N. P. Leer.--Tien gulden.
Vrijdagavond ging er een extra groote advertentie in de krant, waar
Piet weer al zijn vernuft aan besteed had.
Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de
deur te wachten en die rij groeide gestadig aan.
Om kwart voor twaalf was er geen houden meer aan en Vader telefoneerde
naar het Politie-bureau om een paar agenten, teneinde de orde te
bewaren.
Een der koopers, een jonge man, die zag, dat Vader en Moeder Bell de
drukte alleen niet aankonden, bood zijn diensten voor dien dag aan,
hetgeen maar al te gaarne aanvaard werd.
Er was geen tijd tot eten ... het eene paar schoenen vloog na het
andere ... ieder wilde een stel nijlpaarden-schoenen hebben ... en
heel den dag hield de stroom van koopers aan.
En toen vader dienzelfden Zaterdag-avond den winkel om 12 uur sloot,
was er van de duizend paar schoenen niet één over.
Zoo'n dag had hij nog nooit meegemaakt ...
"Wel vader," vroeg Piet, "heeft mijn plan gewerkt?"
"Jongen, je idee was Amerikaansch ... maar ... zie je ... ik heb nog
nooit van mijn leven zaken gedaan op die manier ... want ... zie je
... het is toch eigenlijk géén nijlpaardenleer ..."
"Wat doet dat er toe? Zijn 't geen bèste schoenen?"
"O ja, puikbest ... beter dan menig andere ..."
"Dus in ieder geval hebben de menschen beste waar voor hun geld,
nietwaar?"
"Zeker, jongen."
"Wel wat doet de naam er dan toe? Olifanten, konijnen, nijlpaarden
of spinnekoppenleer ... als 't maar sterk en goed is!"
"En dát is het, Piet."