DEN HAZE EN DE SCHILDPADDE.

Een ongeziene kans de schildpadd' heeft bestaan,

Als met den lichten haas zij gingk een wedspul[523] aan,

Die, met zijn snelligheid, en rassigheid van leden,

Dit loome dier verbaast, met alle schamperheden:

"Wat wilt gij, kruiper! doen? o, luyen rondassier[524]

En al te tragen prij! kruip, kruip, naar dijn manier.

Ik koom nog vroeg genoeg, schud van dijn harde schelpen

Nog zooveel beenen uit, en laat ze d' ander helpen:

Ik ben doch morgen vroeg te Ronsen[525] voor de stad,

Eer gij ten einde zijt het geldelooze pad."

De schildpadd' haren weg spoeit stadig zonder dralen:

Geen slaap ontrooft haar vlijt, om eere' en prijs te halen;

En vindt den haze niet als op den avond spâ,

Die toen zijn daad verfoeit, meer om de schande' als schâ:

Koomt, rappen wispeltuur! die schijnt den baars t' ontgallen,

Uw roem is al gedaan, uw spillen zijn ontvallen:

Schouwt, hoe gestadigheid den lauwer-kroon ontvangt,

En 't wispelturig hert aan 's armoeds borsten hangt.

De een groote steden bouwt, verrijkt ze door haar wallen,

En d' ander werpt ze neêr, doet alle dingk vervallen.

De staâge jager jaagt, en wint ten leste 't veld,

Wanneer hij op den troon der eeren wordt gesteld.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 238 / 258 题