In Godsdienst zal met recht de klepelaar uitsteken;
Vermids hij zijn gebroed, in liefde onvergeleken[554],
Getrouw tot in den dood, zijn hulpe en jonste[555] aanbiedt,
En stadig bijstand reikt in allerlei verdriet:
't Gebroedzel, dat van jongs zij oefnen en gewennen,
Zal deze ontvangen deugd in de oudren weêr erkennen,
En 't aas, verre opgespeurd, haar deelen wederom,
Wanneer haar overvalt den grijzen ouderdom.
Aan[556] oprechte oud'ren, die godzaligheid hanteeren,
De kind'ren niet dan deugd en ware wijsheid leeren:
De aankomers[557] slaan ze gâ, en nemen op haar[558] acht,
En hechten 't geen zij zien haar[559] zelven in 't gedacht:
Waar goê voorgangers zijn, daar zijn ontsteken lichten,
En goede hoeken, die in deugd de jonkheid stichten.