De staalverslinder struis en 't nachtegaalken t' zamen,
Elkandren haren roem trotzeerende benamen:
De vogel lang-gebeend zijn vederen verhief;
De nachtegaal zijn stemme, elk een om hooren lief.
"Monarchen (sprak de struis), die werelden bestieren,
Met mijne pluimen haar[539] vereedlen en vercieren."
"Mijn liefelijk geluid, op welgestelde maat,
(Riep 't vogelken) verheugt een ieder in zijn staat."
't Zij vorsten, trotsch gehuld met purpre en zijde banden,
Of landliên, die 't gelust te ploegen de akkerlanden.
Een ieder die hier leeft, 't zij van wat staat, gewis
Getrokken wordt tot 't geen zijns herten wellust is:
Dàt dunkt hem alderschoonst, en mag[540] hem niet vervelen.
Elk zot heeft zijn marot[541], en tijdverdrijf om spelen.