DE LEEUWE, KOE, EN 'T SCHAAP.

Een leeuwe, koe, en schaap, die togen op der jacht,

En hebben door haar vangst een hert daar van gebracht:

't Welk van den stouten leeuw verscheurd zijnde in vier deelen,

Heeft daar meê naar zijn lust dus weten om te spelen:

"Het eerste komt mij toe, alzoo ik koning ben;

En 't ander, nu ik mij in 't jagen meester ken;

En 't derde voor de moeite en arbeid van het scheiden[500],

Wie 't vierde deel begeert, die moet zoo lange beiden,

Dat hij 't uit mijne vuist en kluiven mij onttrek,

Of plokhaar tegens mij, en snoer' hier na den bek!"

Let hier op, reedlijk volk! met leeuwen of met beeren

In geenen bond te treên, of wreede over-heeren:

Zij scheiden na[501] haar zin. De arme wordt verdrukt,

't Ga ook met haar zoo 't wil, der fellen doen gelukt.

O, woekenaars! gij speelt ook even deze perten:

Gij rooft der armen goed, en maakt haar droef van herten,

Neemt pand en hooge rent, drie dobbel interest,

En toont nog slechten schijn, al[502] waart gij van de best.

De onnoozle wacht zijn deel, en vindt hem heel bedrogen:

Vast is 't den woekenaar in zijne kaak gevlogen.

De leeuw rooft met geweld, de wolf door valsche schijn;

Zoo toont het kwaad gespuis, dat zij baat-zoekers zijn.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 226 / 258 题