DE HAZEN EN VORSCHEN.

De hazen, eens ontvlucht der honden felle macht,

Hier hadden (bleek van vreez') haar leger-plaats gebracht,

Op 't onverzienst begint de Noorde wind te ruischen,

In 't midden van 't geboomt: de bloode hazen kruisen

Het boom-rijk eikenbosch, en komen aan de kant

Van 't drabbige moras met hoopen aangerand[506].

De vorschen, ongewoon zoo schielijke geruchten,

Beginnen ook uit schrik van dit geweld te vluchten.

Der hazen kapitein riep stout en onverzaagd:

"Spitsbroeders! wijkt niet meer, naar niemanden[507] en vraagt,

Gij ziet, wij zijn een schrik van vreeselijke dieren,

Waaromme zouden wij de rappe winden vieren?"

't Gaat nog zoo alle dag: wanneer de bloote guil

Zijn minder overmag[508], hij acht hem als een uil:

Hij is zoo in zijn schik, hij blaast zoo uit zijn darmen,

Hij kapt drie mannen af, met één houw, zeven armen.

Hij wijkt voor niemand niet: wanneer zijn vijand vliedt,

Dan is 't een man in 't veld, hij vreest noch acht hem niet;

Maar als die wederom zijn tanden gaat ontblooten,

Dan kiest hij 't haze-pad, loopt voor een blaas met koten[509].

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 230 / 258 题