De winter verstreek en de lente deed zijn intocht.
Maar hoemeer het schoone jaargetijde naderde, hoemeer Vader Bell zijn
plan, om de zaken aan kant te doen en rustig te gaan leven overdacht
en met Moeder besprak.
"Ik zou wel liever onzen jongen meenemen," zei Vader, "maar hij heeft
hier zijn werk en op een dorp kan hij weinig uitvoeren. Het liefste
zou ik willen, dat hij met een vriend op kamers ging en ons elke
week bezocht."
Moeder had eerst nog wel wat bezwaren, maar ze verlangde toch ook
naar wat rust in de natuur, en ten slotte stemde ze toe.
Piet werd met de nieuwe plannen in kennis gesteld. Onze vriend was
er in het eerst niet bijzonder mee ingenomen.
Zijn ouders waren zijn allerbeste vrienden en aan het ouderlijke
huis, waar hij altijd zoo gelukkig was geweest, voelde hij zich
sterk gehecht.
Maar aan den anderen kant begreep hij, dat zijn Vader en Moeder,
na zoovele jaren van arbeid wel een paar jaartjes rust verdiend
hadden en ook lachte het idee van "op eigen beenen te moeten staan"
hem wel weer toe.
Maar nu kwam de kwestie van een kamervriend ter sprake.
Deze moeilijkheid werd echter spoediger opgelost, dan men wel
verwacht had.
Flip, die nog altijd met succes den sigarenwinkel van zijn vader
beheerde, had sinds drie jaren bij een tante gewoond, daar zijn Moeder
vroeg gestorven en zijn Vader bijna voortdurend op reis was.
Nu kwam deze tante te overlijden en moest er voor Flip een nieuw
verblijf gezocht worden.
De zaak werd met Flips vader besproken en het slot was, dat toen
Vader Bell voordeelig zijn zaak van de hand had gedaan en naar
Hilversum vertrokken was, waar hij met Moeder een allerliefst huisje
aan den weg naar Laren bewoonde, Pietje en Flip hun kamp opsloegen
in een groote, gezellige kamer aan den Singel. Ze hadden ieder een
slaapkamertje erachter en tot Flips groote vreugde was er ook een piano
aanwezig. Daarbij hadden ze een "engel" van een kamerverhuurster,
een bejaarde juffrouw, die liever een troep vroolijke jongelui op
haar kamer had dan een paar ouwe brombeeren.
Juffrouw Roest heette ze en ze was een helder uitziende vrouw met
schrandere oogen, maar met een mond, die bijna nooit stilstond.
Keurig-zindelijk was ze, dat moet gezegd, en haar kamers zagen er
proper en welverzorgd uit.
En toen begon de juffrouw Piet en Flip een staaltje van haar praatkunst
te geven.
"Nou, heeren, ik heb verstand van kamers verhuren, asjeblieft! Ouwe
menschen kan je heel den dag naloopen en bedienen, maar jongelui
zijn veel gauwer tevreden. Die gaan den heelen dag naar hun werk en
zoo heb je zelf op die manier ook nog wat aan je kamer. Is 't geen
mooi uitzicht op den Singel? Gunst, heeren, ik ben best in mijn
schik met u, en je moogt je gerust amuseeren hier, zooveel je maar
wilt. Piano spelen ook, daar houd ik van. Ik heb een muzikant hier
op de kamers gehad, die speelde heel den dag en zoo mooi, zóó mooi,
dat je d'r draaierig van werd. Nou maar, die muzikant was ook heel
dikwijls draaierig, maar dat kwam, omdat-ie zooveel glaasjes rum
dronk. Hij had ten slotte zooveel rum gedronken, dat-ie rummetiek
in z'n vingers kreeg en toen had-ie de muziek eraan gegeven en was
chauffeur geworden. Maar dat had ook niet lang geduurd, want toen
hij op een keer weer eens erg last van rummetiek had, reed hij zoo
hard met zijn auto tegen een boom, dat hij eruit vloog en zes meters
onder den grond schoot. Hè-hè-hè ..." en de juffrouw schommelde van
't lachen ... "en toen was de begrafenis ook meteen afgeloopen."
"Wel, juffrouw," zei Flip, "ik geloof wel, dat wij het met elkaar
zullen vinden."
Dat vond de juffrouw ook en als de heeren wat noodig hadden, mochten
ze het gerust zeggen.
Binnen een paar dagen was de kamer een museum van bezienswaardigheden
geworden. De twee vrienden hadden er al hun rijkdommen heengebracht
en weldra prijkten de muren met tallooze portretten, sportprenten,
programma's, balboekjes en een niet te beschrijven verzameling van
allerlei voorwerpen, waarvan een ieder zijn eigen geschiedenis had.
Flip werd nu des avonds om zes uur door een ouderen bediende afgelost,
zoodat hij de avonden vrij had en die met Piet op de kamer kon
doorbrengen.
Hij had tot op heden nooit veel aan lezen gedaan, maar Piet gaf
hem mooie en goede boeken en daar begon Flip hoe langer hoe meer
liefhebberij in te krijgen. Heele avonden bracht hij lezende door,
terwijl Piet aan zijn schrijftafel werkte.
Zoo gingen de dagen rustig heen, en juffrouw Roest begon zich al over
die kalme jongelui te verbazen, toen een nieuwe huurder wat leven,
of liever gezegd wat lawaai in de brouwerij bracht.
De nieuwe huurder was warempel alweer een muzikant, maar ditmaal
een dilettant, die lid was van een muziekkorps en een zeer lieflijk
instrument bespeelde.
Het was de Turksche trom.
Elken avond na zijn souper begon de musicus te studeeren.
Tsching-tsching-tsching-boem!!! .... Tsching-boem-tsching!!!
Den eersten avond, toen Piet en Flip dit geluid hoorden, dachten zij,
dat het onweerde en beiden keken naar de lucht.
Maar langzamerhand ontdekten zij het ware van de zaak!
"Ik laat me levend villen, als dat geen Turksche trom is," riep Piet.
"Je hebt gelijk! ... Hier boven!!"
Tsching-boem!!! Tsching-boem!!! Tsching-boem!!!!
"Maar dat is om gek te worden! Hee daar boven! Hou op!!"
Tsching-boem-boem!! Tsching-boem-boem!!!
"Zeg, Flip, die vent is krankzinnig ... dat kunnen we zoo niet
uithouden!"
"Laten we naar boven gaan en hem vragen, op het dak te gaan zitten."
"Vooruit dan!"
De beide vrienden beklommen de trap en klopten aan.
Tsching-boem-boem!!!
Piet beukte nu zijn vuist op de deur.
"Alors ... wat isser ... Entrez!"
De jongelui traden binnen.
Een vervaarlijk groote trom stond in het midden der kamer,
een muzieklessenaar met 'n studie-boek ervoor, een kort, dik
Franschmannetje met zwarten snor en puntbaardje er achter.
Verbaasd keek hij de binnentredenden aan.
"Ah ... les messieurs ... kaat u zitte ... U isse van benee ... premier
etage? ... Oui, oui ... voila des cigarettes ... excusez moi ... iek
studeere ... oui ... iek speel ien de orchestre ..."
"Pardon," verzocht Piet, "als u zoo goed wilt zijn, even te luisteren?"
"Loister? ... Mais oui ... iek loister ... wat 'ad u?"
"Ik at snijboonen met worst," zei Piet, "maar daar gaat het nou niet
over. Is u van plan nog lang op dat hoofd van Jut te slaan?"
"Oofd fan Juut? Comprends pas ... isse niet 'oofd fan Juut ... isse
die kroote tromme ... fan die orchestre ... moet iek studeere ... oui
... chaque soir ... ielken oavend ..."
"Elken avond?? Groote genade, moeten wij elken avond in die herrie
zitten?"
"'Errie ... dies noem u 'errie? Isse la musique ... isse ma chambre
... iek betaal die propriétaire ... kan iek doen wat iek verkies,
n'est-ce pas? Vous jouez du piano ... eh bien ... watte wil u..."
"Maar waarde heer, dat gaat niet aan," zei Flip, "dat lawaai maakt
een mensch gek!"
"Oh ... pas du tout ... kaat wel aan ... isse niet zoo erk..."
"Nou, meneer," zei Piet, "we zullen er dan wel eens met de juffrouw
over spreken."
"Kaat uw kang ... ça m'est égal .... bonsoir mes amis!"
Tsching-boem-boem!!!
BAM!!! sloeg Piet de deur dicht.
Maar de juffrouw kon er ook niets aan doen.
De man betaalde zijn huur, nietwaar en zoolang hij de boel niet
beschadigde kon ze weinig zeggen. Het zou immers niet den heelen
avond duren?
Toen besloten Piet en Flip zelf maatregelen te nemen.
Na een uur studie hield de muzikant op.
Het leek wel de stilte na een zwaar onweer.
"Zeg, Flip," zei Piet, "morgen ben je jarig!"
"Ik? Je bent dronken ... ik ben pas jarig geweest."
"Zeur niet ... Als ik zeg, dat je morgen jarig bent, dan ben je
morgen jarig."
"Nou, mij best ... ik ben morgen jarig ... maar ik tracteer niet,
als je dat maar weet."
"Hoeft ook niet, luister."
En Piet fluisterde zijn vriend iets in de ooren, wat dezen de handen
op de knieën deed slaan van pret.
"Onbetaalbaar!" riep hij, "als dát niet werkt, helpt niets!"
Den avond daarna sleepten de vrienden de volgende muziek-instrumenten
naar binnen: een zinken waschkuip, deksels van potten en pannen,
kermis-toeters en een groote bel.
Om half acht verschenen de leden van de Vroolijke Bende op uitnoodiging
van Pietje, om den verjaardag van Flip te vieren.
Maar Piet had ze al gauw op de hoogte gebracht met den stand van zaken.
"We weten geen ander middel," besloot hij, "om van den muzikant af
te komen en ik denk wel, dat het middel werken zal."
Het gesprek dwaalde echter van het een op het ander.
Ze bekeken de kamer en de vele foto's en juist wou Piet de geschiedenis
gaan vertellen, die verbonden was aan een geëmailleerd bordje, waarop
te lezen stond: "Deur sluiten s. v. p." toen opeens de muzikant weer
aan 't studeeren ging.
Tsching-tsching-boem!!!
Dadelijk greep ieder zijn muziekinstrument.
Piet sloeg met een hamer op de zinken waschkuip, Harry luidde de
groote bel, Flip speelde erbarmelijk hard en valsch op de piano, de
anderen toeterden op de hoorns of sloegen potdeksels tegen elkaar en
wie zijn mond vrij had, zong een ander lied dan zijn buurman.
Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee
bewoners van het huis flauwvielen en de rest op straat vluchtte.
De groote trom tsching-boemde nog even door.
Kletterend, donderend, gillend, stampend, schreeuwend, bellend en
schetterend daverde het onmenschelijke, barbaarsche orkest zijn
hemeltergende muziek door de woning en het duurde geen vijf minuten,
of er werd hevig op de deur gebonsd. Het was juffrouw Roest met
den Franschman.
"Doorspelen," commandeerde Piet.
Met de handen aan de ooren stonden de juffrouw en de muzikant de
Vroolijke Bende, die wel een troep losgelaten kermisgasten leek,
aan te staren.
"Hou op... hou op!!!" schreeuwde toen juffrouw Roest.
En de Franschman voegde er bij:
"Isse skande... sacré bleu... maak tout le monde siek!!"
"Ah, monsieur..." zei Piet lachend, "gaat u zitten... U
is van boven?... Tweede étage?... Juist, juist... hier zijn
sigaren... excuseer ons... wij studeeren... dit is ons orkest... wij
studeeren elken avond..."
"Ielken oavond... ielken oavond dees 'erie?"
"Herrie? Dit noemt u herrie? Dat is muziek, waarde heer... dit is mijn
kamer... ik betaal de juffrouw... kan ik dus doen wat ik verkies.... U
speelt de groote trom... wel, wat wilt u?"
"Maar dit kan ik niet toestaan," zei juffrouw Roest, "dit gaat te ver,
meneer Bell."
"Och kom," zei Piet, "zoolang monsieur van u toestemming heeft, om
dit huis met zijn helsche muziek onbewoonbaar te maken, zoolang zal
mijn orkest hem daarbij helpen. Dus juffrouw, de groote trom eruit
of u verliest òns en de rest van de huurders."
"Isse skande... isse criminal... mais je me vengerai... iek zal
maatrekele neem... iek betaal niet ma chambre... compris?"
"Komprie? Komprie?" barstte juffrouw Roest los. "Je lijkt zelf wel
een komprie. Jawel, m'n huur niet betalen en mij nog uitschelden
voor komprie! Je kunt vertrekken met 't eind van de week;
verstaan? Komprie... wel heb je ooit!"
De Franschman ging mopperend weer naar boven.
De jongelui moesten juffrouw Roest beloven, nimmer meer tot zulke
radicale middelen over te gaan, hetgeen ze met genoegen deden.
Maar de groote trom werd niet meer gehoord en den volgenden Zaterdag
vertrok de onruststoker met zijn "'oofd fan Juut".
Drie maanden verstreken, zonder dat er iets bijzonders voorviel in
het leven van Pietje.
De dagen waren volkomen aan elkander gelijk, de jongelui leefden
rustig samen, ieder zich wijdend aan zijn arbeid.
Soms vergezelde Flip zijn vriend, als die naar de een of andere
uitvoering ging of een concert moest "verslaan," maar meestal brachten
ze hunne avonden samen op de kamer door.
Op zekeren dag was er een tweede brief van Jacob uit Amerika
aangekomen.
Piet was zeer benieuwd, hoe het zijn vriend in de nieuwe wereld
verging en las:
New-York, April 19....
1490 Riverside Drive.
Beste kerel,
Wat was ik blij met je brief, waarin je mij vertelde, dat de
Vroolijke Bende minus mijn persoontje nog gaaf en compleet was en
dat allen, ook je ouders, nog wel zijn. Je vroolijke brief heeft
mij echt goed gedaan en ik heb eruit opgemaakt, dat je nog altijd
dezelfde opgeruimde humorist bent van vroeger. Ook vernam ik uit je
schrijven, dat je vader en moeder voornemens zijn, in het Gooi te
gaan wonen. Zijn ze er al en blijf je nu alleen achter in de stad?
Zeg Piet, ik ben nog steeds in dienst bij den heer Wortelman,
die hier uitgebreide zaken heeft. We reizen veel en ik heb al
heel veel gezien. Jongen, wat is Amerika toch een wonderlijk
land! Alles is hier zoo grootsch en zóó geweldig, dat jullie
in Holland je er geen begrip van kunt vormen. Je moet het
zien om het te kunnen begrijpen. Huizen van twintig en dertig
verdiepingen zijn heel gewoon en dan het verkeer in de straten,
kerel, dat is verschrikkelijk! Als je maar eens nagaat, dat er in
New-York alleen meer menschen rondloopen dan in heel Nederland,
dat een courant hier vijf-zesmaal per dag verschijnt, dat er meer
dan honderd-duizend auto's door de straten rijden en honderden
treinen onder en boven de stad daveren, dan heb je al een klein
ideetje van het leven hier. Ik ben met den heer Wortelman geweest
naar Philadelphia, Buffalo, Niagara-Falls en Chicago en als ik
jouw schrijftalent bezat, zou ik stapels en stapels verhalen
over die reizen kunnen schrijven. Ik heb nu een vast salaris
van 25 dollar per week, waarvan ik nog geen derde deel gebruik,
omdat alles door den heer Wortelman betaald wordt.
Tot mijn groote blijdschap is mijn Grootvader weer geheel hersteld
en denkt nog niet aan heengaan, wat Oom Karel zeker wel spijten
zal. Maar mijn vriendelijke patroon heeft Grootvader van alles op
de hoogte gebracht en nu is het testament weer veranderd, zoodat
Oom Karel weinig of niets hebben zal. Och, kerel, mijnentwege
erfde ik niets, zoolang ik maar gezond ben en werken kan wat maal
ik dan om een groot kapitaal?
Je hebt maar angst om het te verliezen. Piet, wanneer jij met een
paar couranten in Holland een contract kon sluiten voor Brieven
uit Amerika, wat kon je dan heerlijk vrij werken hier, je hebt
immers altijd zoo'n vrijheids-ideaal gehad? Je kon reizen en het
heele werelddeel zien vanaf New-York tot San-Francisco en van
Mexico tot Canada! Zoo vrij als een vogeltje in de lucht! Ikzelf
heb lust om het te doen, maar alles wat ik schrijven kan is een
brief aan jou of de handelscorrespondentie voor mijn baas.
Denk er eens over, Piet, en als je soms idee in iets anders mocht
hebben, is het ook goed. Wij zullen je hier wel voorthelpen. Nieuws
weet ik op het oogenblik niet verder. Laat me gauw weer wat van
je hooren en doe ze allemaal weer de hartelijke groeten.
Van je toegenegen vriend:
Jacob Mantel.
Piet reikte den brief aan Flip over, die met alle aandacht begon
te lezen.
"Wel, ik moet zeggen," vond Flip, "dat Jacob ons allemaal de loef
afsteekt. Vijf-en-twintig dollar per week en zoo goed als geen
kosten. En bovendien nog erfgenaam van een millioen! Jacob behoort
tot de menschen, wien nou letterlijk alles meeloopt. Wat kan ik ooit
bereiken? Al verkoop ik nu nog twintig jaar lang sigaren, dan ben ik
precies evenver als nu. Voor jou is er veel meer kans op succès... de
heele wereld ligt voor je open."
"Wat zou jij in mijn geval doen?" vroeg Piet.
"In jouw geval? Kerel, iemand met jouw kansen kan precies doen, wat
hij wil. Jacob zegt het ook al in zijn brief. Wanneer jij het er op
aanlegt, reiscorrespondent te worden, is de heele wereld jouw. Waarom
pak je Jacob's voorstel niet aan en praat er eens met je patroon over?"
Opeens sprong Piet op, zijn stoel omgooiend.
"Flip! Ik doe het! Ik doe het! Maanden en maanden heeft het al in m'n
hoofd gezeten. Ik probeer het! Natuurlijk zal ik eerst de toestemming
van mijn ouders vragen, maar ik ben zeker, dat ze het mij niet zullen
weigeren."
"'t Ellendigste voor mij is," zei Flip, "dat ik je dan kwijtraak. De
tijd, dien we samen op deze kamer hebben doorgebracht, is de
heerlijkste van mijn leven geweest. Je hebt mij bijna een ander
mensch gemaakt met je gesprekken en je boeken, Piet, en ik zal je
ontzettend missen."
Piet wachtte niet langer, dan noodig was.
Den volgenden dag vroeg hij den heer Peters te spreken.
Toen de directeur Piets ernstige gezicht bemerkte, keek hij een
oogenblik verwonderd op. Piet had altijd een vroolijken trek om den
mond en een eenigszins ondeugende uitdrukking in de oogen, zoodat
deze plotselinge verandering wel verbazing opwekken moest.
"Wel, wat zullen we nu hebben?" vroeg de heer Peters. "Heeft uw
vader weer een belangrijke uitvinding gedaan of komt u me slecht
nieuws brengen?"
"Heelemaal niet," zei Piet, die opeens een aanknoopingspunt vond,
waardoor zijn gezicht heelemaal opklaarde. "Heelemaal geen slecht
nieuws, meneer! Ik ga naar Amerika!"
"Hè... wat... wie???... Ga jij... naar... Amerika? En dat noem je me
geen slecht nieuws brengen? En wat ga je daar in vredesnaam uitvoeren?"
"Reisbrieven schrijven voor de Morgenpost!"
De directeur keek Pietje met groote oogen en open mond aan. Hij
vergat van verbazing zijn oude gewoonte om zijn personeel met "u"
aan te spreken.
"Maar... maar..." begon hij, en hij liep met groote stappen de
kamer op en neer, "ik wil je niet kwijt hier... je doet je werk
goed... uitmuntend... de redacteurs zijn tevreden... je hebt
stijl... pit... goeie vooruitzichten... wat wil je meer? Hoe oud
ben je?"
"Binnenkort word ik achttien."
"Binnenkort achttien... nauwelijks de vlegeljaren te boven! En
dan naar Amerika! zonder vaste positie... zonder adres... zonder
vrienden... niet weten wat te doen... dat kennenwe... dat hebbener
al zoovelen geprobeerd... De grootste helft komt terug... een paar
komen er... de rest verzinkt in een leven van tobben en ellende..."
"Wel," zei Piet beslist, "ik zal dan behooren tot de weinigen, die er
komen. Ik maak mijn eigen werkkring. Ik zend u elke week een feuilleton
en maak een studie van het land. Ik zal een contract sluiten met een
paar Hollandsche tijdschriften voor geregelde correspondentie... ik
heb een vriend te New-York!"
"O, dat verandert... Hm... anders een duivelsch plan van je... 'k had
je graag hier gehouden, Piet... maar enfin. Wekelijksch feuilleton
zeg je, he? Maak het pittig, interessant... Brieven uit Amerika van
Pietje Bell... de stad zal opkijken... Wel, laten we zeggen... vijftig
gulden per week... om te beginnen... dat wil zeggen, verondersteld
dat ik daarvoor twee brieven krijg... dan heb je daar alvast twintig
dollar wekelijks... behalve je andere contracten. Is dat aangenomen?"
"Aangenomen, meneer!" riep Piet verheugd.