DE DRAAK EN OLIFANT.

Een eiselijken draak bevocht een olifant,

En heeft hem metter vlucht zeer schriklijk aangerand:

Omslingerd' hem zijn been, en, met vergifte steken,

Komt 't bloed als een riviere uit zijn grof lichaam leken,

Amachtig, slap en flaauw door de uitgemergde[510] kracht

Poft' hij den draak op 't lijf, doodd' hem met ganscher macht.

Dit is des werelds loop; wanneer de wreê tyrannen,

De vromen te vertreên en de armen, netten spannen,

Omringen haar gelijk, en zuigen uit haar bloed,

Dan valt de vrome op 't lijf, die hem de wreedheid doet.

Gelijk de snelle rhee, die op de steile klippen

Den jager had gejaagd, van meening hem t' ontslippen;--

Klimt, klautert, toegerust de jager streng en stijf,

De rhee ziet doods gevaar, springt bots[511] hem op zijn lijf;

De jager breekt zijn hals, zijn armen, en zijn beenen,

De rhee valt onversaagd te barsten op de steenen.

Zoo wie ook iemand meent te plagen naar zijn wil,

Die jaagt hem zelven meest, de jager staat niet stil.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 232 / 258 题