Des zomers voorbode eens de blanke zwaan ontmoetten,
En vraagde, waarom zij haar leven met zoo zoeten
En aangenamen lied hier eindigden op 't lest?
"O! (zegt zij) 't is van vreugd, dat ik van 't aardsche nest,
Vol kommer en verdriet, ten laatste worde ontslagen,
En in de zachte schoot van ruste word gedragen."
Een arm katijvig[547] man, die vroom is van gemoed,
Valt 't leven wonder zuur, en 't sterven honig-zoet.
Den dood hij vreugdenrijk wil in zijn armen loopen,
Als die hem sluit de poort van 's levens kerker open:
Van 't leven, dat veel eer een durig[548] sterven is,
Een gasthuis vol verdriet, en vol bekommernis,
Een zee die altijd woelt, daar 's droefheids baren bruizen.
Gelukkig is de ziel, die vrolijk mag verhuizen.