In een boek leer je den held van het verhaal maar niet zoo op de
eerste bladzijden kennen in al zijn bijzondere hoedanigheden, vooral
niet een veelzijdigen jongen als Pietje.
Onze vriend nu was natuurlijk niet zoo veranderd, of hij had heel
wat van zijn vroegere karakter behouden, en af en toe gaf hij daar
de bewijzen van.
Het was merkwaardig, hoeveel vrienden hij had, want iedereen hield
van hem om zijn oprechtheid, zijn onuitputtelijken humor en levenslust.
Hij wist altijd den vroolijken kant van de dingen aan te wijzen en
hielp daarmee menigeen van een neerslachtige bui af.
Daarbij had Piet vastheid van karakter, een eigen wil en een groote
mate van zelfrespect. Dit laatste bracht hem wel eens in botsing met
anderen, die probeerden, hem in een hoekje te dringen of te kleineeren.
Piet liet zich niet bazen, de schoolmeesters hadden hem niet voor niets
verteld, dat zijn voorouders tachtig jaar lang gevochten hadden voor
de vrijheid hunner nazaten, en hij zou wel eens iemand willen zien,
die hem die vrijheid ontnemen durfde.
Hij wist--als het te pas kwam--dit zeer duidelijk aan iemands verstand
te brengen, en dan zette hij maar weer zijn dictionaire in werking,
liet zulk een overvloed van buitenmodel bijvoeglijke- en zelfstandige
naamwoorden hooren, dat Servaas de Bruijn er het water van uit den
mond geloopen zou zijn.
Op zekeren dag vond Pietje een gouden broche met een schitterenden
diamant erin gevat.
Hij bewaarde het kostbare sieraad zorgvuldig en keek dien avond de
advertenties in de courant na.
Spoedig vond hij, wat hij zocht. Een der annonces luidde: