wou,
wat altijd op een pak rammel uitliep. Hij zag de oude Breestraat weer
in gedachten voor zich en de bescheiden schoenmakerij van zijn vader,
hij hoorde hem het leer bekloppen, terwijl Vader altijd weer een schoon
lied zong, bijvoorbeeld: "Trek maar aan het touwtje" of "O Susanna!"
Vader en Moeder waren een beetje stil, maar de club maakte des te
meer lawaai in de open tram.
Oude herinneringen van de Vroolijke Bende werden nog eens opgehaald,
opnieuw werd er gelachen om de kostelijke avonturen uit den heerlijken
tijd, dien ze achter den rug hadden.
Van de Westerkade bracht een stoombootje hen naar het terrein van de
Amerikaansche boot.
Het was een beetje winderig op het water, dat was wel lekker frisch.
Maar een steviger bries greep Eduard Pijpers' hoedje, en rrrrt ... ging
het overboord.
"Ooo ... m'n hoed ... m'n hoed vélt in 't wéter, zég!!" gilde hij.
De Bende gierde en 't hoedje dreef snel op de Maasgolven weg.
"Hee, képtein!! képtein!!!" schreeuwde Eetje. "Wil je ésjeblieft m'n
hoed hélen."
"Haal 'm zelf!" bromde de man en stuurde onverstoord naar den overkant.
De Nieuw-Amsterdam, kolossaal zeekasteel van de Holland-Amerika-Lijn,
lag aan de kade onder stoom.
"'k Zou best meewillen, Piet," zei Mien Kuijer.
"En ik," vond Flip.
Ja, ze vonden het eigenlijk allemaal, maar wat ze wel het
aller-àllernaarste van de heele zaak vonden, dat was dat ze Piet
gingen verliezen, de ziel van de Vroolijke Bende. Jacob, die altijd
de leiding had gehad, waren ze ook al kwijt, en nou Piet weer. Op
die manier bleef er niets meer van de club over.
"Hoor eens, luidjes," zei Piet. "Mijn vertrek mag de club niet uiteen
doen vallen. Blijft bij mekaar, jongens, blijft bij mekaar. Bekijk
de dingen altijd van den besten kant en ga nou niet onverschillig
worden en elkaar loslaten. De club moet blijven bestaan en nieuwe
leden moeten er weer bij komen. Als je je gedrukt voelt, probeer dan
eens een deuntje te zingen of te fluiten, wat zegt u, vader?"
"Zeker, jongen, altijd maar vroolijk zijn," zei Vader, een traan uit
zijn oog wegpinkend.
Toen betraden ze het terrein van de booten en werden na verkregen
toestemming toegelaten.
Daar ontmoette Piet den heer Voorschoten, die druk bezig was met het
regelen zijner bagage.
Allen mochten op de boot komen en toen ze de weelderige inrichting
van de eerste klasse zagen, riepen ze vol bewondering:
"Maar Piet, je gaat op reis als een koning!"
In den salon bleven ze nog even praten ... trokken vader en moeder
Piet even terzijde.
"Jongen," zei Moeder, "heb je nou heusch wel alles? En je geld,
is dat veilig? En heb je 'n zakdoek ... en je zeep ... en ... en
... zal je gauw eens overkomen, jongen, en veel, héél veel schrijven?"
De zware stoomfluit dreunde ...
"Van boord!!"
Piet omhelsde zijn ouders die tranen in de oogen hadden.
Toen kwam de club aan de beurt.
Alle vrienden drukten Piet hartelijk de hand en--was het afspraak
of toeval--eerst Marie van Zanten, toen Alida Specht, toen Jannetje
de Boog en ten slotte Mien Kuijer (die deed er 't langst over) die
allen gaven Piet een klinkenden zoen op beide wangen.
De heer Voorschoten beloofde aan Vader en Moeder een oogje op Piet
te houden en daarna verlieten ze met de jonge vrienden de boot.
Ten tweeden male dreunde de stoomfluit ... de bruggen werden
ingetrokken ... de kabels losgegooid.
En langzaam dreef de kolossale stoomer de rivier op.
Piet en zijn geleider stonden op het dek, wuifden naar den wal.
De Vroolijke Bende wuifde terug en Piet hoorde hen nog van verre
roepen:
"Dag Piet!!!"
Drie sleepbooten trokken den geweldigen zeekolos naar het midden der
rivier, daar lieten ze hem los en met eigen kracht begon de Nieuw
Amsterdam zich voort te bewegen.
Kleiner en kleiner werden de figuren aan den wal.
En allen wuifden, wuifden maar met hoeden en zakdoeken.
Piet voelde een prop in de keel, toen hij allen, die hem zoo lief en
dierbaar waren, uit het oog zag verdwijnen.
Wat hadden ze toch allen een goeden tijd doorgemaakt!
En wat zou de toekomst brengen?
Maar Piet slikte den brok weg, richtte zich op en haalde eens diep
adem.
Onder hem stampten gedempt de machines, die hem naar de nieuwe wereld
zouden overbrengen ... naar het land van zijn droomen en idealen.
Hij had zijn weg nu eenmaal gekozen, recht vooruit lag het doel ...
De vlegeljaren had hij achter den rug, en nu zou hij moeten toonen,
dat het hem ernst was met het leven ... dat hij man ging worden ...
Maar daarin voelde hij zich sterk ... hij wist wat hij wilde ... en
wilde wat hij kon ...
Zoo moest hij er komen!
De laatste huizen van Rotterdam verdwenen aan den horizon en Piets
lippen fluisterden glimlachend een laatsten groet naar de stad, waar
vele vrienden en kennissen nog dikwijls in hun vroolijke gesprekken
herdenken zouden de jeugd en
De Vlegeljaren van Pietje Bell.