DE SPIJS-DRAGENDE EZEL.

Hier, hier, gij vrekken! hier: schouwt d' ezel overladen

Met bouten, hoenders, taart, gezoden, en gebraden,

Saucijsen, hazen, wijn, capoenen, en pastei,

En hij eet distlen zelf op schrale en dorre wei.

Zoo gaat het ook met u, verschrookte[526] gier'ge slaven:

In rijkdom zijdy arm, bekommerd gaat gij draven,

Hebt stadelijken zorg, bezwaard met druk en klag,

Vindt geen gerust gemoed, en woelt schier nacht en dag:

Slurpt wei en water in, schroomt uwen buik te vullen:

Een ander heeft uw haaf, derf[527] lekkerlijken smullen.

Die 't goed heeft, zuigt de poot; die 't niet heeft, eet gebraad.

Dees loert op woekers-winst, en de ander op verraad:

En altijd heeft hij vrees, versmoord in ijdle zorgen:

Komt stadig brood te kort, bekommerd voor den morgen:

Onthoudt zijn lust het goed, en spaartet[528] uit zijn mond;

Dat in het eind verbrast wordt door de katt' of hond.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 240 / 258 题