PIET HELPT ZIJN VRIEND JACOB UIT EEN LEELIJK GEVAL.

Piet mocht soms zoo graag op zijn kamer zitten en zijn gedachten

laten gaan.

Heel vaak kon hij--ondanks zijn ingeboren vroolijkheid--ernstig aan

zijn schrijftafel zitten, zijn werk maar voor een poosje laten liggen

en niets anders doen dan droomen, droomen ...

Of wel hij wandelde tot buiten de stad en liet zich dan aan den kant

van het water in het gras neer.

Dan luisterde hij naar het zacht-ruischende riet en staarde in de

blauwe lucht waarin heel, héél hoog een leeuwerik jubelend opsteeg.

In zulke oogenblikken van eenzaamheid in de rustige natuur kon Piet

soms zoo haken en snakken naar vrijheid.

Daarmee bedoelde hij geen lui, ledig, werkeloos leven ... verre

van dat!

Maar hij wilde onafhankelijk zijn, niet alle dagen weer datzelfde

lijntje volgen van gisteren en eergisteren.

Hij wilde werkend het leven en de wereld zien ... hij kon zich niet

tevreden stellen met ergens een vaste betrekking met een vast weekloon

en vaste vrienden en een vast adres.

O ... dat vaste!!

Neen, hij wilde de menschen over de heele wereld leeren kennen en

dan vertellen van hun leven, hun daden, hun gedachten ...

Ja, het was alles wel goed en mooi hier ... zijn brave liefhebbende

ouders ... zijn beste vrienden ... heel die Vroolijke Bende... zijn

werk aan de courant... o ja maar er was zoo'n stil verlangen in hem

om deel te nemen aan de gróóte dingen in het leven ... en te reizen

... en vreemde landen te zien....

En de leden van de club nu--och, het waren allemaal beste, brave

luidjes hoor, maar och heden, zoo vreeselijk oppervlakkig en gewoontjes

... alleen Jacob Mantel kon wel eens ernstig praten en Harry ook

wel ... maar de meeste anderen waren toch niet meer dan fladderende

vlinders, alleen uit op pretmaken en aangenaam den tijd passeeren ...

Wel, Pietje zelf kon daaraan meedoen ... en niet zoo'n beetje ... maar

daarmee kon je toch je leven niet heelemaal vullen en een jongen had

toch een levensdoel, nietwaar? En idealen, nietwaar?

En dan kon Piet droomen, droomen van zijn toekomstig leven ... een

leven vol van afwisseling....

Geen kalm, recht lijntje van altijd weer dezelfde kleine levensdingen

... maar een bruisende vloed van krachtige golven ... een leven

met alles wat het leven geven kan ... vreugd en leed, genietingen

en ontberingen, lachen en tranen en dan ... door worstelen tot

overwinnen!!

Dan zou hij één vriend willen hebben ... één trouwen makker, die alles

met hem zou meemaken en met wien hij kon meeleven ... die ook wilde,

wat hij wou.

Van zulke gedachten was Piet ook weer op zekeren avond vervuld,

toen hij--laat nog--een brief naar de post ging brengen.

Het was guur najaarsweer en het had al dagenlang geregend, zoodat de

straten er modderig uitzagen.

Gedoken in de kraag van zijn jas, huiverend in den killen wind na de

gezellige warmte van zijn kamer, haastte Piet zich voort.

Hij had juist den brief in de bus gedaan en den terugweg ingeslagen,

toen hij zich op den schouder voelde tikken en een vreemde man

hem vroeg:

"Is u Mr. Bell?"

Piet knikte en wilde juist wat vragen, toen de vreemdeling hem een

papiertje in de hand duwde en haastig verdween.

Eerst wilde Piet den man naloopen, maar deze was zoo spoedig uit

zijn oog verdwenen, dat hij die gedachte liet varen en het papier

openvouwde:

Beste Vriend!

Ik zit in grooten nood. Help mij! Kom dadelijk per stoomtram naar

Westdijke, Sanatorium. Schel niet aan. Fluit aan den achterkant

van 't gebouw. Daar zal ik alles uitleggen. Kom vlug.

Jacob Mantel.

Nu verbaasde Piet zich niet gauw over iets, maar dit leek toch wel

een beetje al te kras!

Zou het een grap wezen?

Het leek wel iets van een dubbeltjes-roman.

Maar ... het mòcht eens wáár zijn ... géén grap ... géén

dubbeltjes-roman, maar werkelijke ernst ...

Pietje dacht even na ... Jacob in het Sanatorium te Westdijke? Wel,

dat was een soort van krankzinnigen-gesticht ... Wat ter wereld had

Jacob dáárheen gevoerd?

Met het briefje in de hand stond Piet onder het licht van een

straatlantaarn. De regen begon met hernieuwde kracht te vallen ...

Hij stak het papiertje bij zich en keek op zijn horloge.

Bij tienen.

Om elf uur ging de laatste stoomtram en die kon hij gemakkelijk halen.

Toen liep hij nog even langs zijn huis, waar Vader juist den winkel

sloot.

Piet vertelde hem, dat het wel laat zou zijn, voor hij terug kwam,

en Vader nam daar genoegen mee, overtuigd, dat Piet een goede reden

had en niet voor plezier uitging in dit weer.

In ruim een uur bracht de stoomtram Piet te Westdijke, een klein vlek

op een der Zuid-Hollandsche eilanden.

Piet was de eenige, die aan het open, verlaten station afstapte.

Het was trouwens niet meer dan een halte, een overdekt perronnetje,

door één klaaglijke olielamp verlicht.

De wind gierde door de telegraafdraden ... de rossige wolken joegen

door het luchtruim en de kille regen daalde gestadig neer ...

"Brrrr ..." rilde Piet, "dat ziet er hier ook gezellig uit ... En

wat een donker gat is het hier ... Heelemaal geen lantaarns!"

Wel, er waren lantaarns langs den weg, maar de wind had ze al lang

uitgewaaid. Maar dat kwam er niet op aan ook, want de bewoners van

het gehucht waren allemaal te bed en wie had er nu nog lantaarns op

den weg noodig?

Ondertusschen stond Piet mooi in 't donker en wist niet eens, welken

weg hij moest inslaan naar het Sanatorium.

Bovendien maakte opnieuw de gedachte zich van hem meester, dat het tóch

misschien maar een grap was ... om hem eens een poets te spelen ...

Maar neen ... dat was niets voor Jacob ... Flip zou wellicht zooiets

doen ... Jacob niet ... die was daar heelemaal de jongen niet naar.

Vergeefs poogde hij met zijn oogen de duisternis te doordringen,

toen hij opeens voetstappen hoorde.

Klompen deden het grint kraken en vanuit het donker kwam de gedaante

van een man te voorschijn.

Hij nam den lantaarn uit het wachthuisje--er kwam geen tram meer voor

den volgenden morgen--en ging er weer mee terug.

Piet, die door den man niet opgemerkt was, riep hem aan:

"Hallo daar ... Goeien avond!"

De man schrikte zoo hevig van dat plotselinge geroep in het

middernachtelijk uur, dat hij aan geesten dacht en het op een loopen

zette.

Maar dat was heelemaal Piet's bedoeling niet en omdat hij in dien

man zijn eenige redding zag, liep hij hem na.

Doch dat deed den vluchteling eerst recht op hol slaan en Piet zag,

hoe de man op korten afstand een tamelijk groot gebouw binnen rende.

"Bepaald een groote boerderij," dacht Piet.

Maar dat had hij mis.

Het bedoelde gebouw was het Sanatorium, waar de wisselwachter van de

stoomtram des avonds den nachtportier van die inrichting gezelschap

hield en een partijtje kaart met hem speelde.

Ontsteld kwam hij de portiers-kamer binnenhollen.

"Blaarveld ..." riep hij, en zakte, naar adem snakkend, op een stoel

... "Op de baan ... geesten ... één liep mij na ... waarachtig!!!"

"Weet je 't zeker?" vroeg de portier, die veel over geesten gelezen

had en niet tot de dappersten behoorde.

"Beslist man ... beslist ... Hallo daar ... zei die ... en nog

wat... Sluit asjeblieft de deur..."

De portier was lang niet op zijn gemak ... je zat hier in een

krankzinnigen-gesticht en daar kon je juist zóóiets verwachten ...

Beide mannen zaten bevend en zwijgend bijeen en luisterden naar

't huilen van den wind.

"Ik ga ... nog niet ... naar huis ..." zuchtte de baanwachter,

"ik blijf je nog wat gezelschap houden."

"Ja, dat is wel goed," antwoordde de portier met een zucht van

verlichting.

Intusschen had Piet, wat langzamer, den weg gevolgd en ontdekte,

dat hij niet een boerderij, maar een veel grooter gebouw voor zich had.

Flauw schemerde een wit bord aan den ingang, maar het was onmogelijk,

iets erop te lezen in deze ondoordringbare duisternis.

Slechts één raam was verlicht, dat van de portierskamer.

Piet probeerde een lucifer aan te strijken, dichtbij het bord.

Maar pas bij de zesde las hij een brokstuk: Sana ...

"Wel," dacht Piet, "dat is meer geluk dan wijsheid. Hier is dus het

Sanatorium! Nu probeeren, om ongemerkt aan den achterkant te komen ..."

Hij sloop over het bruggetje, dat naar den ingang leidde en liep

voetje voor voetje, telkens wachtend en luisterend, langs den zijkant

van het gebouw.

Het gieren van den wind en het kletteren van den regen zorgden er

wel voor, dat er van zijn bewegingen niets gehoord werd.

Aan den achterkant nam hij, voor zooverre hij het in den nacht

onderscheiden kon, het huis eens op.

Het had twee verdiepingen ... langs den muur liep een ijzeren

brandladder.

Piet floot het signaal van de club en herhaalde dat eenige malen.

"Stil ... hoorde je dat?" vroeg de baanwachter.

"Neen ... 't is de wind," zei de portier, die ook beefde.

Aan de achterzijde zag Piet, hoe voor een der ramen iets wits heen

en weer gezwaaid werd.

De ijzeren brandladder liep langs dat raam.

Vlug klom Piet er tegen op en zag spoedig, hoe iemand achter het

raam een handdoek zwaaide, hoewel hij het gezicht van den persoon

niet kon onderscheiden.

Maar toen de ander zijn gelaat tegen het glas drukte, zag hij het toch,

hoewel onduidelijk.

Het was inderdaad Jacob Mantel.

Luid spreken was natuurlijk onmogelijk en zou dra de bewakers gewekt

hebben.

"Als ik maar eerst bij hem ben," dacht Piet, "dan zal ik er wel meer

van hooren."

Maar het groote venster was van stevige sloten voorzien, en hoewel

er geen tralies voor waren, was het niet mogelijk, het zonder sleutel

te openen.

Piet trachtte door gebaren Jacob instructies te geven, maar dat

was niet eens noodig, aangezien Jacob de zaak al lang en breed

uitgedacht had.

Hij nam een deken van zijn bed en drukte die tegen een der groote

ruiten van het venster aan.

Daarop gebaarde hij Piet, de ruit in te duwen.

Pietje kende dergelijke kunstjes vanuit de rechtszaal.

Hij trok zijn jas uit, rolde die op en drukte langzaam steeds sterker

en sterker tegen het glas, dat het met een scherpen knars afknapte.

't Geluid ging in den wind verloren.

Jacob ving geluidloos de stukken in den deken op, terwijl Piet de

overige brokken uit de sponningen trok.

Dat alles gebeurde zonder spreken.

Toen klom Piet met eenige moeite naar binnen en zette zich bij Jacob

op het bed neer.

Deze legde den vinger op den mond en luisterde.

Maar alles bleef stil.

"Piet," fluisterde Jacob dicht aan het oor van zijn vriend, "laten we

heel, héél zacht spreken. Ik moet hier vandaan ... zoo gauw mogelijk

... Ik zal je later alles verklaren ... alles vertellen ... Maar ik

moet hier weg ... Het ergste is, ik heb hier geen kleeren ... die

hebben ze mij ontnomen ..."

"Maar ..."

Snel legde Jacob zijn hand op Piets mond.

Voetstappen naderden in de corridor.

"Vlug ... kruip weg ... de nachtronde ..."

Jacob rolde zich in zijn bed en hield zich slapende, terwijl Piet

zich stijf tegen den muur drukte, naast de deur.

De voetstappen hielden stil ... een luikje werd geopend in de deur

en de electrische stralenbundel van een zaklantaarn viel op Jacob's

gezicht.

't Licht verdween weer ... 't luikje klapte dicht ... de voetstappen

gingen weer verderop.

Piet en Jacob wachtten nog even, tot het geluid der voetstappen

verstorven was.

"Luister," zei Piet zachtjes, toen Jacob weer uit het bed gekomen

was. "Trek zoolang mijn overjas aan, ik zal om ieder been van je een

laken winden, bij wijze van schoen, snap je?"

Jacob liet zich door Piet bekleeden en daarop deed deze hem zijn

eigen overjas aan.

Geluidloos kropen ze door de opening van het venster en daalden de

brandladder af.

Ruim tien minuten lang liepen ze zwijgend langs de trambaan, toen ze

aan een andere halte kwamen, waar een wachtershuisje stond.

Beiden hadden het erg koud en waren doornat.

Piet bemerkte tot zijn groote vreugde, dat de deur van het huisje

niet eens gesloten was.

Ze traden er voorzichtig binnen.

De baanwachter was natuurlijk al lang naar bed en had zijn kacheltje

met kolen opgeladen, om de warmte in het wachthuisje te bewaren.

Piet stookte het vuur wat op, dat dra begon te snorren en bij die

warmte droogden ze hunne doorweekte kleeren.

"En hier hangt me zoowaar een baanwerkerspak aan den muur," zei

Piet. "Trek het aan, Jacob, ik zal wel wat geld hier neerleggen voor

den eigenaar, hoewel het heele stelletje geen twee kwartjes waard is."

"Het is mij wel honderd gulden waard," zuchtte Jacob. "Wil je mij

mee naar je huis nemen, Piet?"

"Natuurlijk," zei Piet, "maar vertel me nu eerst eens, hoe jij in

dien gekkenboel verzeild geraakt bent! Toen ik je briefje kreeg,

dacht ik eerst, dat het veel leek op een dubbeltjes-roman, en toen

weer, dat het een mop van je was, maar nou begin ik toch weer sterk

aan den dubbeltjes-roman te denken."

"Wel, het lijkt er een beetje op," zei Jacob. "Men zou niet denken,

dat in ons landje in deze beschaafde wereld, zulke dingen konden

gebeuren, maar ik zal je bewijzen, dat het nog wèl kan."

"Best, maar kleed je eerst in dit werkpak, dan kunnen we onder 't

loopen wel praten."

Buiten gierde de wind, maar de regen verminderde gaandeweg.

Jacob had de lakens ineengerold onder den arm en zonder verder

tijdverlies verlieten de jongelieden het wachthuisje.

"Je moet dan weten," begon Jacob, terwijl ze de trambaan volgden,

"dat ik een Grootvader heb, die zóó gelukkig is geweest in den handel

in Javasuiker, dat hij schatten op schatten gestapeld heeft en wel

millionair zal zijn. Nu heb ik het ongeluk, zijn erfgenaam te zijn en

zijn naamgenoot, dus wanneer Grootvader sterft, erf ik het grootste

deel van zijn eigendommen."

Een andere zoon van Grootvader, mijn vaders broer, heeft zich vroeger

aan bedrog schuldig gemaakt en werd onterfd.

Dat is mijn Oom Karel.

Die Oom Karel heeft zich later met Grootvader in zooverre verzoend,

dat, als ik niet instaat ben, de erfenis te aanvaarden, deze zal

overgaan op Oom Karels kinderen.

Wel, Grootvader is ernstig ziek geworden en zal waarschijnlijk wel

sterven, en toen heeft Oom Karel de familie-raad bijeen geroepen

en mij geestelijk ziek verklaard. Ik denk, dat hij aan alle tantes,

neven en nichten aanzienlijke geldsommen beloofd heeft, want plotseling

verklaarden allen mij voor ontoerekenbaar en ze hebben mij eergisteren,

zonder er ook maar één dokter bij geraadpleegd te hebben, naar het

Sanatorium gebracht. Ik denk, dat het in Oom Karels plan lag, mij

hiervandaan stilletjes naar een afgelegen oord in het buitenland

te transporteeren, alleen maar om zich meester te maken van die

erfenis. De man, die jou het briefje gaf, was een ontslagen patient,

die meelij met mij had en je het papiertje zou geven, zonder dat

iemand het bemerkte.

En nu weet je dus, hoe ik in die inrichting kwam.

"Maar ik weet zeker," zei Piet, "dat niemand in zulk een inrichting

opgenomen kan worden zonder een verklaring van een dokter."

"Wel, iemand als mijn oom Karel deinst voor niets terug.

"Hij had de verklaring zelf opgesteld onder den naam van een zekeren

dokter Moolerheide, die natuurlijk heelemaal niet bestaat."

"Dat wordt een groote rechtszaak," zei Piet. "Als je wilt, gaat je

oom met de familie achter de tralies!"

"Niets daarvan," zei Jacob. "Ik zal je later wel vertellen, wat mijn

verdere plannen zijn."

Na ruim drie uren geloopen te hebben, hadden zij de stad weer bereikt

en waren spoedig daarna bij Piets woning aangekomen.

Piets ouders waren niet weinig verbaasd, toen hun zoon den volgenden

morgen een slaapkameraad meebracht aan de ontbijttafel.

Maar Jacob verklaarde met een paar algemeene en weinigzeggende woorden,

dat hij "onaangenaamheden" met zijn familie had gehad en daarvoor

Piets gastvrijheid had ingeroepen.

Jacob vertrouwde Piets ouders natuurlijk wel, maar wenschte voorloopig

in het geheel niet over de zaak te spreken, daar zou later altijd

gelegenheid voor zijn. Uit bescheidenheid drongen Vader en Moeder

Bell dan ook niet op verdere uitlegging van het geval aan.

Ze vertrouwden Piet ten volle en later zou deze wel alles verklaren.

Zoo werd het dan afgesproken, dat Jacob voor enkele dagen hun gast

zou zijn.

"Zeg, Piet," vroeg Jacob hem, "weet jij niet op een handige manier

aan wat kleeren en ondergoed van mij te komen?"

"Waar is dat?"

"Wel, op mijn kamer in Oom Karels huis. Je bent er immers laatst

nog geweest?"

"O zeker, dan weet ik er alles van. Hoe laat komt je Oom gewoonlijk

thuis?"

"Zes uur 's avonds. Maar mijn neef en nicht, Gerrit en Lucie, zijn

meestal om vijf uur al binnen."

"Best ... ik zal wel een maniertje verzinnen. Hebben jullie datzelfde

dienstmeisje nog, die zeven kanten tegelijk uitkijkt?"

"Bertha ... ja, die is er nog."

"Mooi, vanavond heb jij je kleeren."

Dien middag belde Pietje bij Jacobs vroegere woning aan.

Het dienstmeisje, dat "zeven kanten tegelijk uit keek", deed de

deur open.

"Dag Bertha," groette Piet vriendelijk.

"Dag meneer Bell," sprak Bertha met slissende tong, "meneer Jacob is

uit de stad."

"Dat weet ik," zei Piet snel, "en hij stuurt mij hierheen, om wat

kleeren en ondergoed te halen, want hij heeft daarvan niet genoeg

bij zich. Jacob heeft mij gevraagd, dat voor hem in te pakken en op

te zenden."

"O, dat is heel goed," zei Bertha, die klaarblijkelijk van de heele

zaak niets wist en werkelijk in den waan verkeerde, dat Jacob "uit

de stad" was.

Piet begaf zich naar boven, had in tien minuten Jacobs koffer gepakt

en was er spoedig mee verdwenen.

Maar dienzelfden avond kreeg Pietje bezoek van Jacobs Oom.

Hij was zeer deftig gekleed en vroeg aan Vader Bell, of Jacob daar

ook was.

Vader zei, dat hij eens zou gaan zien, maar ging natuurlijk de jongelui

waarschuwen. Piet kwam met Vader naar beneden en deed zeer vriendelijk.

"U is Jacobs vriend?" vroeg de bezoeker scherp.

"Dat ben ik," zei Piet welgemeend.

"En u heeft dezen middag zijn koffer met kleeren weggehaald?"

"Dat heb ik," zei Piet met 'n lichte buiging.

"Wie gaf u daar het recht toe?"

"Het recht? Dat weet ik niet. Ik deed het op Jacobs verzoek."--"Op

Jacobs verzoek? Is hij dan hier?"

Piet schudde het hoofd, had er schik in, den intriganten oom om den

tuin te leiden.

"Hier geweest," zei hij. "Een uur geleden vertrokken naar Amsterdam."

"Hoe laat kwam hij dezen morgen hier?"

"Ongeveer tien uur ... en hij had een inspecteur van politie bij zich."

Oom Karel werd wit.

"Wat ... wat vertelde Jacob u?" vroeg hij.

"Zeer weinig," zei Piet. "Alleen meende ik hem te hooren zeggen,

dat hij een schurk achter de tralies ging zetten ..."

De bezoeker voelde zich lang niet op zijn gemak en dacht even na.

De jongen was dus naar Amsterdam ... bepaald de familie daar gaan

opzoeken, maar die waren ook in 't spel. Ze zouden dus Jacob wel

vasthouden en daarom zou het maar het beste zijn, dat hijzelf er alvast

heen ging, om den lastigen jongeling weer terug te brengen. Maar als

Jacob de politie erin had gehaald, stond de zaak leelijk.

Zonder verder een woord te zeggen, draaide Oom Karel zich om en

verliet den winkel.

Piet ging weer naar boven, waar zijn vriend hem in angstige spanning

wachtte.

"Wel, wat zei hij?"

"Ha-ha-ha," lachte Piet. "Die is voorloopig je spoor kwijt. Ik vertelde

hem, dat je vanmorgen hier gekomen was met een inspecteur van politie

en toen werd hij zoo wit als een ijsbeer ... en ook heb ik maar gezegd,

dat je naar Amsterdam was gegaan ..."

"Je hebt me zoo prachtig in deze zaak geholpen, Piet, dat ik je er

mijn leven lang dankbaar voor blijf."

Jacobs lippen trilden en zijn mondhoeken trokken zenuwachtig.

"Dat ellendige ... vervloekte geld ..." vervolgde hij met bevende stem

... "wat maal ik er om ... waarom laten ze mij niet met rust? ... laten

zij hun centen houden ... ik ben gelukkig met m'n boeken ... met m'n

werk ..."

Hier barstte Jacob eerst recht in snikken uit; hij had de laatste dagen

ook zooveel verschrikkelijks doorleefd zònder een klacht te uiten

of een traan te laten ... maar nu kwam het los ... het opgekropte,

het ingehouden verdriet over het groote onrecht, hem aangedaan ...

Piet begreep het gevoelen van Jacob ten volle en liet hem stil begaan.

Hij legde zijn hand op Jacobs schouder en zei:

"Kom, ouwe jongen, laat jij oom Karel en zijn heele kliek naar de

maan loopen. Als ik jou was, keek ik ze nooit weer aan en zocht mijn

eigen weg. Je hebt je kleeren en je hebben en houwen in je koffertje

... de wereld ligt voor je open ... het eenige, wat je te doen hebt,

is te werken ..."

Jacob glimlachte zoowaar weer.

"Piet, wat zou jij dan doen ... ik bedoel ... waarheen? ..."

"O lala ... China ... Japan ... Lutjebroek ... Amerika ... doet er

niet toe. Overal wordt brood gebakken. Maar hier moet je vandaan

... zoo gauw mogelijk. De oudelui en ik zullen je wel helpen."

"Beste kerel, hoe kan ik je ooit danken?"

"Door mij altijd 'n brief of 'n kaart te sturen."

"Is dat alles?"

"Door steeds m'n vriend te willen zijn."

"Graag, Piet, graag."

"Uitstekend, afgesproken ... En nou haal je je asjeblieft geen

onnoodige zorg of angst in je hoofd, terwijl ik weg ben--want ik moet

alweer naar m'n redactie-bureau--en je amuseert je maar met m'n boeken,

d'r staan er genoeg."

Een week later was Jacob, de erfgenaam van een millioen, aangenomen

als bediende op een Amerikaansche boot.

Het afscheid tusschen hem en Piet was hartelijk.

Jacob beloofde, voortdurend Piet op de hoogte te houden.

"Want," had Piet gezegd, "terwijl jij in veiligheid bent, Jacob,

zullen Vader en ik een oogje in 't zeil houden, je begrijpt me, he?"

De vlegeljaren van Pietje Bell · 第 34 / 43 题