DE BARENDE BERG.

Een steigerende berg, wiens kruin de locht dorst tergen,

Uitmuntte[503] door haar steilt' de Pireneesche bergen,

Vermat haar stout en koen, dat ieder hoorde en zag,

Hoe zij een nieuwen berg zou brengen voor den dag;

Dus zwanger barst zij uit of 't fellijk hadd' gedonderd:

Dies liep de wereld toe, en ieder was verwonderd,

Verwachtende wat vreemds: door 't krakende gedruisch

Baartze uit haar zwangre lijfde lachelijke[504] muis.

"Is dit," riep elken een, "de vrucht van 't hooge roemen?

Het snorken is maar wind, uw krijten wij verdoemen."

Vergeefs en ijdel is, die stoft van groote konst,

Van macht, van heerlijkheid, als 't blazen is om sonst[505].

Pofhanzen zijn 't te recht, wrant iegelijk kan 't merken;

"Gekrijts genoeg, geen wol", zei d' Nikker, en schoor 't verken.

Den eenen van zijn haaf snorkt, d' ander van zijn boeken:

Hier is heer Calis t' huis, den doctor moet men zoeken

In zijne kamer, daar de doctors staan te pronk:

Dees is een man in 't veld, en de ander bij den dronk.

O, onbevaren volk! wilt op dees baken letten,

En leeren op 't klein schip geen groote zeilen zetten:

Vlagvoerders! strijkt de fok, en haalt de wimpels in:

Veel vlaggen (zegt matroos), 't schip heeft geen botter in.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 228 / 258 题