PIETS' LEVENSGESCHIEDENIS NEEMT EEN GEHEIMZINNIGE WENDING.

Het duurde niet lang, of Pietje onderscheidde zich aan het bureau

van de Morgenpost door zijn ijver en scherpzinnigheid.

Hij was altijd vlug van begrip geweest, had steeds goed geleerd, hoewel

hij nimmer een buitengewonen aanleg voor studie had aan den dag gelegd.

Maar hoe langer hij aan de courant verbonden was, hoe meer de lust

tot studeeren in hem ontwikkelde.

Hij ondervond iederen dag, wat een massa er nog voor hem te leeren

was, hij nam een voorbeeld aan de oudere redactie-leden, waaronder

zich doctors en rechtsgeleerden bevonden.

En langzamerhand begon Pietje zich boeken aan te schaffen.

Het was een bont mengelmoesje, dat is waar, maar hij wenschte van

alles wat op te pikken en zijn algemeene kennis zooveel mogelijk uit

te breiden.

Op zijn zeventienden verjaardag gaf zijn vader hem een boekenkast en

weldra prijkten daarin boeken over Staathuishoudkunde, Electriciteit,

Letterkunde, Spiritisme, Crimineele Wetgeving, Encyclopedie,

Aardrijkskunde, etc. etc.--Romans van Henri Borel naast de Fransche

Revolutie, de Avonturen van Sherlock Holmes naast de leer van

Darwin. Het kapitaal van Marx naast de Statenbijbel. Hij las van alles,

maar zijn vak vereischte ook, dat hij van alles op de hoogte was.

Pietje werd na eenigen tijd als verslaggever naar de Rechtszaal

gezonden, en driemaal per week woonde hij er de zittingen van de

Arrondissements-rechtbank bij.

Voor dat werk had hij een bijzondere belangstelling opgevat en het

leven der misdadigers begon hem van dag tot dag meer te interesseeren.

En langzamerhand kwam hij geheel en al op de hoogte met het leven

van hen, die rooven en stelen aangenamer en gemakkelijker vinden,

dan op een eerlijke wijze aan den kost te komen.

Piet wilde graag méér van hun gewoonten en levenswijze leeren kennen,

zonder daarbij aan persoonlijk gevaar te denken.

En zijn bekwaamheid in gymnastiek en boksen, het echte Engelsche

boksen, en de Japansche vechtkunst Jiu-Jitsu zouden hem daarbij wel

eens te pas kunnen komen.

Op zekeren morgen zat Piet naast zijn collega's van de andere

stadsbladen aan de Perstafel in de Rechtszaal, toen er een jonge man

terecht stond wegens het stelen van diamanten en gouden sieraden.

Of eigenlijk gezegd waren er twee beschuldigden, want genoemde jonge

man had een medeplichtige gehad, die hem bij den diefstal had geholpen.

Ze hadden het heel slim aangelegd.

Gerrit Lijster--zoo heette de eerste--was met Barend de Kort op

een middag den juweliers-winkel van de firma Voorschoten & Zonen

binnengestapt.

Beide jongelui zagen er keurig gekleed uit, spraken zeer beschaafd

en de bediende vroeg hun buigend, wat ze verlangden.

Lijster vertelde den bediende, dat zij eenige groote bestellingen

wilden doen voor een aanstaande trouwgelegenheid en daarvoor gaarne

persoonlijk met den patroon wilden onderhandelen.

"O, dat treft u slecht," had de bediende gezegd, "want de patroon is

heden voor zaken naar Amsterdam en ik ben hier geheel alleen."

Wel, dat wisten de twee bezoekers wel, maar ze vroegen--ook alweer

zeer beleefd en beschaafd--of ze dan met den bediende over de aan te

koopen kostbare geschenken konden spreken.

"Met zeer veel genoegen," was het antwoord.

"Laten we dan in het kantoor achter den winkel gaan," stelden Lijster

en de Kort voor. "Want als toevallig een onzer vrienden passeerde,

zou het geheim verraden en de aardigheid eraf zijn."

"Natuurlijk, natuurlijk," glimlachte de bediende, "gaat u binnen."

Maar eenmaal binnen het kantoortje veranderden de heeren van gedrag.

Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond, terwijl de Kort

hem een geladen revolver onder den neus hield.

"Ziezoo," sprak Lijster, "nu zullen we je op dezen stoel binden,

want we kunnen de rest wel zonder je af."

Terwijl de Kort den machteloozen bediende bewaakte begaf Lijster zich

naar den winkel, trok eerst de gordijnen omlaag en vulde daarop al

zijn zakken, benevens nog een grooten handkoffer, met diamantringen,

gouden horloges, armbanden, kettingen en broches.

Dat was in vijf minuten klaar en daarop verlieten de heeren rustig

den winkel, na zorgvuldig den sleutel meegenomen en de deur achter

zich op slot gedraaid te hebben.

Maar de arm van het gerecht reikt ver.

Dienzelfden avond nog werden de heeren bij aankomst van den laatsten

trein in Leeuwarden gearresteerd, want ze waren twee oude bekenden

van politie en justitie.

Maar van het gestolen goud en zilver en diamantwerk was geen spoor

te vinden. Alles bij elkaar was het een waarde van honderd veertig

duizend gulden.

De Rechter ondervroeg de twee jonge dieven, bedreigde, pleitte,

verzocht en bulderde hen ten slotte toe, dat ze er voor twintig

jaar achter gingen, als ze het gestolen goed niet terug gaven ... of

tenminste zeiden, waar de buit was.

Maar de beklaagden beweerden, dat vergeten te hebben.

Piet schreef er een groot stuk over, dat dien avond door de lezers

van de Morgenpost met angstige belangstelling verslonden werd. En

Piet deed vreemd dien avond.

Hij zat op zijn kamer en had een spiegeltje voor zich op de tafel

gezet.

Met scherpe nauwkeurigheid plakte hij zich een klein zwart kneveltje

onder den neus.

Zijn gewoonlijk hoog opstaande kuif maakte hij nat en dan plakte

hij de haren met cosmétique plat op zijn hoofd, met een aan 't eind

weggestreken draailok. Een platte pet zette hij op en over een niet

al te helder sporthemd deed hij een oud jasje.

Hij bekeek zich nog eens goed in den spiegel, trok een scheeven hoek

aan zijn mond en ging geruischloos de kamer uit en de trap af.

Op straat kocht hij een pakje cigaretten, waarvan hij er een opstak.

Daarna, handen in de zakken, de cigaret onverschillig tusschen de

minachtende lippen hangend, liep hij weer terug en trad zijn vaders

winkel in.

"Kan je main niet segge, waar Smiese woont?" vroeg Pietje op ruwen

toon aan Vader Bell, die den bezoeker met niet al te vertrouwelijke

blikken aankeek.

"Smiese? ... Smiese? ... Nooit van gehoord .... wacht eens ... Vrouw,

ken jij eene Smiese hier in de buurt?"

Moeder kwam naar den winkel sloffen, keek ook niet al te vriendelijk

naar den ruwen klant, het echte type van een diefachtigen leeglooper.

"Smiese ... nee ... ken ik niet ... Hier ben je bij Bell."

"Bell? Zeg eris, juffrou, ben je soms femilie van dat stuk verslaggever

an de rechtbank?"

Moeder verschoot van kleur ... dáár had je 't nou al!

Ze had het nooit erg op die rechtbank begrepen.

Was dat nou niet gevaarlijk voor háár Pietje, om dieven en moordenaars

in de krant te zetten?

Als-ie wat van ze schreef, dat hun niet beviel, konden ze hem er wel

eens wat voor doen. Ze moest er niet aan denken!

En daar had je nou al zoo'n exemplaar ... dat achter de tralies

thuishoorde ... Maar 't vernuft van een Moeder is héél groot.

"Familie? ... nee man ... die woont hier niet ..."

"Nou, as je dat petret soms tegenkomp, seg 'm dan maar uit main naam,

dat ik em in de gaten houw."

En met deze woorden verliet Piet den winkel, zonder herkend te zijn.

Hij dwaalde straat in, straat uit, liep onverschillig met de handen

in de zakken en rookte de eene cigaret na de andere.

Aan de Korte Hoogstraat nabij de Passage ontmoette hij Eetje Pijpers,

die een straatje omliep met Jeanne d'Arc, alias Jannetje de Boog,

en haar zijn uitgebreide kennis van het hondenras opdrong.

Piet bonsde tegen Eetje aan en mompelde iets onverstaanbaars.

Eetjes hoed viel op den grond door den geweldigen bons.

Hij raapte hem op en keek den achterbuurt-klant na.

"Onbeschémd répélje ..." schold Eetje, zijn hoed af stoffend

... "minderwérdige slémpémpers!!"

Piet grinnikte inwendig en liep den Schiedamschen dijk op, waar hij

eindelijk een der talrijke donkere zijstraatjes insloeg.

Hij was erheen gegaan met geen ander doel, dan zich eens te mengen

onder het gedeelte der maatschappij, hetwelk men wel eens de

"onderwereld" noemt.

Het was alweer zijn zucht tot onderzoeken en leeren, die hem in deze

ongewone kleedij hierheen dreef.

Het opdoen van nieuws, nooit gekende indrukken, het

verzamelen van materiaal voor een Zaterdag-avond-feuilleton, het

geheimzinnig-aantrekkelijke van nieuwe avonturen waren mede de redenen

van zijn tocht.

Hij slenterde--steeds in dezelfde, onverschillige houding--langs de

zeemans-café's en danshuizen.

Ten slotte bleef hij voor een der grootste danszalen staan.

Een gloed van lamplicht en rook kwam naar buiten en 't schetterend

ge-tsieng-boem van een automatisch orgel dreunde het straatje door,

valsch begeleid door een harmonica-met-piano in 't café daarnaast.

Piet trad de ruime danszaal binnen en vatte post in een hoek, leunend

tegen een der pilaren.

Op de maat der valsche schettermuziek walsten mannen en vrouwen,

meestal typen van het minste allooi.

Er waren heel wat zeelui onder, die een gezelligen avond aan wal

zochten, en dan altijd in dergelijke inrichtingen verzeild raakten.

In negen van de tien gevallen zijn ze den volgenden morgen hun

geld kwijt, want wat ze niet aan drank verteren, wordt hun wel met

kaartspelen of op andere manieren afgenomen.

Piet had daar misschien tien minuten gestaan, toen een man, die een

zeer ongunstig voorkomen had, hem aansprak.

"Dans jij niet, maat?"

"Nee," zei Piet, "nou niet."

"En waarom niet?"

"Ik ken geen mensch hier. Ik kom van Amsterdam ... zoek een karwei."

"Zoo ... zoek jij een karwei? ... Ben je ook van de beweging?"

Bij het laatste woord maakte de man een grijpend gebaar, dat diefstal

moest beteekenen.

"Jij bent niet nieuwsgierig, maar je weet graag alles," zei Piet

voorzichtig.

"Mijn kan je vertrouwen," zei de man knipoogend. "Ze noeme me Rooie

Tinus vanwege m'n pruik. 'k Ben jarenlang al in de negosie, versta

je? En nooit geknipt!"

"Wat zou je me aanraaie," vroeg Piet, die zijn rol van "toffe jongen"

prachtig volhield.

"We kenne hier niet praten," zei Rooie Tinus, "d'r loopen hier teveel

"dof gajes" [1] rond. Maar als je nou om één uur vannacht in 't Wapen

van Vlaanderen komt, kan je wel eens kans krijgen op goed werk."

Op dit oogenblik ontstond er een geweldig tumult onder de dansers.

Een paar zeelui hadden twist gekregen met hun maats over de vertering,

een ieder wilde de eer hebben voor het heele gezelschap te betalen

en toen ze niet tot een minnelijke schikking konden komen, begonnen

ze op elkander in te hakken en weldra vlogen bierglazen, tafels,

stoelen en vloermatten door de dansruimte.

De muziek stopte en alsof er een afspraak tusschen de aanwezigen

gemaakt was, begon een ieder mee te vechten, links en rechts er op

in te slaan zonder aanzien des persoons.

Gemoedelijke groepjes, die een oogenblik te voren heel broederlijk

met elkaar hadden gedronken, vielen plots als bloeddorstige tijgers

op elkander aan.

Rooie Tinus verdween snel en liet Pietje aan zijn lot over.

Het gevecht was plotseling zóó algemeen, dat Piet er eigenlijk om

lachen moest. Hij schoof langzaam en voorzichtig langs de vechtenden

heen, voetje voor voetje den uitgang naderend.

Maar voor hij dien bereikt had, rolde de troep vechtenden in zijn

richting, en voor Piet het aan zag komen of verhinderen kon, voelde

hij zich door een zwaar voorwerp aan het achterhoofd getroffen.

Bewusteloos zakte hij ineen.

Een onbekend man nam Pietje op en droeg hem door een paar in elkander

loopende gangen van het huis, daalde vervolgens een trapje met hem

af en legde hem neer op den vloer van een kelder.

Maar de man aarzelde nu een oogenblik, hij scheen van plan te

veranderen.

Nu nam hij Piet weer op, droeg hem opnieuw naar boven en verliet

het huis door een zijdeur, verdwijnend in de duisternis van de

krottenbuurt.

Uit de danszaal klonk de draaiorgelmuziek weer ... koperschetterend

... oorverscheurend ... de menigte danste weer ...

Piet kwam dien avond en zelfs dien nacht niet thuis...

Zijn ouders hadden zich om 11 uur ter rust begeven, want ze hadden

niet de minste reden tot ongerustheid, aangezien Piet heel vaak zeer

laat naar huis keerde.

Bepaald weer de een of andere groote vergadering, dachten ze en gingen

daarom gerust slapen.

Maar den volgenden morgen, toen het almaar stil bleef op Piets kamer

en hij ook om kwartier over achten nog niet aan het ontbijt was,

besloot Moeder, den jongen maar even te wekken.

Ze opende de deur van zijn kamer en vond ... alles in de volmaaktste

orde ... het bed onbeslapen ... en geen spoor van kleeren!

In één seconde had Moeder het begrepen.

Piet was dien nacht niet thuisgeweest!

Met van angst dichtgeknepen keel riep ze Vader, die haastig naar

boven kwam.

"Vader ... onze jongen ... is er niet!"

"Wat? ... is hij er niet?"

Verstomd keken beiden een poos de kamer rond.

Er was niets bijzonders te bemerken.

Moeder opende de kastdeur.

"En al zijn goed hangt hier!" riep ze opeens verbaasd uit. "Zie, Vader,

hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche."

"Drie hoeden heeft hij," voegde Vader erbij, "en die zijn er ook."

Opeens begon hij te lachen.

"Wel," zei hij, "dan moet hij op de badkamer zijn."

"Maar het bed is niet eens beslapen."

Op de badkamer was Piet al evenmin.

Het werd inmiddels negen uur en de onrust der ouders steeg met iederen

tik van de klok.

Daar klonk de telefoonschel in den winkel.

Vader snelde naar het toestel.

"Hallo?"

"Is u meneer Bell? Is uw zoon ziek, dat hij niet op het bureau

komt?" klonk de stem van den heer van Dalen, den stads-redacteur.

"Pieter is niet thuisgeweest sinds gisteravond ... en ... zijn moeder

... en ik weten niet ... waar hij is ..." sprak Vader, met van angst

trillende stem.

"Niet thuisgeweest, zegt u? Waar is hij dan heengegaan?"

"Dat heeft hij niet gezegd."

"Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?"

"Gisteravond om zes uur, aan het avondeten."

"Wel ... dat is vreemd ..."

"Zoudt u niet willen helpen, hem te zoeken, meneer?"

"Dat spreekt vanzelf. Ik zal oogenblikkelijk de politie in kennis

stellen. Heeft u ook een portret van hem?"

"Jawel, en een goed gelijkend ook."

"Kunt u mij dat laten bezorgen?"

"Ik zal het direct zelf brengen."

"Best, doet u dat. Ik zal er dan dadelijk hier een partij afdrukken

van laten maken."

"Dank u ... Ik kom dadelijk."

Het portret werd voor den dag gehaald en de bezorgde Vader haastte

zich ermee naar de bureaux van de Morgenpost.

Het bericht van Piets verdwijnen vloog als een vuurtje door het gebouw

van het dagblad.

Iedereen kende Pietje, iedereen hield van hem, ieder betreurde het

geval en was vol belangstelling.

De heer Peters, de dagblad-directeur, had telefoonen telegraaf

toestellen in werking gesteld, binnen een uur tijds was de zaak door

heel Nederland bekend, maar er kwam geen bevredigend antwoord, niet

de minste inlichting.

Vader zat, ten prooi aan den vreeselijksten angst, in het privé-kantoor

van den directeur, die hem op alle manieren trachtte te troosten.

Hij roemde Piets ijver, zei, dat de jongen misschien ergens opgehouden

was, liep naar de telefoon, belde weer iemand anders op.

Toen kwam er een auto aantoeteren en hield voor den ingang van het

gebouw stil.

Een jongmensch stapte eruit, betaalde den chauffeur en sprong haastig

de trappen op.

De deur van de directeurskamer werd wijd open geworpen en daar

stond... Pietje Bell... welvarend en blakend van gezondheid!

Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond

en zei:

"Hier ben ik, heeren. Excuseert u alstublieft mijn costuum, ik ben

vannacht op een klein karweitje uitgeweest."

En met deze woorden opende Piet den tasch, welke gevuld was met

diamanten en gouden voorwerpen.

"Jongen!" riep Vader Bell verschrikt, "je hebt dat toch niet

ge... ge... sto..."

"Juist, vadertje, precies. Dat heb ik gestolen. Maar ik heb het

gestolen van de dieven met de bedoeling, het weer aan den rechtmatigen

eigenaar terug te geven."

En zich tot den heer Peters wendend, voegde Pietje erbij:

"Dit zijn de gestolen sieraden van de juweliersfirma Voorschoten &

Zonen. Die zaak is juist gisteren voor de rechtbank geweest. Gerrit

Lijster en Barend de Korte zullen wel niet erg in hun schik zijn,

dat ik de kaas van hun brood gegeten heb."

"Prachtig!... prachtig!... kerel, wat een stuk voor de

courant!!... Maar hoe heb je 'm dat nu geleverd?"

"Dat zal ik u vertellen," zei Piet.

En nu deed Piet een getrouw verhaal van hetgeen de lezer reeds weet,

tot hij aan het punt kwam, waar hij door iemand van achteren werd

aangevallen en bewusteloos op den grond ineenzakte.

"In minder dan geen tijd," vervolgde Piet, die weer als altijd

een vloed van buitenmodel bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden

gebruikte, was het heele bataljon land- en zeerotten aan het snelvuren

met bierglazen, limonadefleschjes en stoelen en daarom vond ik het

maar het beste, er stilletjes tusschenuit te knijpen.

Net was ik bij de deur, toen me daar opeens zoo'n vechtende kleipeer

achter mij aankwam en mij meedeelde, dat ik niet teveel hier was,

maar alleen overschoot.

Of hij mij dat vertelde met een tafelpoot of een bierglas, weet ik

niet meer precies, maar ik heb er nog een buil van op mijn kersepit.

Wat er daarna met mij gebeurd is, kan ik mij niet goed herinneren,

maar toen ik weer tot het land der levenden terugkeerde, lag ik in

een donkere ruimte. Ik heb toen eerst even onderzocht, of ik heelemaal

compleet was en toen stak ik een lucifer aan.

Ik zag gauw genoeg, dat het een oude zolder, of beter nog, een vliering

was, waar ik lag. De eigenlijke zolder was daar weer onder.

De vloerplanken, waarop ik lag, waren niet tegen elkaar getimmerd,

maar hadden wel een handbreed tusschenruimte.

Ik heb me toen, geloof ik, wel een uur stilgehouden, want ik wou niet

graag voor de tweede maal mijn hoofd stooten aan een bierglas.

Ik lag maar aldoor te verzinnen, op welke manier ik hier vandaan kon

komen zonder opnieuw een van die gezellige nachtridders te ontmoeten.

En toen hoorde ik voetstappen....

Het duurde niet lang, of er werd op den zolder een lantaarn aangestoken

en ik zag twee edellieden, die er uitzagen als een paar gasten van

Hotel de Tralie. Zij schenen niet te weten, dat ik daar was en al

hun doen en laten van tusschen de vloerplanken zien kon.

De een droeg een zware tasch--deze hier--en zei tegen z'n compagnon:

"Wel Dries, ik denk, dat de aap hier mooi veilig is."

"Veilig genoeg voor 'n dag of wat. Maar hoe kom je erbij, om juist

dit krot er voor uit te pikken?"

"Orders van Gerrit Lijster," zei de eerste. "Overmorgen komt Fransche

Lowie uit Rosendaal de aap weghalen en krijgen wij ons deel. 't Huis

was door Gerrit aangewezen ... 't is een leegstaand pakhuis, zooals

je ziet, afgekeurd door de groote Pieten en nergens meer goed voor."

"Nou, u begrijpt," zei Piet, "een verlaten pakhuis, dat knoopte ik

goed in m'n gehoorapparaten. Ik begreep natuurlijk al gauw, dat de

aap niets meer of minder was dan de gestolen sieraden van Voorschoten

en om u de waarheid te zeggen, beefde ik zoo van opwinding, dat de

zolder ervan schudde.

"Toen de nachtpitten met den lantaarn vertrokken, was het weer

stikdonker. Ik heb toen nog een uur of zoo gewacht en daarna heb ik

het maar geriskeerd.

"Voetje voor pootje ben ik het laddertje afgeslopen.

"Sjonge, het leek me wel honderd jaar te duren, voor ik bij de "aap"

was, want ik durfde geen geraas te maken, daar 't huis wel eens bewaakt

kon zijn. Bovendien maakte elke plank van 't rotte huis zoo'n kermend

lawaai, als ik een stap deed, dat ik me bijna niet durfde bewegen.

"Stil ... daar kwamen weer voetstappen 't straatje in ... ik voelde

m'n hart in m'n teenen kloppen ... maar gelukkig kreeg ik geen tweede

visite. D'r was een raam open en daar heb ik even door naar 't straatje

gekeken. Jawel hoor, ... aan den eenen hoek van 't steegje stond een

man ... aan den anderen kant ook zoo'n exemplaar, die een pijp rookte.

"'t Zaakje werd bewaakt, dat kon je wel op je ribben uittellen.

"Wel, ik ben niet zoo heel erg bang uitgevallen, maar toen ik die

twee sinjeurs daar op post zag staan, misschien allebei wel met een

geladen erwtenschieter in hun zak, was ik toch niet zoo heel erg in

mijn schik met het geval.

"Terwijl ik zoo bij mezelf een conferentie houd, schop ik tegen iets

zwaars aan. Ik kon het in dat stikke-donker niet onderscheiden, maar

op den tast bemerkte ik, dat het een looden gewicht uit een der oude

vensters moest zijn.

"Ik weet zelf niet, hoe ik op de gedachte kwam maar ik nam het stuk

lood in de eene hand, de tasch in de andere en klom zachtjes van den

zolder naar beneden.

"Wat ik met het looden gewicht ging uitvoeren, wist ik op dat oogenblik

zelf niet, maar in elk geval was het een wapen, waarmee je van je

naasten's hersepan heel geschikt haché kon maken.

"Toen ik beneden was, keek ik eerst voorzichtig naar de twee

schildwachts en tegelijkertijd bemerkte ik een openstaande deur in

't huis aan den overkant van het straatje.

"De bewakers keken niet in mijn richting en in twee sprongen had ik

het portaal van het andere huis bereikt.

"Nu moest ik die twee gluipers van hun hinderlijken post zien weg

te krijgen en dat was gemakkelijk genoeg, zooals de aviateur zei,

die van 2000 meter hoogte in zee viel.

"Ik zette eerst den tasch neer en smeet toen het looden gewicht door

een der ramen van het pakhuis.

"Het maakte een lawaai, alsof de heele steeg in elkaar stortte.

"Nou, u snapt dat ik me gauw verschool achter de deur, maar ik kon

net zien door een kier, hoe de twee sinjeurs kwamen toeloopen en

't pakhuis binnenrenden.

"Toen ze goed en wel op de trap waren, holde ik met de tasch het

straatje uit. Op den Schiedamschen dijk ben ik langzaam gaan loopen,

tot ik een taxi zag staan. Ik heb me toen naar de Geldersche kade

laten rijden en deed precies, of ik logeeren ging in Hotel de Kat.

"Maar nauwelijks was m'n chauffeurtje vertrokken, of ik wandelde

verderop en heb een kamer genomen in Hotel Maaszicht.

"De rest is eenvoudig.

"Ik heb geslapen als een dooie marmot en toen ben ik met een andere

automaat hierheen gekomen.

"En hier is de "aap"."

"Wel Piet," zei de directeur, "je verhaal is goud waard en je avontuur

niet minder; de stad zal ervan versteld staan. Maar om nu je persoon

niet in gevaar te brengen zullen we niet schrijven, dat je Pieter

Bell heet en verslaggever aan de Rechtbank bent, want dat zou wel eens

minder aangename gevolgen voor je kunnen hebben. Doch dat zaakje zal

ik wel voor je opknappen. Gaat nu met je Vader naar huis en meld je

vanmiddag om twee uur bij mij."

Vader Bell was nu niet weinig trotsch op Piets avontuur.

"Maar moeder zit nog in doodsangst," zei hij. "Laten we gauw een

rijtuig nemen, Piet, want je ziet me er te schooierig uit, om met je

in de tram te zitten."

"Ik heb Moeder al getelefoneerd voor ik hier kwam. Ze vertelde mij,

dat u naar de Morgenpost was."

Daarop riep Vader Bell een rijtuig aan en een kwartier later had Moeder

haar jongen weer in de armen en tranen van blijdschap in de oogen.

De vlegeljaren van Pietje Bell · 第 24 / 43 题