De krijgsche en strijdbaar' hane, al krabbelend' met sporen,
Zoekt in het vuile slik, ontrent de Gooische kant,
Na haver of na kaf, na boek-weit of na koren;
Terwijl hij 't kostjen zoekt, vindt hij een diamant.
Sprak: "wat mag mij 't juweel, (dus cierelijk) vermaken,
Dat d' oogen wel verfraait[512], en lonkt mij lieflijk an?
Ik zoek slechts kaf en graan, om aan den kost te raken:
Dees pracht en overdaad, daar heb ik 't walgen van."
Gekroonde vogel wijs! kont gij dijn[513] meerder leeren,
Haar wulpsche dartelheid, en diere pronkerij
Verachten en vertreên?--dus, mensche! wilt u keeren,
En spiegelt doch aan hem uw praal en hoverdij.
De peerle' is ook de konst[514] der wijze en hooggeleerde,
Die van d' onwetend' haan verniet[515] wordt en verneêrd:
Uitwendiglijk en is cieraad van geender weerde,
Zoo gij inwendiglijk nooddruftigheid[516] ontbeert.