De koninklijke leeuw, die in zijn frissche dagen
Al 't andere gediert plag wreedelijk te plagen,
Ontzien word[536] om zijn moord en strenge tyrannij;
Dies sidderde elk bevreesd voor zijne razernij:
Nu zijnde traag en zwak, van alle man verstooten,
Veracht wordt en beschimpt van al zijn rijks genooten.
Dies de een, uit ouden haat, wijst hem zijn stalen voet,
En de ander wrokkig toont hem zijn ivoren hoed[537].
Elk juicht, om dat hij moet in bittere armoê leven:
Nu leît hij hulpeloos, die 't eertijds al deed beven.
Zoo dat hij, zonder troost, verwacht in zijne nood
Zijn kwijnend' ouderdom te scheiden met de dood.
Zoo steunt de stoute mensch op rijkdom en op krachten:
Verdrukt en vilt bijna zijn minder met verachten:
Houdt, dien hij overmag[538], geduriglijk in angst,
En toont zich als den leeuw, heer in der dieren vangst:
Stelt 't recht naar zijnen zin, daar de arme moet om treuren,
En schraapt in zijnen zak, al wat hem komt te veuren;
Dies als hij komt in nood, dan is een ieder t' zoek:
Want hij laadt op zijn hals den welverdienden vloek.