DE VOGEL FENIX.

Arabiën draagt moed, en gaat de roem afstrijken

Van de ander wereld wijd, en alle koninkrijken:

Om dat de Fenix staag haar zoele locht doorzweeft,

Die nimmer zijns gelijk ziet, noch gezien en heeft.

Die, na zelfs eeuwen, zat, en moê van hier te zwerven,

Zich willig en van zelf toe-rustet om te sterven,

Op eenen steilen berg, daar hij zijn dood-bed sticht,

Met zoet welruikend hout, 't welk 't heete zomer-licht,

Vermids[549] zijn stralen, komt ontstekende verasschen[550];

De vogel fluks verbrandt, en wordt verteerd tot asschen;

Waar uit allengs ontstaat en voortskruipt[551] eenen worm,

Daar uit een Fenix wordt vernieuwd, naar 's eersten vorm.

Verstanden, die geleerd in wijsheid wijd uitsteken,

Die werden[552] hier bij niet onvoeglijk vergeleken,

Om dat zij zelden eens aantreffen haars gelijk,

En, door haar groote faam en eere onsterfelijk,

Ook andren prikklen, om, met uitgerekte veêren,

Te volgen, die geraakt zijn op den berg van eeren;

Te vliegen sterrenwaarts, verheven met 't gemoed,

Tot daar men erft te loon den groenen lauwer-hoed[553].

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 253 / 258 题