Een flukschen[529] waterhond kwam uit een slagers hal,
En kreeg dit hachjen[530] voor zijn trouwigheids verval[531]:
Al wandelende voorts een treedjen over 't water
Vergroot der zonnen schaâuw zijn aas zoo, dat 't geschater
Van vreugde in 't herte sprang, mitsdien hij hongrig hapt
Naar den gewaanden brok;--doe[532] was hem 't vleesch ontsnapt.
Dit is een leerlijk beeld van bodemlooze menschen,
Die, nimmermeer vernoegd, naar groote schatten wenschen,
Gepijnigd strengelijk van d' helsche gierigheid,
Die nacht en dag ontrooft al haar gerustigheid;
Vergapen zich aan 't groote, en laten 't zekre varen,
En wilden, op een bot[533], dat zij de keizer waren.
't Waar beter, dat zij haar genoegden met den buit.
De valsche hoop bedriegt, en jaagt ter poorten uit.
Laat dit een bake zijn, onzadelijke[534] gieren[535],
't Zeil uws begeerlijkheids niet ruim te laten vieren.
't Genoegen is het al: 't is beter (hoe gij pocht)
Één vogel in de hand, als honderd in de locht.