DE LEEUW, DEN HAAN EN DEN EZEL.

Den hoog verheven leeuw, vermoeid van 't stadig jagen,

Vand[517] eenen ezel staan, verloomd door 't zakke-dragen,

Daar bij een Lombaardsch' haan[518], die, door zijn luid gekraai,

Den trotschen leeuw verschrikt, dat hij, met eenen draai,

Zich op der vlucht begeeft. Den ezel overmoedig,

Waant, dat de leeuw bedeesd wordt door zijn felheid woedig

Hem op zijn hielen volgt met een gezwinden loop,

En t' onbedachtelijk brengt hij zijn vleesch te koop.

De leeuwe int zwingen[519] ziet den tragen ezel volgen,

Scheurt hem ter aarden straks, met een gemoed verbolgen,

En zegt: "dit is voor mij, voor 't welgeboren bloed,

En 't eedle konings herte, een doren in mijn voet,

Dat ik voor iemand wijk! dit is, o slechten broeder!

Dijn uiterste banket; o, aller hazen moeder!"

Volg waanwijs niet dien raad, om, als dijn prince vliedt,

Hem smaad en spot te doen, om voeden zijn verdriet:

Of u schoon 't avontuur toont gunstig hare tuiten[520],

Zij draait te schielijk 't hoofd, en steekt u in de kluiten[521].

Verstonden zij te recht den korrel[522] van de zaak,

Dat onbedachtheid is 't verderf der dwazen vaak,

Zij zouden welbezind op beter kansen letten,

Den ezel zou den leeuw niet naar zijne eere zetten.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 236 / 258 题